woesteling in het bezit stelt van dat fortuin, ’t is niet
waarschijnlijk dat mijn broeder hem niet rechtens als zoon heeft
aangenomen, na hem steeds als zoodanig in het openbaar te hebben
erkend. ’t Is niet te denken en nu heeft hij gedurende den nacht vrij
spel tusschen de papieren mijns broeders. In elk geval wat er niet is,
dat kan hij niet maken; morgen zullen wij onze maatregelen nemen.”
IV.
EEN STEM UIT HET GRAF.
Intusschen was Robert na zich van zijn oom op zulk een onzachte manier
bevrijd te hebben weer naar de schrijftafel gewaggeld, en liet zich op
den leuningstoel neervallen; de gebeurtenissen der laatste uren hadden
hem zoo overstelpt dat hij thans het denkvermogen bijna geheel miste.
Met gesloten oogen zonk zijn hoofd achterover tegen de leuning van den
stoel, hij viel in een soort van verdooving, die eenige uren duurde;
toen hij eindelijk ontwaakte was de koperen lamp uitgebrand, een straal
der morgenzon drong door de reten der gesloten blinden naar binnen en
teekende een glinsterende streep licht over de schrijftafel.
Versuft staarde Robert op die straal voor hem; hij voelde niets dan een
brandend gevoel aan het voorhoofd en een stekende pijn in de oogen;
maar het duurde lang voor hij zich eenige voorstelling maken kon van
hetgeen gisteren gebeurd was. Eerst langzaam keerde het bewustzijn
terug, maar toen vertoonde zich ook de werkelijkheid aan hem in haar
volle afschuwelijkheid. Zijn vader dood, zijn rechten als zoon miskend,
zijn oom doodelijk beleedigd, zou het nog geen booze droom kunnen
wezen? Hij stond op en voelde zich duizelig, doodmoede en ziek, hij kon
geen stap doen zoo beefden zijn knieën, daar zag hij den beker met
wijn, dien de oude knecht hem gisteravond had gebracht en waaruit hij
slechts een teug had genomen. Hij strekte er zijn hand naar uit en
bracht hem aan de lippen, de versterkende drank dien hij tot den
laatsten druppel gebruikte wekte hem een weinig op; hij ging naar de
vensters, sloeg de blinden weg en opende ze zoo wijd mogelijk; de
frissche geuren van den ochtend tegelijk met het gulden zonnelicht
stroomden naar binnen; de ramen hadden uitzicht op den tuin, waarin de
dauw nog schitterde in haar eersten, jeugdigen glans, en de vogeltjes
blijde kwinkelden omdat de korte zomernacht voorbij was.
Met volle teugen ademde Robert den heerlijken morgen in, hoe verre
scheen de dood met al zijn verschrikkingen hem toe? Zou alles waar
zijn, wat hij gedroomd had? Maar hoe kon de zon dan zoo helder
schijnen, hoe kon de dauw als poeder van diamant schitteren op bloem en
blad, hoe konden de vogels dan zoo vroolijk zingen en de bloemen zoo
heerlijk geuren? Hij streek zich met de hand over het gelaat en door de
dikke lokken, die verward om zijn hoofd golfden.
„Kan het waar zijn, kan het waar zijn?” vroeg hij zich af, en keerde
zich toen om naar den wand tegenover hem, waaraan een fraaie
Venetiaansche spiegel hing.
Ontzet deed hij een stap achteruit; dat verwilderde gelaat, die
uitgedoofde oogen, die verwrongen trekken waren dat de zijne, maar dan
moest er iets vreeselijks zijn gebeurd, dan was het geen droom, die
zijn verhitten geest zoo ontstelde en zijn gelaat zoo bitter
misvormde.—Zou het dan toch waar zijn?
Hij keerde terug naar den lessenaar en woelde tusschen de papieren;
daar was de begonnen brief aan Digna.
Digna, wie was Digna? Had hij haar sinds een dag of sinds tien jaren
niet meer gezien? Hoeveel tijd lag er tusschen vandaag en gisteren, kon
hij zich niets meer herinneren, maar dan was hij krankzinnig.
Hij wilde de bel luiden, aan hem die binnenkwam opheldering vragen,
kost wat kost. Zekerheid moest hij hebben, alles maar niet de
verwarring die thans in zijn brein heerschte; bij die beweging raakte
zijn hand het pakje aan, dat hij gisteravond had gevonden en voor hem
op zijn 21sten verjaardag bestemd was.
„Dit zal mij uitkomst geven,” riep hij plotseling uit, „dit moet op al
die vragen antwoorden. Ik kan en wil niet wachten tot den bepaalden
tijd.”
Hij scheurde den omslag open, er viel een groote brief uit door een hem
onbekende vrouwenhand geschreven; verder een op ivoor geschilderd
miniatuur meisjesportret en een zilveren penning van vreemdsoortigen
vorm op de helft doorgebroken.
Met koortsachtige drift nam hij den brief op en las.
„Aan mijn Zoon!
„Geliefde Robert, wanneer gij deze regelen ontvangt zal de hand die
ze neerschreef reeds sints lang verstijfd zijn, en elke herinnering
aan de moeder, die u zoo innig liefhad en zooveel voor u leed uit
uw geest verdwenen zijn.
„Ik weet niet wie mijn plaats bij u zal innemen, maar ik bid God
dat liefde en zorg steeds over u zullen waken, mijn arm, ouderloos
kind! Ouderloos, want dat zijt ge, daar nimmermeer uw vader u zal
kunnen opeischen; wellicht zal er niemand gevonden worden, die u
verhalen kan van uwe arme afwezige ouders, of zoo zij het u zeggen,
het zal wezen om op verachtelijke wijze u te verwijten dat gij de
zoon zijt van een slaaf, en dat gij aan een misslag uwer moeder het
leven te danken hebt.
„Misschien zult gij dan de zwakheid en de zonde uwer ouders
vloeken; o Robert, lees eerst deze regelen vóór gij een oordeel
velt. Ja, wij hebben lichtzinnig gehandeld, maar niet slecht, zoo
ik gewild had, ik zou mijn fout hebben kunnen bemantelen maar ik
weigerde, daar ik dan zou moeten erkennen dat het een fout geweest
was, uw vader lief te hebben en eeuwige trouw te beloven.
„Maar hoor toe mijn kind, en al kunt gij de nagedachtenis uwer
ouders niet zegenen, denk ten minste niet in bitterheid aan hen.
„Mijn naam is Suzanna Moor; mijn vader bekleedde een hooge
betrekking op Batavia; mijn moeder verloor ik helaas! reeds vóór
mijn tiende jaar en ik was aan de hoede van slavinnen en huurlingen
overgeleverd, daar mijn vader tijd en lust ontbraken zich met mij
bezig te houden. Ik had goede meesters, daarvoor zorgde hij, maar
verder liet hij mij de grootst mogelijke vrijheid.
„Onder onze slaven bevond zich een knaap, eenige jaren ouder dan
ik, een wakker knaapje van krachtige gestalte en met schoone
trekken; hij was vlug en leergierig, en spoedig werd hij mijn
liefste speelgenoot. Ik leerde hem alles wat ik zelf kon, hij was
nooit moe met mij te spelen; hoe heftig en onhandelbaar hij ook
tegen anderen was, jegens mij, zijn jonge meesteres, toonde hij
zich steeds onderworpen en gewillig. Ik geloof dat hij mij toen
reeds aanbad; er was geen wensch van mij hoe dwaas en onzinnig ook
of hij wist dien te vervullen; tegen geen moeite zag Si
Oentoeng—zoo had mijn vader hem genoemd—op, wanneer hij mij een
verrassing kon bereiden.
„En ook ik was innig aan hem gehecht; mijn vader zag onze
vertrouwelijkheid en lachte; hij ook mocht Si Oentoeng gaarne
lijden. Sints hij bij ons aan huis woonde, gelukte alles mijn
vader, alle mogelijke eerbewijzingen en gunsten werden zijn deel,
zijn rijkdom vermeerderde, en allen zeiden dat Si Oentoeng de
heilaanbrenger was.
„Zoo werd ik vijftien jaar, men vond mij schoon; ik voeg mijn
portret hierbij! Die mij thans kennen zullen geen gelijkenis meer
vinden tusschen mij en dit beeld maar toen verklaarden allen
eenparig dat dit portret, hoe schoon ook, slechts zeer onvolmaakt
den glans mijner oogen, de blankheid mijner kleur, den gloed mijner
blonde haren, den glimlach mijner lippen kon weergeven. Ach!
schoonheid, geluk, hoop! alles is vernietigd!
„Hoor verder de geschiedenis van mijn leed, Robert! Misschien zal
het u leeren voorzichtiger te zijn met de kostbare gave van uw
leven, dat eens gebroken nooit meer hersteld wordt.
„Ik was dan vijftien jaar, jong, schoon, rijk en weldra kwamen vele
aanzoeken om mijn hand; mijn vader wilde echter geen besluit nemen
vóór ik mijn zestiende jaar voleind had. Wel sprak hij van een
hooggeplaatst man aan wien hij mij gaarne verbonden wilde zien en
later van een jong onderkoopman Herman de Wilde genaamd. Ik
weigerde en liep schreiend weg, om mijn nood aan Si Oentoeng, mijn
liefsten vriend en speelmakker, te klagen, die mij nog onlangs het
leven had gered.
„Hij luisterde met krampachtig gesloten lippen en gefronste
wenkbrauwen en zeide niets anders dan:
„Op den dag dat nonna Suzanna trouwt ontvlucht Si Oentoeng Batavia
en kom er nooit weer terug!”
Toen antwoordde ik beslist:
„Maar ik wil niet trouwen Si Oentoeng; de eene is te oud en te
leelijk, en den andere heb ik evenmin lief, als ik trouw zal het
met een man zijn krachtig en jong zooals gij!”
„Maar die geen bruine kleur heeft zooals ik!” sprak hij met
verbeten woede, „een blank man en geen slaaf, maar wat hebt gij
zelf mij geleerd, Suzanna, dat uw God geen verschil maakt tusschen
blank en bruin, dat meester en slaaf in zijn oogen dezelfde zijn en
dat Hij ze allen als zijn kinderen liefheeft.”
„En ik ging voort,—want ik had hem lief Robert, in weerwil van zijn
bruine kleur, in weerwil van zijn slavernij—hem een moed te geven,
dien hij anders nooit zou hebben bezeten.
„Dat heb ik gezegd, broeder! en ik herhaal ’t nog eens. De God der
Christenen kent geen verschil tusschen de huidskleur der menschen,
Hij ziet slechts naar hun harten.”
„En zijn volgelingen doen toch niet als Hij, voor hen is de bruine
man niets dan een slaaf.”
„Drukken u de slavenketenen?” vraag ik.
„Neen, maar toch ik voel ze en op een wenk des meesters kunnen zij
mij weer kwellen. Als het waar is, wat ge mij daar zegt, dochter
mijns meesters, dan zal ik gaarne uw God aanbidden en Hij zal mij
vergunnen u tot vrouw te nemen. Uw vader zou mij erkennen als zijn
zoon, want ik heb u liever dan het licht mijner oogen, liever dan
de zon, die ons bestraalt, liever dan de herinnering aan mijn
vorstelijke ouders.”
„Want Si Oentoeng was van edelen bloede, Robert; hij was zijn
ouders ontroofd en als slaaf naar Batavia weggevoerd.
„Maar ik mag niet aan u denken nonna Suzanna evenmin als die worm
aan uw voeten denken mag aan de ster die ’s avonds hoog in den
hemel schittert; dit alleen zweer ik u op den dag dat gij met een
blanke trouwt, hebt gij mij voor het laatst gezien!”
„Maar ik zal met geen blanke ooit huwen, Si Oentoeng. Ik zie naar
geen gelaatskleur; slechts naar het hart der menschen wil ik vragen
en ik ken uw hart, mijn broeder! Het klopt slechts van liefde voor
mij.”
Hij viel voor mijn voeten neer en bedekte ze met kussen.
„Wat zou uw vader zeggen, zoo hij dit hoorde!” zoo sprak hij.
„Vergeet wat we zeiden, nonna Suzanna, wees gelukkig met den man,
dien uw vader voor u koos en vergeet Si Oentoeng den slaaf, wiens
naam gij nooit meer zult uitspreken en dien gij spoedig vergeten
moet.”
„Nooit mijn vriend, nooit! Mijn vader denkt als ik, hij weet immers
ook dat voor onzen God alle menschen broeders en zusters zijn, daar
Hij hun aller vader is. Hij heeft u lief en overlaadt u met
gunstbewijzen, welnu ik zal hem zeggen dat gij de eenige man zijt,
dien ik als mijn echtgenoot verlang.”
„Neen Suzanna! Hij heeft me lief ja, als zijn slaaf, maar nimmer
zal hij mij als zijn zoon erkennen.”
„Welnu, als ge het reeds zijt dan zal hij geen bezwaren maken; hij
is nu op reis, wat belet ons dan te huwen voor zijn tehuiskomst?”
„Ge ziet zelf Robert, ik was een onervaren kind, niets meer, ik zag
den omvang niet in van zulk een ernstige daad als het huwelijk; ik
meende dat mijn vader, die Si Oentoeng boven al zijn slaven stelde,
er ook geen bezwaar in zou zien hem vrij te maken zoodra hij mijn
echtgenoot was.
„Wit ge mijn echtgenoot worden?” vroeg ik vol kinderlijke
blijdschap, „laten wij ons dan haasten, doch waar zal het huwelijk
dan voltrokken worden? Gij zijt nog geen Christen, dus in mijn kerk
zal men het niet willen sluiten, weet gij er geen middel op?”
„Zoo wakkerde ik door mijn onnoozele kindertaal den hartstocht van
den jongen man aan tot felle vlammen; eerst later begreep ik hoe
vurig zijn liefde tot mij was en hoe alle eerbied, dien hij voor de
dochter zijns meesters koesterde, deze nauwelijks kon intoomen. En
nu gaf ik hem verlof aan dien hartstocht toe te geven, ik zette hem
zelfs aan tot een verbintenis.
„Welnu,” sprak hij, „wilt ge mijn vrouw worden volgens mijn
godsdienst, in afwachting dat ik uw echtgenoot zal zijn voor uw
God?”
„En ik stemde toe, ik nam mijn Bijbel mede en in tegenwoordigheid
van een ouden slaaf, die Si Oentoeng liefhad, als ware hij zijn
eigen zoon, zwoer ik hem eeuwige liefde en trouw terwijl mijn vader
afwezig was.
„Laat mij kort zijn over hetgeen nu volgde, Robert. Onze liefde
groeide bij den dag aan en kon weldra geen geheim meer blijven;
mijn vader hoorde alles en ik bekende hem wat ik gedaan had in de
vaste overtuiging dat er niets verkeerds in lag.
„Zijn toorn echter leerde het mij anders; vreeselijk was de
uitbarsting, die mij als verpletterde. Si Oentoeng werd gevangen
genomen, gegeeseld en ter dood veroordeeld; ik moest onmiddellijk
vertrekken; slechts een verwarde herinnering leeft in mij van
hetgeen er na dien tijd gebeurde; gij werdt geboren en toen vernam
ik kort daarna dat uw vader uit de gevangenis gevlucht thans als
rooverhoofdman de omstreken van Batavia onveilig maakte, nog later
vernam ik, dat hij dieper in het land was gedrongen.
„Lang bleef ik zwak en ziekelijk, maar mijn vader vergaf mij niet;
ik werd van mijn kind gescheiden, en toen ik eindelijk op Batavia
terugkeerde, doorleefde ik er een lot erger dan dat mijner
slavinnen. Nooit mocht ik den drempel van ons huis overschrijden,
nooit sprak mijn vader een vriendelijk woord tot mij, nooit vernam
ik iets meer van Si Oentoeng.
„Eens alleen verklaarde mijn vader mij op barschen toon dat het
zijn wil was dat ik zou trouwen; ik weigerde beslist en verklaarde
dat ik getrouwd was en dus zonder zonde niet ten tweede male mocht
huwen.
„Hij sloot mij op om mij tot een toestemmend antwoord te dwingen;
ik bleef weigeren, toen hij mij beval een keuze te doen uit eenige
mannen van minder rang, maar toch van onbesproken gedrag, die
gaarne om mijn vaders voorspraak, wat zij mijn schande noemden over
het hoofd wilden zien. Zelfs Herman de Wilde bood mij opnieuw zijn
hand aan.
„Ik wilde echter noch door bedreigingen noch voor gebeden zwichten;
ik beschouwde mij als Si Oentoengs echtgenoot, wanneer ik een ander
huwde zou ik erkennen slechts zijn minnares geweest te zijn en dat
wilde ik tot geen prijs, om hem dien ik nog steeds boven alles
liefhad, om mijzelf, die ik altijd wilde blijven achten en ook om u
mijn kind, niet in mijn eigen oogen tot bastaard te verlagen. Ter
goeder trouw had ik mij vóór God aan uw vader verbonden, geen macht
ter wereld zou mij aan hem ontrouw doen worden; ik dreigde zelfs
voor den kansel de hand te weigeren van hem dien mijn vader mij als
echtgenoot wilde opdringen en zóó bleef ik eindelijk van verdere
aanzoeken vrij.
„Mijn gezondheid heeft echter onder dit treurige leven, bij dat
hevige zielelijden bitter geleden; ik verzwakte zichtbaar, heftig
verlangen naar man en kind verteerde mijn ziel. Ik hoorde dat Si
Oentoeng zich aan de Compagnie had onderworpen, dat hij nu zelfs
den luitenantsrang had verworven en ik ontving een boodschap, die
mij van zijn trouw en liefde verzekerde en de hoop schonk dat hij
weldra zou terugkomen om mij openlijk als vrouw te erkennen.
„Helaas! ook mijn vader scheen het vernomen te hebben, plotseling
gaf hij bevel mij reisvaardig te maken daar hij besloten had mij
naar Europa te zenden; noch bidden, noch smeeken, noch tranen
konden hem vermurwen, ik werd ingescheept en zonder afscheid liet
mijn al te strenge vader mij vertrekken.
„Een troost was mij echter geschonken; mijn lief kind bevindt zich
ook op het schip en werd aan mijn liefde terug gegeven, maar mijn
gezondheid is slechter dan ooit, hoewel ik trouwe vrienden aan
boord heb gevonden in mijn reisgenooten, den edelen Heer van Reijn
en zijn goede, lieve vrouw die mij met de teederheid eener moeder
verzorgt, en die mij nu ook eerst deed inzien hoe zwaar ik
zondigde. Zij hebben u vooral zoo lief.... ach mijn hand wordt hoe
langer, hoe zwakker, alle dagen voegde ik hier eenige regels bij,
wanneer zullen het de laatste zijn?
„Ge zult wel nooit weer uw vader terugzien, mijn kind, hier zijn
nog eenige herinneringen aan hem, de zilveren penning waarvan hij
de eene helft steeds op zijn borst droeg, sints zijn vroegste
jeugd, die ring waardoor ik meende zijn vrouw te worden, een lok
haar achter mijn portret.
„Wie zal voor u zorgen mijn arm weesje, ach ik ga sterven en ik ben
nog geen twintig jaar oud! O, hoe bitter heb ik mijn
onbedachtzaamheid moeten boeten, moge mijn vader in den Hemel
barmhartiger voor mij zijn dan mijn aardsche vader het was.
„Vaarwel mijn inniggeliefd kind, ik bid dat gij nooit zoo oud moogt
worden om deze droevige geschiedenis te kunnen lezen van de dwaling
en het lijden uwer moeder
„Suzanna.”
En onder dezen brief had de krachtige, vaste hand van mevrouw van Reijn
het volgende geschreven.
„Den 18den van Oogstmaand Ao Di 1685 is gestorven op de hoogte van
Sint Helena: Suzanna Moor, moeder van onzen kleinen Robert en,
hebben wij denzelve, in het vaderland teruggekeerd, als ons kind
aan familie en vrienden voorgesteld ons voorstellende genoemden
Robert ter gelegener tijd als ons kind te adopteeren en onzen naam
te schenken, zijnde zijn grootvader de Edele Heer Moor, Lid van den
Raad van Indië, den 14den van Slachtmaand des zelfden jaars op
Batavia overleden en zal deze brief aan meergenoemden Robert worden
overgereikt als hij zijn 21ste jaar bereikt heeft, wenschende dat
hij tot dien datum zich zelf steeds als ons eigen kind zal
beschouwen.
„Geschreven tot Amsterdam in den jare onzes Heeren 1686.
„Machteld van Reijn.”
Werktuigelijk stond Robert op; hij schikte de papieren, het portret,
den ring en den penning bij elkander, om ze in zijn borstzak te steken,
keerde zich naar de deur, die hij met vaste hand ontsloot en begaf zich
door den langen, aan weerszijden met pleisterwerk versierden gang naar
de statiekamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond; hij trad
binnen, het was er donker, slechts eenige kaarsen op hooge kandelaren
wierpen een flikkerend licht over de muren, die bedekt waren door
kostbare schilderijen, waarvan de overledene altijd een ijverig
verzamelaar was geweest. Hobbema’s, Ruijsdaels, Halsen, Dou’s, zelfs
een van Dijck en een Rembrandt bevonden zich in de verzameling; boven
de deuren had Jacob de Witt een van zijn beroemde grijsjes geschilderd.
Spookachtig kwamen de matte kleuren nu in het dansende kaarslicht uit;
de Rembrandt alleen scheen gloeiende stralen af te werpen op de baar
van hem, die dit alles had bijeengegaard en die nu roerloos te midden
zijner kunstschatten neerlag.
Robert trad binnen, zijn voetstappen stierven weg in het dikke tapijt;
niemand hield de wacht bij het stoffelijk overschot van hem, die
eenmaal Jacob van Reijn heette; met over elkander geslagen armen zag
hij neer op dat vermagerde gelaat, waar thans de majesteit des doods
over zweefde, op die oogen, waarin hij nooit anders dan vaderliefde
meende gelezen te hebben, op die lippen, welke hem, den vreemde,
slechts woorden van goedheid en hartelijkheid hadden toegevoegd en die
helaas! niets hadden gedaan om de leugen van zijn bestaan te doen
ophouden. Lang bleef hij onbewegelijk staren op die gestalte, welke hem
thans zoo geheel vreemd was geworden, op die handen, welke te elfder
ure het geheim van een geheel leven hadden doen ontglippen, op dat
voorhoofd waarachter hij nooit zulk een liefdevol bedrog had kunnen
vermoeden; veel was hem nog duister, slechts een ding zag hij in
helder, duidelijk licht.
Zijn plaats was niet meer hier, zijn leven was verwoest, zijn zoetste
hoop vervlogen, zijn eerbied verminderd, zijn liefde vernield; maar hij
raadde dit alles nog meer dan hij het voelde.
„Vaarwel, vader!” mompelde hij en drukte zijn lippen op het kille
voorhoofd, „voor ’t laatst noem ik u zoo, maar dan ook niet meer, zelfs
in mijn gedachten. Vaarwel! Alles is weg, toekomst en verleden! De
grond brandt mij onder de voeten. Ik moet heen.”
Een langen blik wierp hij op de massieve eikenhouten meubelen, op de
schatten uit Oost en West, van eigen en vreemde kunst hier verzameld,
welke hij gisteren nog als zijn eigendommen beschouwde en vlijmende
smart doorsneed zijn ziel. ’t Was hard dat alles te verliezen, maar het
liefste wat hij verliet, dat was het lijk van den man, dien hij sints
gisteren tweemaal verloren had, den laatsten keer op de meest
onherstelbare wijze want nu had hij geen vader meer noch op aarde, noch
in het heiligdom van zijn herinneringen.
Somber met neergeslagen oogen keerde hij zich af, en opende de deur;
een bediende bood hem op een zilveren schotel een briefje aan, zijn
houding toonde genoeg, hoe hij in den jongen man nog altijd zijn
meester eerde. Onverschillig nam Robert het briefje aan, hij herkende
Digna’s sierlijk handschrift.
„Breng het terug!” zeide hij toonloos, „aan de juffrouw van
Starenwijck.”
Verbaasd zag de bediende hem aan.
„Zou mijnheer niet wat gaan rusten?”
Hij schudde het hoofd en trad in de naaste kamer om de lastige
belangstelling van den knecht te ontkomen; maar hij week snel terug;
zijn neef Hendrik de zoon van oom Gerard stond voor hem.
„Och,” sprak de jonge man met zijn teemende fijne stem die Robert reeds
sints jaren sarrend in de ooren had geklonken. „Zijt ge eindelijk
beneden, Robert? Ik heb hier den nacht doorgebracht, vader zei ik mocht
u niet alleen laten. Ge weet nu alles wat mijn oom zoo geheim hield?
Ach wie had dat kunnen denken? Ik heb zoo met u te doen, waarlijk!
Gisteren nog een rijke erfgenaam, de hartedief van het mooiste en
rijkste meisje van Amsterdam en van daag niets dan een arme bastaard!”
Het woord was zijn lippen nog niet geheel voorbij of hij viel duizelend
achterover; een heftige vuistslag had hem neus en kaken bijna
verbrijzeld, het bloed sprong uit oogen en mond, hij sloeg tegen de
tafel en zakte toen loodzwaar in één.
Robert zag hem aan met oogen, waaruit strijd- en moordlust met den
wilden aard zijns vaders lichtte, zijn gebalde vuisten hieven zich op,
als wilde hij zijn gevallen beleediger nog den genadeslag toebrengen;
maar verachtelijk keerde hij zich plotseling om, liep in den gang
terug, wierp de huisdeur open en verdween weldra op de stille in dit
vroege morgenuur nog geheel verlaten gracht.
VIERDE GEDEELTE.
I.
DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.
Batavia!
De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de
zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier
zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van
allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en
van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle
windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden
aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen
van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een
frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen
was.
Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die
in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld,
door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs
naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de
hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke
van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele
Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.