jaren overgaan, hij was lichtzinnig, onbedachtzaam, al te vatbaar voor
allerlei indrukken zoo kwade als goede, maar hij had een goed, gevoelig
hart, hij was vooral niet slechter dan hij zich voordeed; wanneer hij
onder flinke leiding kwam zou hij zich stellig tot een ernstig en
degelijk man ontwikkelen.
Zijn vader had hem op het kantoor van zijn broeder, een aanzienlijk
koopman, geplaatst; hij hoopte hem lust te doen krijgen in het vak dat
ook het zijne was geweest, maar deze hoop bleek langen tijd ijdel.
Robert kon het maar niet vinden noch met zijn oom, noch met het
kantoor; de oom had geen bijzonder zwak voor zijn neef, wien hij in de
eerste plaats zijn bestaan niet vergeven kon want zelf was hij met een
achttal kinderen gezegend en het uitzicht op oom’s aanzienlijke erfenis
was te aanlokkelijk geweest dan dat hij het verlies daarvan niet nog
dagelijks zou betreuren.
Daarenboven konden de cijfers Robert volstrekt niet bekoren; hij
koesterde de grootste verachting voor dukaat en rijksdaalder; had hij
ze in zijn zak dan wist hij niet hoe zich zoo spoedig mogelijk van deze
onaangename tegenwoordigheid te bevrijden. Oom daarentegen deelde met
meer dan driekwart Amsterdam de groote vereering voor beide machtige
afgoden; Robert hield van de vrije lucht en haatte de benauwde
atmosfeer van de kantoren. Zoo gebeurde het dikwijls dat de knaap er
den geheelen dag niet verscheen, om in de duinen te jagen of op het
Haarlemmermeer te visschen. Dat gaf klachten aan den vader, deze
zuchtte en onderhield Robert ernstig, maar lang boos kon hij niet zijn
op den jongen, die hem liefkoozend vergiffenis vroeg en beterschap
beloofde, een beterschap, die spoedig voor nieuwe vergrijpen plaats
maakte. Een jaar geleden was echter alles anders geworden, toen was
Robert’s hart plotseling—om de taal te gebruiken van de toenmalige
dichters of rijmelaars—gewond geworden door Amor’s scherpste pijlen.
Op een speelavondje zag hij plotseling uit geheel andere oogen de
stiefdochter van den Heer van Starenwijck, Digna Tak aan. Haar moeder
was de weduwe geweest van den in Karta-Soera in 1686 vermoorden
Commissaris; met haar eenjarig dochtertje was zij naar Holland
teruggekeerd en had daar een tweede huwelijk gesloten met den Heer van
Starenwijck, zwager van Walter’s oom. Als kinderen hadden Robert en
Digna veel met elkander gespeeld en hevig getwist, ten minste het
zachte, lieve meisje had het soms hard te verantwoorden gehad van den
wilden jongen en nu plotseling, zij wisten niet hoe, was alles anders
geworden. Digna en Robert kregen elkander lief elk op zijn wijze, maar
toch zoo innig en hartstochtelijk zelfs, als beiden het maar
vermochten. Van dat oogenblik konden zij hun toekomst niet meer droomen
dan onafscheidelijk van elkander. Op Robert oefende Digna echter den
besten invloed uit, wat noch de liefderijke vermaningen, noch de bitse
opmerkingen van zijn oom konden uitwerken, dat gelukte aan Digna’s
vriendelijken, soms verwijtenden oogopslag, aan haar bedroefden of
opwekkenden glimlach.
Voor haar sloeg Robert berouwhebbend de oogen neer als hij weer een
dwaasheid had begaan; om door haar geprezen te worden, zou hij dagen
lang ingespannen zitten werken op het gehate kantoor; om haar
goedkeurenden blik hield hij het scherpe woord terug dat hem op de
lippen steeg tegenover den strengen oom, of de neuswijze neven; hij
verliet het gezelschap zijner lichtzinnige vrienden, bezocht geen
taverne meer, waar hij in den voorlaatsten tijd maar een al te drukke
gast was geweest, ging slechts uit jagen en visschen als vader en oom
het goedvonden.
Nu en dan kwam de oude mensch weer op, maar een zacht verwijt van Digna
was voldoende om hem zijn ongelijk te doen inzien. Met leede oogen
zagen zoowel zijn oom Gerard van Reijn en Digna’s stiefvader de
verhouding tusschen beide jongelieden. Om een gunst te verkrijgen van
zijn vriend den Raad van Justitie Voorneman, die zich in Indië bevond,
had eenige jaren geleden de stiefvader hem de hand toegezegd van de
toen nog pas twaalfjarige Digna, weldra zou de Raad van Justitie tot
herstel zijner gezondheid in Europa terugkomen om de beloofde bruid op
te eischen. Digna, hoe zacht en vriendelijk zij ook scheen, was er
echter het meisje niet naar om zich tot een huwelijk te laten dwingen
terwijl haar hart geheel vervuld was door liefde tot een anderen man.
Gelukkig vond zij in haar verstandige moeder een sterken steun. Mevrouw
van Starenwijck mocht Robert gaarne lijden en voor alles haar dochter
had hem lief; de illusiën welke zij tijdens haar korte vereeniging met
François Tak had gekoesterd over het huwelijksleven waren bij haar
tweede echt lang niet in vervulling gekomen en nu wilde zij tot elken
prijs haar lievelingskind het zeldzame maar daarom niet genoeg te
waardeeren voorrecht schenken van een gelukkig huwelijk met den man
harer vrije keuze.
Wat den ouden Heer van Reijn betreft, hij verheugde er zich over dat er
zoo weinig klachten meer inkwamen over Robert, hij liet den knaap de
meest mogelijke vrijheid; dat hij deze vrijheid niet misbruikte stemde
hem tevreden en dankbaar.
Overigens bekommerde hij zich weinig over Robert’s en Digna’s liefde;
juist toen deze ontstond was hij voor ’t eerst van zijn leven een
weinig ongesteld geweest; de ziekte was spoedig geweken, maar Jacob van
Reijn werd nooit meer geheel de oude, hij zag tegen elke moeilijkheid
en elke kleinigheid op. In zijn zucht om steeds welvarender te schijnen
dan hij werkelijk was, wilde hij volstrekt niet het aanzien hebben of
hij voor de eene of andere gebeurlijkheid maatregelen trof; hij
handelde meer dan ooit of hij nog jaren te leven had, stelde alles uit
tot onbepaalden tijd en werd zelfs ernstig kwaad toen Robert hem eens
op eerbiedigen toon verzocht zijn toekomst te regelen, daar hij aan de
mogelijkheid van trouwen dacht.
„Waartoe dient zulk een haast,” zoo stoof de anders zoo bezadigde en
verstandige man op. „Hebt gij het niet goed bij mij? Laat ik het u aan
iets ontbreken? Behandel ik u niet of gij werkelijk.....”
Hij bleef plotseling steken en ging op kalmen toon voort:
„Laat ons daarover morgen spreken, Robert, of overmorgen! We hebben
immers nog den tijd; ik ben zoo gezond als ooit te voren, als men u
hoorde zou men denken dat ik in gevaar was van sterven.”
„O foei vader!” riep Robert verontwaardigd uit en er werd over de zaak
niet meer gesproken; de oude heer trachtte ieder wijs te maken dat hij
gezonder en sterker was dan vroeger, maar hij verzwakte zichtbaar, het
uitgaan bekwam hem slecht, uren lang bleef hij zitten ingedommeld in
zijn hoogen stoel en Robert durfde het onderwerp niet meer aanroeren.
Eenige weken later had het feest in Amstelvreugd plaats; Robert, die
twee dagen te voren weer een dwaasheid had begaan en met eenige
vrienden tot laat in den nacht had gezwierd, minder gunstig bekende
taveernen bezocht, bood vrijwillig aan t’huis te blijven, maar de oude
man wilde hiervan niets weten.
Gelukkig was hem Robert’s laatste misslag onbekend gebleven, en dit
spoorde den jongen man nog meer aan daarvoor op de een of andere wijze
te boeten, hoeveel ’t hem ook kostte een dag in Digna’s bijzijn
doorgebracht op te offeren.
„Ga gerust, ik ben zeer wel. Ik zal ’t u kwalijk nemen als gij niet
gaat. Oom vindt het immers goed.”
Robert was gegaan, Digna hield zich eerst koel en stug tegenover hem,
dit bracht hem bijna tot wanhoop, eerst in het beukenboschje had hij
haar vergiffenis verkregen en beterschap beloofd. Nu pas zou de dag
voor hem in volle vreugde beginnen toen de boodschap vol angst en
schrik hem zoo meedoogenloos aan al dat geluk ontrukte.
Op dit oogenblik berouwde het Robert meer dan ooit zijn goeden vader
niet te hebben bijgestaan in zijn laatste oogenblikken; de dood was
plotseling en onverwacht gekomen. Zijn trouwe dienaar was in de
boekenkamer binnengekomen met zijn dagelijksch sober middagmaal en vond
zijn meester op zijn gewonen stoel zitten voor deze schrijftafel, zijn
hoofd was neergevallen op een brief, dien hij juist begonnen had te
schrijven, zijn rechterarm, waaraan de pen ontsnapt was, hing slap
langs zijn lichaam.
Onmiddellijk had men hem naar bed gebracht en zijn broer laten komen
terwijl een knecht te paard naar Amstelvreugd was gereden, om Robert te
waarschuwen; ook de geneesheer was gehaald en deze verklaarde dat de
pols nog zeer flauw sloeg; na een uur was ook dit opgehouden en Robert
mocht slechts het ziellooze overschot zijns vaders aanschouwen.
Zijn oom was reeds vertrokken met de belofte spoedig terug te keeren om
alle zaken te regelen en zoo had Robert zich voor een paar uur
ongestoord aan zijn diepe smart kunnen overgeven, te dieper daar zij
zoo onverwacht en in zulke omstandigheden hem trof.
„Belieft u niets mijnheer!” vroeg de oude kamerdienaar die reeds
onmiddellijk Robert behandelde met allen eerbied en alle
onderscheiding, die aan het tegenwoordig hoofd des huizes toekwam.
„Dank u, Johan, dank u!”
„Een beker wijn zal u goed doen jonge... mijnheer bedoel ik. UEd. weet,
wat er geschreven staat: „Geef den treurenden wijn!” Onze goede meester
is nu daar, waar hij het loon ontvangt voor zijn deugdzaam leven, want
beter meester dan hij bestond er niet jongeheer!”
„Ik weet het genoeg Johan! Ik weet het, en het zal voortaan ook mijn
eenig streven zijn mijn goeden vader voor zoover ik kan in alles tot
voorbeeld te nemen.”
„Daar ben ik niet bang voor, jongeheer! ’t Is waar u gelijkt niets op
mijnheer van Reijn, zelfs niet toen deze jong was, maar wij allen
houden veel van u, meer dan van heer Gerard; als de wilde haren er eens
afvliegen, dat heb ik zoo dikwijls tot mijn goeden heer zaliger gezegd,
zal u zien dat jongeheer Robert nog een heel ander man zal worden dan
die gluiperige jongens—vergeef mij dat ik het zoo ronduit zeg, wat mij
voor den mond komt—van mijnheer uw oom.”
„Ik hoop u niet teleur te stellen, Johan,” antwoordde Robert ootmoedig,
„maar ’t is zulk een groote last, die op mij valt, dit ruime huis en
het aanzienlijke vermogen mijns vaders, de stand dien hij ophield en
dien ik voortzetten moet. O, ik schrik er van terug als voor een zwaren
last; en mijn vader heeft geen beslissingen genomen, schonk mij geen
leiddraad waaraan ik mij houden kon tot vervulling zijner wenschen.
Weet gij er niets van, Johan?”
„Helaas! neen mijnheer! Het wordt met Kerstmis 36 jaar dat ik bij mijn
Heer en Mevrouw van Reijn gediend heb; ’t is waar zes jaar moet ik er
afrekenen, toen mijn meester naar de Oost-Indiën vaarden, waar de goede
God hen een zoontje schonk. En mijnheer deed om zoo te zeggen niets
zonder er mij over te spreken, als hij met zijn broer of den notaris
gesproken had zou ik het moeten weten, maar u weet hoe hij in den
laatsten tijd was.”
„Ach ja! hij was zichzelf niet meer en dat maakt mij des te bedroefder,
had hij mij maar een regeltje schrift nagelaten. Wist ik maar wat hij
van mij wenschte, wat hij verlangde dat ik met zijn geld doen moest. O
Johan ik vind het zoo moeilijk en gevaarlijk rijk te zijn. Ik duizel er
van!”
Een schaduw van een glimlach verscheen op het gerimpelde gelaat van den
ouden, trouwen knecht.
„Een ander zal u spoedig leeren een goed gebruik te maken van uw geld;
wanneer wij hier weer een lieve meesteres krijgen dan zal u niet meer
bang wezen voor uw fortuin.”
Ook Robert’s gelaat klaarde op.
„Ware ik maar zoover Johan! Mijn goede, lieve beschermengel, Goddank
dat ik haar ten minste behouden mocht, mijn Digna! Ik zal haar
schrijven, hoe treurig ik ben.”
„En mag ik u dan een beker wijn brengen?”
„Ja, ’t is goed!”
En met de bewegelijkheid aan zijn geest eigen vergat Robert voor een
poos zijn smart en zocht in de verwarring, die op de schrijftafel
heerschte, het noodige om aan zijn brief te kunnen beginnen.
„Johan,” vroeg hij toen deze den wijn binnenbracht, „mijn vader was
bezig te schrijven, weet ge ook waar het papier gebleven is dat zijn
laatste letters bevat? Het zal wel niet veel belangrijks zijn, maar
toch zal ik het bewaren als een dierbaar aandenken.”
„Het moet daar nog liggen, u begrijpt in die verwarring. Ziet u niets,
misschien heeft mijnheer uw oom het meegenomen, want hij is nog in deze
kamer geweest nadat... nadat alles afgeloopen was.”
„Hij zal er toch niet aan hechten; ik zal ’t hem terugvragen. Mij komt
dit stuk toch in de eerste plaats toe.”
Robert trok eenige laden open, denkende dat zijn oom het stukje papier
daarin had bewaard, plotseling werd zijn aandacht getrokken door een
verzegelden brief, die het opschrift droeg:
Aan Robert.
Te openen als hij 21 jaar oud is.
„Goddank! daar is nog een woord uit het graf,” riep hij snikkend uit en
drukte het dierbare schrift aan zijn lippen, „mijn vader is niet geheel
dood. Ik zal nu weten wat hij van mij verlangt, wat ik doen of laten
moet. Toen ge leefdet beste vader heb ik maar al te dikwijls uw
raadgevingen versmaad, deze echter, ik zweer het u, zal ik trouwer
nakomen. Was ik toch reeds 21 jaar; over drie maanden zal ik het eerst
zijn. Hoe lang nog!”
III.
OOM EN NEEF.
Juist was Robert begonnen aan zijn brief voor Digna toen de deur naast
den hoogen eikenhouten schoorsteenmantel geopend werd, en een heer in
deftig zwart gewaad binnentrad.
Snel keerde Robert bij het gerucht dat de binnentredende maakte het
hoofd om en herkende zijn oom Gerard; op dit oogenblik vervulde het
bewustzijn van het verlies door hem zoo pas geleden zijn ziel met
nieuwe smart; alle grieven die hij tegen zijn strengen oom hebben mocht
waren vergeten en luid snikkend met uitgestrekte armen snelde hij hem
te gemoet als voelde hij behoefte aan de borst van zijn eenigen
bloedverwant troost en steun te zoeken.
„Ach oom, wie had het kunnen denken!” riep hij uit, maar heer Gerard
van Reijn weerde met beide handen den onstuimigen knaap van zich af.
„Bedaar, Robert, bedaar!” sprak hij kalm en afgemeten, „ik kwam hier om
een ernstig woord met u te spreken!”
Als van den bliksem getroffen bleef Robert op zijn plaats; half
wezenloos staarde hij zijn oom aan, die eenige stappen nader kwam, en
toen zeer langzaam op den hoogen stoel ging zitten, waarin Robert zijn
vader het laatst had gezien. Nog altijd bleef de jonge man onbewegelijk
staan; hij wist niet wat te denken van de plechtstatige houding van
zijn oom; al had deze hem nooit aan hevige gemoedsbewegingen en
levendige uitingen van vreugde en smart gewend, zoo kwamen hem toch in
zulk een droevig oogenblik zijn manieren ten hoogste vreemd en
raadselachtig voor.
„Ga daar zitten! Robert!” zoo sprak hij altijd even koel en stijf.
Robert gehoorzaamde en wischte zich de tranen, die telkens uit zijn
oogen rolden van de wangen.
Heer Gerard schikte zijn kleeren netjes op zijde, opdat het fluweel
geen kans zou loopen te pletten en haalde toen een lederen brieventasch
uit zijn borstzak; al zijn bewegingen werden met tergende langzaamheid
uitgevoerd; ’t scheen dat hij geheel vergeten had, dat er nog iemand
voor hem zat, die moeite had zijn angstig ongeduld te onderdrukken.
Eindelijk had hij tusschen zijn brieven een toegevouwen papier gevonden
dat hij voor zich op de tafel legde; de brieventasch werd intusschen
gesloten en weer weggeborgen, hij knikte een paar malen en toen den
blik vast op zijn neef vestigend, de hand op het papier gedrukt, begon
hij op stroeven toon:
„Ja, het is een zeer onverwachte gebeurtenis geweest, dat al te
plotselinge overlijden mijns broeders. De Heer van leven en dood heeft
goedgevonden in Zijn ondoorgrondelijke raadsbesluiten Hem onvoorbereid
voor Zijn rechterstoel te roepen. Moge een genadig lot hem van alle
eeuwigheid zijn voorbeschikt.”
Robert huiverde, bedekte zich het gelaat met beide handen en begon
opnieuw luid te snikken.
„Laat dat geschrei, jongmensch!” sprak de oom nog strenger dan
daareven, „die tranen passen geen man en nu is het meer dan ooit tijd
om de zwakheden der jonkheid af te leggen en u te omgorden met
mannenkracht. Tot nu toe zijt ge niets geweest dan een verwende,
onbezonnen knaap die mijn broeder zeer veel verdriet heeft veroorzaakt,
door zijn lichtzinnige onbesuisdheid en die vertrouwend op den rijkdom
van zijn... zijn beschermer zich de gelegenheid niet wist ten nutte te
maken om nuttige kundigheden op te doen; uw leeglooperij, uw afkeer van
elk ernstig werk, uw zucht tot vermaken waren mijn broeder steeds een
scherpe doorn in het oog.”
Robert schreide nog harder tranen van berouw op de scherpe verwijtingen
van zijn oom, die onbarmhartig altijd op denzelfden koelen, strengen
toon voortging. Hij kon niet tot bedaren komen en moest tegen den muur
steunen.
„Nu is uw hart vermorzeld van rouw en smart; ik hoop dat het geen
onvruchtbare tranen mogen zijn, maar dat zij uw ziel zullen opwekken
tot een nieuw en beter leven.”
„Och oom, kan u daaraan twijfelen! O mocht het mijn lieven goeden Vader
vergund zijn op mij neer te zien om te aanschouwen hoe ik voortaan een
ander mensch zal zijn en een goed gebruik van mijn aardsche
schatten...”
„Stil jong mensch! Ik heb nog meer met u te spreken. Hoever was ik met
mijn rede ook gekomen? O ja, met leede oogen heb ik altijd de
toegevendheid mijns broeders uwaarts aangezien, te meer daar mijn vrouw
en ik steeds een flauw vermoeden hebben gekoesterd van hetgeen thans
zekerheid voor ons geworden is.
„Mijn broeder zaliger had een goed, al te goed hart; maar van de dooden
wil ik geen kwaad zeggen; het zal den Heere ongetwijfeld niet
welgevallig zijn geweest dat hij zijn eigen bloed verloochende ten
wille van een vreemde.”
Robert liet de handen van zijn gelaat vallen en zag nog altijd bitter
snikkend zijn oom vragend aan.
„Een vreemde, ik begrijp u niet, oom!” stamelde hij.
„Noem mij geen oom meer, want ik sta tot u niet in de minste bloed- of
aanverwantschap evenmin als mijn broeder zaliger, in wien gij ten
onrechte uw vader hebt gezien.”
Het scheen dat Robert’s betraande oogen plotseling droog brandden door
het vuur, dat uit hen stroomde; hij snakte naar adem, sprong op als een
gewonde leeuw en stortte zich op zijn oom.
„Zeg dat nog eens!” siste hij, „zeg dat nog eens en ik zal u uitmaken
voor een lagen leugenaar! Ik geen zoon van mijn vader? Ja, ge zoudt
niets liever willen, oude vrek, dan mij berooven van het wettige
erfdeel mijns vaders, doch ontkennen dat ik zijn zoon ben, dat kunt,
dat moogt ge niet. Hoe zult ge het bewijzen?”
Robert hield met zijn ijzeren vingers de dunne polsen van den koopman
als in een schroef omklemd.
„Laat me los! wilde knaap!” sprak heer Gerard van Reijn nog altijd even
bedaard, „en ik zal u het bewijs geven, dat mijn broeder als het ware
nog van gene zijde des grafs mij zond, door een beschikking der alwijze
Voorzienigheid, die niet dulden kon dat het bedrog langer zou
voortduren! Zijn hand verstijfde onmiddellijk voorgoed nadat zij de
onschatbare mededeeling neerschreef, die aan het onrecht een einde
moest maken.”
„’t Bewijs, ’t bewijs! ellendige femelaar!” riep Robert met schorre
stem en drukte zijn oom zoo vast tegen het leer van den stoel dat deze
van pijn en misschien ook van angst begon te kreunen.
„Laat me los!” kermde hij, „en ik zal het bewijs geven. Hier ligt het
voor u, in het eigen schrift uws vad... mijns broeders!”
Robert liet de handen los van den koopman en viel als een wilde gier op
haar buit neer op het toegevouwen stuk papier; zijn vingers trilden,
zijn hart bonsde hoorbaar, zijn oogen waren verduisterd en de letters
dansten voor hem in wilden dans; met moeite gelukte het hem de enkele
regels te ontcijferen in het welbekende hoewel thans zoo bevende
schrift zijns vaders.
„Geliefde Robert!” zoo las hij eindelijk, „ik mag het niet langer
uitstellen u een mededeeling te doen, die sinds lang op mijn lippen
zweefde. Gij zijt mijn zoon niet, hoewel....”
De dood had hem belet den volzin te eindigen.
Robert staarde op de letters, las en herlas die woorden welke zulk een
ontzettende verandering brachten in zijn leven zonder ze te begrijpen,
zijn hoofd duizelde, hij greep het met zijn eene hand vast; voor hem
gaapte een afgrond, die hem en zijn toekomst dreigde te verzwelgen.
„’t Is niet waar!” bracht hij met moeite uit, „de naderende dood
verwarde mijns vaders gedachten, hij wist niet wat hij schreef. Ik ben
toch zijn zoon!”
„Bewijs wat ge zegt! Ge begrijpt toch dat zonder zulk een doorslaand
bewijs ik u niet zal erkennen als zoon en erfgenaam mijns broeders.”
„De erfenis kunt ge houden, maar mijn vader en mijn naam zult ge mij
niet ontrooven.”
„Er valt niets te rooven daar waar geen eigendom is. Een ding is zeker,
die regels door een reeds stervende hand geschreven liegen niet. Het
heeft den Heere behaagd ze in mijn handen te laten vallen opdat het
erfdeel mijner onschuldige kinderen niet op wederrechtelijke wijze zou
verkort worden door een vreemde, een vondeling wellicht, van wien niets
bekend is, noch zijn ouders, noch zijn geboorteland, noch zijn naam.
Persoonlijk was ik al lang overtuigd, mijn broeder en zuster waren u
even vreemd als ik ’t ben.”
„Maar hoe konden zij mij dan zooveel bewijzen van liefde en zorg geven?
Gij hebt voor uw kinderen nooit zooveel teederheid aan den dag gelegd
als mijn vader mij steeds bewees, sedert ik me iets herinneren kan.”
„Ieder heeft zijn eigen wijze van zijn, hij is dwaas die op den schijn
bouwt; mijn arme broeder was een zonderling. Hij deed veel uit zucht om
anderen te wederstreven. Wat het ook geweest moge zijn, ik vergeef hem
het levenslang bedrog waarmede hij zijn bloedverwanten en vrienden de
oogen heeft gesloten. En wat u betreft jonge man! hoewel gij er niet
naar gehandeld hebt om door mij met verschooning behandeld te worden,
ik wil niet vergeten dat mijn broeder zaliger, u genegen was; mits gij
mijn goedheid waardeert en ze niet als een op mij rustenden plicht
beschouwt zal ik u mijn bescherming niet onthouden.”
„Ik heb uw bescherming niet noodig,” viel Robert in op hoogen toon, „of
ik ben werkelijk de zoon van uw broeder en dan behoef ik niemands hulp
of ik ben het niet en dan zal ik mijzelf helpen, ’t allerminst roep ik
uw bijstand in, dien ge mij steeds zoo noode en slechts ten wille
van... van mijn geliefden doode hebt verleend.”
„Die gevoelens strekken u niet tot eer, knaap! Het doet me leed!” en
hij stond op „van u reeds zoo spoedig over deze onaangename zaken te
hebben moeten spreken, maar ge moet erkennen dat deze onzuivere
toestand onmogelijk langer kan voortduren. Voor het oogenblik zijn deze
woorden door mijn broeders hand geschreven mij voldoende om u niet
langer als diens zoon en erfgenaam te erkennen, maar mijzelf als zijn
naaste en eenige bloedverwant het recht te geven hier op te treden als
de eenige machthebbende, ingevolge welke macht ik u verzoek deze kamer
te ontruimen, die ik sluiten zal in afwachting dat de overheid hier den
boedel komt verzegelen. Ik heb dus de eer u uit te noodigen mij te
volgen.”
„Nimmer!” riep Robert uit met vonkelende oogen, „hier is mijn plaats en
ik zal mij niet van hier doen verwijderen dan door geweld. Beproef het,
als ge durft!”
„Ge zult mij toch niet dwingen de bedienden te roepen?”
„Voor hen ben ik hier thans de eenige meester, zij zullen geen hand
naar mij uitsteken! Op mijn beurt verzoek ik u mij te verlaten, reeds
te lang heb ik u aangehoord.”
„Ik ga niet heen dan met u, ge begrijpt toch dat ik u hier niet alleen
zal laten tusschen alle schrifturen en akten mijns overleden broeders.”
„Met nog minder recht zal ik toestaan dat gij hier nog komen kunt, om
wellicht—want van zulk een huichelaar als gij kan men alles
verwachten—de bewijsstukken te vernietigen, welke de valschheid van uw
bewering moeten staven.”
Voor ’t eerst verloor heer Gerard van Reijn zijn gewone bedaardheid.
„Hoe, ge durft mij van zulk een laagheid betichten, vondeling?”
„En nog van veel meer bovendien! Ik vraag u nog eens, zult ge
goedschiks deze kamer verlaten?”
„Ik ben hier op mijn grond en beveel u....”
„Dus ge wilt niet,” schreeuwde Robert blind van woede, „dan zal ik u
dwingen.”
En met zijn sterke jonge armen greep hij den ouden man aan en wierp hem
ondanks zijn tegenstreven de deur uit die hij toen van binnen sloot.
’t Duurde eenige sekonden voordat heer Gerard tot bezinning kwam, maar
toen hij de deur gesloten zag, begreep hij dat hem voor het oogenblik
niets beters te doen stond dan heen te gaan om den volgenden morgen den
indringeling desnoods door den arm van het gezag te doen verwijderen.