moskee. Toen zij daar kwamen, snelden de vluchtelingen hen tegemoet;
kapitein Grevink was reeds gesneuveld met zijn soldaten. Soerapati had
zich achter de gebouwen verschanst, moord- en brandlust maakte zich van
zijn gezellen meester, overal zwaaiden zij hun brandende toortsen,
zoodat aan terugtrekken niet te denken viel.
Voor hen verzamelden zich de troepen der Compagnie vast besloten hen
levend of dood in handen te krijgen, nergens scheen meer een uitweg;
zoo waren zij benepen tusschen vuur en wapenen.
De troepen van den Soesoehoenan waren niet te zien; in zijn
vrouwenvertrekken was de verwijfde keizer bevend en sidderend
weggekropen op struisvogelmanier het gevaar niet willende zien, hopende
dat het weg zou drijven.
Soerapati overzag den nijpenden toestand; achter hem strekte zich
steeds hooger en hooger een muur van vlammen uit, de laffe Javaansche
grooten hadden het terrein aan de Balineesche muitelingen overgelaten.
„Makkers,” riep hij uit, „veel hebben wij samen doorstaan, maar nimmer
was de nood zoo dringend! Wat is uw verlangen? Ge ziet hoe ver de zaken
zijn gekomen; gewone dapperheid baat hier niet meer, slechts de wensch
om het uiterste te beproeven kan baten. Wij moeten den dood zoeken want
alleen in doodsverachting ligt de eenige kans tot redding der
hopeloozen. Wilt ge echter dit uiterste niet wagen, laat ons dan
onderhandelen met de Compagnie!”
„Nooit, nooit,” gilden allen, „liever den dood dan de slavernij.”
„Welnu, volgt mij dan! Zij zullen wel vergiffenis beloven, zeker wacht
ons toch bij hen een ijselijken dood. De dood gaapt ons van alle zijden
aan. Laten we hem dus tegemoet gaan als onverschrokken krijgslieden,
misschien neemt hij ons dan niet, want de dood weigert vrijwillige
geschenken. Vooruit dan, vooruit!”
De Balineezen hieven een woest krijgsgeschreeuw aan en stormden hun
aanvoerder in wilde vaart achterna. Vreeselijk was Soerapati’s aanblik,
zijn haren besmeurd met roet fladderden om zijn ontbloot hoofd, in
flarden hing zijn krijgshemd om zijn bloote schouders, het bloed droop
langs zijn naakte leden; een knaap achter hem droeg zijn pieken, hij
wierp ze telkens met vaste hand voor zich uit, terwijl hij met de
andere zijn kris hoog boven het hoofd zwaaide en luid den bloedigen
kreet uitte:
„Amok, Amok!”
Commissaris Tak had zijn manschappen op het plein gelegerd; de
Compagnie van luitenant van der Meer ter rechter, die van Vonk ter
linker en van Eygel in het midden, Madureezen en Javanen waren ter
zijde geplaatst; hij zelf ging voort in ’t front zijn bevelen te geven
toen de dolzinnige troep al schreeuwend en tierend door de poort naar
buiten snelde; het vuur der Hollanders deed hen terugwijken en zij
werden weer teruggedrongen tot aan de poort.
„Moed, mannen, moed!” gilde Soerapati, „vreest gij den dood? Hij alleen
kan ons redden. Amok, amok!”
„Amok!” herhaalden allen schel krijschend en beproefden nogmaals den
uitval; de Madureezen begonnen te wijken.
„Het is de duivel die hen aanvoert!” riepen zij, wierpen hun wapens weg
en vluchtten naar de oprukkende Hollanders; de damp der brandende
gebouwen vervulde de aloen-aloen, en ontnam alle uitzicht.
„Redt u, redt u,” gilden de Madureezen, een algemeene paniek volgde, de
soldaten der verschillende Compagnieën verwarden zich in elkander. De
vijand rukte nader in den blinde met ware razernij er op inhakkend;
geen vriend noch vijand werd meer herkend. De eene struikelde over den
andere, verblind door kruitdamp, verward door het wanhopig geschreeuw
der gewonden en de helsche kreten der aanvallers, luisterde niemand
meer naar de kommando’s der bevelhebbers, de vaandels zonken neer,
alles krielde en wemelde in onbeschrijfelijke wanorde door elkander.
Links en rechts vielen de slachtoffers, officieren en gemeene soldaten
zonken naast en op elkander, doorboord van lanssteken, ter aarde. De
gezant sneuvelde, wanneer en hoe dit wist niemand, men vond later zijn
lijk door twintig messteken verwond; ook de Opperkoopman van Vliet, de
luitenants van der Meer en Vonk, behoorden onder de gevallenen. Als een
bergstroom gelijk, die alles op zijn doortocht omverwerpt en vernielt,
stortten de Balineezen met overweldigende kracht telkens weer op hun
aanvallers, totdat deze of in het stof voor hen bezweken of naar alle
zijden wegvluchtten.
Een gedeelte slechts van de Compagnie soldaten mocht de pagger
bereiken, waar kapitein Leeman het kommando voerde en weldra door de
wanhoopskreten der vluchtelingen den omvang der groote ramp vernam.
Soerapati en zijn helden weken terug nadat zij zich over de lijken
hunner aanvallers een weg hadden gebaand, in Zuid-Oostelijke richting
naar het gebergte.
Daar vonden zij vrouwen en kinderen onder de hoede der kleine schaar
aan welks hoofd Kiai Hemboong stond. Juichend snelde Koesoema haar
gemaal tegemoet, die als overwinnaar maar uitgeput en verwond uit den
strijd terugkeerde.
„En nu?” vroeg zij hem, „wat moeten wij nu doen mijn held, mijn Vorst?”
„Nu geloof ik dat de voorspelling van den dwerg waarheid bevat; de
Compagnie weet thans welken vriend zij versmaad heeft en nog is onze
vijandschap niet ten einde. Wij trekken naar het Oosten; op mijn
makkers kan ik mij verlaten, met zulke helden kost het geen moeite een
koninkrijk te stichten!”
„Allah zij geloofd!” fluisterde Koesoema tot Kiai Hemboong, „nu heeft
hij Nonna Suzanna voor goed verloren! Welke angsten stond ik heden niet
uit, vreezend dat hij zich weer zou verbinden aan de gevloekte blanken;
nu echter scheidt een diepe rivier van bloed hem van zijn vroegere
vrienden, en zulke stroomen zijn niet meer te doorwaden.”
DERDE GEDEELTE.
I.
AMSTELVREUGD.
In het begin der vorige eeuw was de weg, die door de toenmalige
Leidsche poort van Amsterdam naar het naburige Amstelveen leidde
omzoomd door fraaie, groote buitenplaatsen, waarin de Amsterdamsche
patriciërs den zomer doorbrachten. Nu zijn de tuinen verdwenen en in
weiden herschapen; hier en daar herinnert de naam van een boerenhuis,
op een groen houten hekje in witte letters geschilderd, nog slechts aan
het landgoed, waarvan het de plaats inneemt; de omstreken der hoofdstad
zijn van hun vroegeren luister beroofd, de stad dringt dieper en dieper
het land in, waar men eenmaal ongestoord het buitenleven op korten
afstand van de stadsmuren kon genieten; een nieuwe aanleg, nieuwe
huizenrijen omboorden het begin van den weg; verderop eerst blijkt het
hoe beroofd en kaal de sloopers van die heerlijke buitenplaatsen het
land achterlieten. De bosschen zijn gekapt, niets geeft nog eenige
schaduw tusschen de uitgestrekte weiden en polders als hier en daar het
overlommerde erf van een boerderij en de laan, die in bijna rechte lijn
met slechts een dubbele elleboogkromming het vlakke land doorsnijdt;
wie weet echter hoe spoedig ook deze boomen tot ondergang veroordeeld
zijn als het onmisbare voertuig onzer eeuw, de stoomwagen zich op dezen
weg moet begeven!
Maar toen in de eerste jaren van de 18de eeuw had alles een geheel
ander aanzien; de wandeling was langs de afwisselende rij van buitens
vrij wat aangenamer, de Kalfjeslaan was nog niet gekoppeld aan de
herinnering van een bloedige daad; de zware koetsen der Amsterdamsche
deftige families reden op den grooten weg op en neer, men bracht
elkander bezoeken of maakte rijtoertjes.
Een weinig voorbij de Kalfjeslaan strekte zich toen ten tijde een
aanzienlijk landgoed uit, waarvan nu geen spoor meer is overgebleven;
een statig en sierlijk ijzeren hek scheidde het van den grooten weg; de
wansmaak dier dagen uitte zich misschien wel eenigszins in de
overdadige menigte krullen en slingers, die de rijk versierde letters
van het opschrift „Amstelvreugd” omringden. Dit hek gaf toegang tot een
in den laatsten Franschen smaak aangelegden tuin, die ons thans stijf
en popperig zou voorkomen maar toen stellig geprezen werd als een
voorbeeld van tuinaanleg à la Le Nôtre. Een geschoren laan leidde van
het hek naar het statige, deftige hoofdgebouw; de grond was met
sneeuwwit zand bestrooid, en aan weerszijden op een glad geschoren
strook gras stonden van afstand tot afstand tobben met oranjeboomen;
links en rechts bevond zich de tuin met zijn vijvers en grotten, zijn
schelpentuin en doolhof, zijn mathemathisch gevormde perken, zijn in
den vorm van vogels en draken gesnoeide palmstruiken, zijn zonnebloemen
en violieren, welke tuin begrensd werd als door reusachtige muren van
in het vrije groeiende beuken, de grens aan beide zijden vormend van
het landgoed.
Die beuken hieven hun statige kruinen omhoog en zagen als minachtend
neer op de gemanierdheid, waartoe men aan hun voet de natuur
veroordeelde. Onder hun schaduw had het gras volle vrijheid hoog op te
schieten en aan de veldbloemen een gastvrije schuilplaats te bieden;
het was er recht koel en frisch onder het geboomte op dezen warmen
Juli-middag.
Er scheen feest gevierd te worden op het fraaie buiten; zoo pas had een
talrijk jong en vroolijk gezelschap zich in den koepel aan den
waterkant te goed gedaan aan de verfrisschingen door de gulle,
vriendelijke vrouw des huizes, mevrouw van Starenwijck, haar jongen
vrienden en vriendinnen voorgediend; nu wandelden de gasten paar aan
paar of in groepjes door de rechte, met palmhagen omzoomde paadjes van
den Franschen tuin. Het was een zoogenaamd landelijk feest, maar
niemand zou het vermoed hebben, zoo ontbrak hier alle ongedwongenheid
en vrijheid, welke men gewoonlijk van landelijkheid onafscheidelijk
acht. Nu en dan slechts verbrak een vroolijke kwinkslag of een luide
lach den deftigen toon, die onwillekeurig in den stijf aangelegden tuin
moest heerschen; dadelijk echter klonk weer het afgemeten, hoofdsche
gesprek, en de minder geestige, dan kalme scherts, die alleen het
vermaak van de jongelieden scheen uit te maken. Een enkel paartje was
den Franschen tuin ontvlucht en had zich onder de hooge beuken begeven,
als boden deze een geschikter plaats aan voor hun onderhoud.
Hij was een kloek jonkman van even twintig jaar, zijn olijfkleurige
gelaatskleur verried dat nog ander bloed dan het zuiver Noordsche door
zijne aderen vloeide, maar zijn regelmatige trekken lieten het in ’t
onzekere, tot welken landaard hij behoorde; zijn kleeding was eenvoudig
hoewel deftig en rijk, zijn gestalte lenig en buigzaam, iets boven het
middelmatige, maar wat voor alles de aandacht trok dat waren zijn
oogen, donkere vurige oogen, die nog donkerder en vuriger schenen daar
waar zij omringd waren door de bleeke, groene appels van de andere
gasten, of door vroolijke bruine kijkers, die echter den inwendigen
gloed misten, welke de zijnen konden vervullen.
Nu echter was deze gloed als gesmolten in teederheid; zij glansden,
maar zooals het fluweel glanst in aanraking met de zonnestralen; het
scheen of zij verzacht werden door den zoeten, lieftalligen, eenigzins
verwijtenden blik, die hen ontmoette uit de blauwe oogen van het jonge
meisje, dat hij dringend aansprak als om iets van haar te verzoeken;
het was een mooi, blond kind, een echte dochter van het Noorden. Zij
wendde haar hoofd telkens van hem af en deed zwakke pogingen om haar
linkerhand uit zijne rechter te bevrijden.
„Hier zijn we vrij voor weinige oogenblikken, Digna; dadelijk komen
onze medegasten, wij zullen ons moeten voegen bij hun spel, wij zullen
onze blikken moeten bespieden, onze woorden wegen, zeg me spoedig dat
gij me vergeeft, dat gij niet meer boos zijt.”
„O Robert, ge hadt mij zoo beloofd, dat het de laatste keer zou wezen.
Kan ik dan nooit op u rekenen?”
„Ach Digna, ik ben zoo zwak, maar als gij me steeds ter zijde stond,
zou ik anders worden. Wanneer zullen we nooit meer gescheiden worden,
Digna?”
„Zal het ooit gebeuren?” vroeg zij zuchtend.
„Het zal gebeuren, ik zeg ’t u, het zal gebeuren. Zoodra mijn vader
hersteld is, zal ik hem ons zoet geheim openbaren en dan komt hij bij
uw moeder, uw ouders wil ik zeggen, uw hand vragen voor mij. Wat kan
mevrouw van Starenwijck hebben tegen een vereeniging tusschen haar
dochter en den zoon van den rijken algemeen geachten heer van Reijn?”
„Ge vergeet dat ik reeds meer dan half verloofd ben.”
„Aan een man, dien gij nog nooit hebt gezien, die aan gene zijde der
zee vertoeft en aan wien slechts een belofte van uw stiefvader u
verbindt; uw moeder houdt van mij...”
„Zeker, anders zou ik niet wagen uw liefde aan te nemen.”
„Gij neemt ze aan Digna, gij neemt ze aan en gij vergeeft mij!”
Zij zag naar hem op met een schalkschen lach, die twee kuiltjes in haar
zacht blozende wangen groefde.
„Voor dezen keer Robert, en dan nooit meer, verstaat ge? Foei, hoe zal
ik moed hebben met zoo’n wildzang door het leven te gaan?”
En hij drukte haar vast aan zich en snel kuste hij haar in de kuiltjes
van de wangen. „Ge zult zien, hoe ik veranderen zal, liefste mijn, als
ik dagelijks die kuiltjes mag kussen.”
„O foei neen! dat moogt ge niet doen, dan word ik weer boos,” en zij
wipte snel weg, maar in haar oogen las hij duidelijk dat zij den
kleinen diefstal geen onvergeeflijk vergrijp achtte.
„Robert, Digna!” werd er plotseling geroepen, „waar blijft ge?” Het
meisje en de jonge man wierpen elkander nog een blik toe, een laatsten,
toen greep hij snel haar hand en drukte die vurig aan zijn lippen, maar
zij trok zich terug en wenkte hem dat zij nu verder op eerbiedigen
afstand van elkander zouden voortgaan.
„Ik moet nog geduld oefenen,” zeide hij halfluid, „maar het zal niet
lang duren, Digna of geen macht ter wereld zal mij een stroobreed van u
scheiden.”
„En zult ge dan ook ijverig werken Robert?” vroeg zij, „op het
handelskantoor van uw oom, zult ge een flink, ernstig koopman worden?”
„Omdat gij ’t verlangt ja, Digna! hoeveel ’t mij ook kost? Ik
verafschuw den handel, gij weet het en mijn vader heeft het
ondervonden, tot voor binnenkort. Nu echter zal ik voortaan de
ijverigste van oom’s klerken wezen, geloof me!”
Zoo pratende naderden zij den zoom van het bosch, met elkander
sprekende als een paar goede vrienden, niets meer; hij liefkoosde haar
slechts met zijn oogen en al hield zij de hare neergeslagen, toch
voelde zij hoeveel liefde, ja meer nog, aanbidding bijna, hij in die
liefkoozing legde.
De anderen kwamen hen tegen en vroolijke vragen begroetten hen
allerwege.
„Waar zijt ge geweest?”
„Hebt ge vlinders gevangen?”
„Of bloemen geplukt?”
„Toon ons de mooie plekjes die gij bezocht hebt.”
Eenigen slechts zeiden niets, het waren de meisjes, die niet konden
begrijpen hoe Robert van Reijn in de onbeduidende stiefdochter van hun
gastheer iets moois kon vinden, of de knapen, die zich ergerden dat
zoo’n prachtig meisje als Digna zulk een besliste voorkeur kon toonen
voor dien dwazen knaap, zoo bruin als een heiden; zij waren toch vrij
wat aantrekkelijker met hun bleeke gezichten en net gepoederde haren.
„Wij hebben de plaats gezocht,” zeide Digna met haar onschuldige oogen
haar gasten overziende, „waar wij blindemannetje konden spelen! ’t Is
juist geschikt.”
Weinigen deden slechts een spotlach hooren; de meesten juichten,
klapten in de handen en riepen uit:
„Dan mogen we dadelijk beginnen!”
„Ja zeker, hier is het goed onder de boomen, ge kunt geen heggen
vertrappen en geen vazen omwerpen, of verward raken in een geschoren
palm, nog minder in een vijver verdrinken.”
Alle vormelijkheid verdween en weldra dartelden en speelden zij onder
de hooge boomen zoo vrij en vroolijk als de jeugd, onverschillig ook
van welke eeuw of welke landstreek, het steeds doet, wanneer zij aan
zichzelf overgelaten zich vermaakt in Gods vrije natuur!
Daar kwam geen einde aan het juichen en het lachen, aan het stoeien en
aan het roepen; soms werd de arme blindeman deerlijk bedrogen, soms
maakte hij van zijn voorrecht als blinde een al te vermetel gebruik,
als hij een der vroolijke meisje om het middel greep en om haar te
herkennen, haar en oogen betastte, ja zelfs haar voorhoofd met zijn
lippen aanraakte; en als zij dan verontwaardigd over zulk een vrijheid
een kreet slaakte dan raadde de blindeman gewoonlijk, wie hij in zijn
macht hield.
Digna leidde het spel, bedaard, kalm maar toch vriendelijk en opgewekt;
eens slechts zag men haar die kalmte voor een oogenblik verliezen, maar
voor een oogenblik slechts, het was toen Robert van Reijn de blinde was
en in zijn snelle vaart tegen een dikken boom dreigde te stooten; zij
snelde verschrikt toe en plaatste zich voor hem; toen was zij het, die
hij aanraakte en o wonder, er was niets meer noodig om hem te doen
raden hoe zij heette:
„Digna,” riep hij, en rukte meteen den band van zijn oogen.
Juist kwam Heer van Starenwijck in het bosch.
„Waar is de jonge heer van Reijn?” vroeg hij.
„Bij Digna natuurlijk,” sprak een klein mannetje met nijdig gelaat, die
’t dichtst bij hem stond.
Een wolk trok over Heer van Starenwijcks voorhoofd en zijn mond kreeg
een gemelijken trek, maar dadelijk riep hij luid:
„Robert van Reijn!”
De geroepene, die juist bezig was Digna den doek om het blonde haar te
binden, en daartoe iets langer werk had dan anderen, ging snel vooruit
en vroeg:
„Zoekt u mij, mijnheer?”
„Ja u, het spijt mij zeer dat ik uw genoegen moet storen, want gij
vermaakt u wonderwel naar ik vermeen, maar er is een bediende gekomen
uit de stad met de boodschap dat uw vader onmiddellijk uw
tegenwoordigheid verlangt.”
„Dan is hij ziek, mijn goede vader, anders zou hij mij niet laten
roepen! Is er iets verontrustends mijnheer, zeg ’t mij dan?”
„’t Is waar, de knecht sprak van ongesteldheid! Hij kwam te paard.”
„Dus er is haast bij! ô God!”
Het spel was gestaakt, de jongelieden waren allen naderbij gekomen, hun
kleur droeg nog de sporen van de opwinding en de verhitting van het
spel, met belangstelling of nieuwsgierigheid luisterden zij toe of
zagen naar Robert’s gelaat, dat alleen allen blos miste; toch niet, er
was een gelaat nog bleeker dan het zijne. Digna stond naast hem als
behoorde deze plaats haar van rechtswege; deelnemend zocht haar blik
den zijne.
„Ik ga onmiddellijk, ik zal mijn paard laten zadelen. Vaarwel,
vrienden! God geve, dat het een voorbarige boodschap zij!”
„Uw paard is gezadeld, jonkman!” sprak van Starenwijck stroef, „ik gaf
onmiddellijk dit bevel daar ik begreep wat uw besluit zou wezen.”
„Heb dank, heb dank!” en de jonge man drukte met het vuur, dat hij in
elk zijner bewegingen legde de hand, die hem koel werd gegeven en toen
tot Digna zich voorover buigend fluisterde hij:
„Vaarwel, liefste engel mijn! Bid dat de zwaarste beproeving mij niet
treffe!”
„Ik ga met u Robert tot aan het huis,” sprak zij, zonder acht te slaan
op den ontevreden blik haars stiefvaders of op de spottende
aanmerkingen harer vriendinnen.
Robert ging door den Franschen tuin, tusschen Digna en zijn gastheer,
de anderen volgden op eenigen afstand; het spel naar ’t scheen had voor
allen zijn aantrekkelijkheid verloren.
Mevrouw van Starenwijck en eenige andere gasten stonden op het bordes;
zij kwam Robert hartelijk tegemoet.
„Arme jongen!” zeide zij vriendelijk, „ik vrees dat u smartelijke uren
wachten. Houd moed! Denk dat er Eén is, die over leven en dood beschikt
en ons leidt niet langs onze wegen maar langs de Zijne. Vergeet niet
dat Zijn wil geprezen moet zijn nu en altijd!”
„Ik dank u mevrouw! ik dank u!” sprak de jonge man, diep bewogen haar
hand aan zijn lippen brengend.
„En herinnert u steeds, dat ge goede en trouwe vrienden op Amstelvreugd
hebt,” ging zij voort.
Ook Digna reikte hem de hand; hij wierp haar een langen, teederen blik
toe, als wilde hij haar lieve gestalte voor eeuwig in zijn geest
prenten, groette Heer van Starenwijck en de overige gasten, steeg te
paard en reed weg.
Het feest ging voort, maar de rechte vroolijkheid was verdwenen; de
jonge gastvrouw bleef stil en treurig als had het voor haar alle
bekoorlijkheid verloren.
In den geest volgde zij den jongen man op zijn treurigen rit, wellicht
verbeeldde zij zich te hooren, wat hij smartelijk uitriep, toen hij
voor een deftig huis op de Keizersgracht gekomen, snel van zijn paard
afsteeg en in het voorhuis stortte.
„Mijn vader!” vroeg hij angstig.
De oude grijze knecht, die hem ontving antwoordde niets, maar zijn
oogen waren rood van tranen en bleek zijn wangen.
„Ik weet het genoeg! Mijn vader is niet meer!” riep Robert wanhopend
uit.
II.
ROBERT VAN REIJN.
Op den laten avond van dien dag zat Robert alleen in de boekenkamer
zijns vaders, voor diens schrijftafel; de koperen lamp, die van de
zoldering afhing wierp haar licht op het met papieren en boeken
overdekte blad en op den stoel met hooge leuning, waarin de overledene
een groot deel van zijn leven placht door te brengen en die nu ledig
stond.
Robert hield beide handen tegen zijn voorhoofd terwijl de armen op
tafel steunden; hij had zich moe geweend en beschutte zijn ontstoken
oogen nu tegen het hinderlijke licht der lamp.
Hij was bitter bedroefd en geen wonder ook, de tegenstelling tusschen
het vroolijke feest daar ginds en de droefheid hier in het sterfhuis,
de overgang van onbezorgde vreugde tot diepe smart was al te groot en
buitendien de oude Heer van Reijn was altijd een goed vader geweest
voor den wilden, ongezeggelijken jongen in wien de meesten moeite
hadden zijn zoon te erkennen. Kalmte, overleg, goedigheid, een deftig,
bezadigd voorkomen, ziedaar, wat den Heer van Reijn reeds op het eerste
gezicht kenmerkte; zijn zoon was juist het tegenovergestelde, heftig,
opbruisend, onbedachtzaam, tuk op vermaak, hartelijk voor hen die hij
liefhad, norsch tegen degenen die hem tegenstonden, edelmoedig tot
verkwisting toe, afkeerig van allen dwang en regel, een knaap in een
woord zooals men er slechts weinigen aantrof in de deftige, afgemeten
Amsterdamsche kringen, waarvan de oude Heer van Reijn, die een hooge
betrekking bij de O. I. Compagnie had bekleed, een algemeen geacht en
zelfs bemind lid was. Ook van zijn reeds sinds tien jaren overleden
moeder kon Robert deze eigenschappen niet geërfd hebben.
Mevrouw van Reijn was het evenbeeld van kaar echtgenoot in zooverre als
een beschaafde, beminnelijke vrouw, die boven alles er haar eer in
stelt een goede huisvrouw te zijn op een verstandigen, doortastenden
man gelijken kan; hun huwelijk was hoogst gelukkig geweest.
Zij had haar man, die als buitengewoon inspecteur door de Compagnie
afgezonden was om de verschillende kantoren in Indië te bezoeken,
vergezeld; zij waren toen reeds vele jaren getrouwd maar hun echt was
kinderloos gebleven.
Na een verblijf van zes jaar keerden zij terug en brachten toen Robert
mee, een donker, ondeugend knaapje van ruim vier jaar, dat echter innig
gehecht was aan de reeds niet meer jonge mevrouw van Reijn, die hem
deze liefde met woeker teruggaf.
Menige meer of minder kiesche opmerking en onbescheiden vraag werd over
het raadselachtige jongske gedaan maar mijnheer noch mevrouw van Reijn
bekommerden zich daarover, zij gingen voort hem als hun eigen kind te
behandelen en een opvoeding te geven overeenkomstig hun stand; de
naaste familie duldde met leede oogen het bestaan van Robert, soms
opperden zij nog wel een lichten twijfel aangaande zijn afkomst maar de
jaren gingen voorbij en de verhouding bleef dezelfde; na den dood
zijner echtgenoot hechtte de oude heer zich zelfs nog vaster aan zijn
zoon.
Met een dikwijls al te groote toegevendheid verdroeg hij zijn
ondeugende streken, zijn luiheid en wispelturigheid; de beurs hield hij
altijd wijd geopend voor alle grillen hoe kostbaar ook van dien zoon en
ieder was er thans geheel van overtuigd dat Robert de plaats innam, die
hem wettig toekwam; zijn zonderling karakter en Oostersch voorkomen
werden algemeen op rekening gesteld van een speling der natuur als een
gevolg van den invloed, door de tropische omgeving waarin hij geboren
was, uitgeoefend op zijn karakter en uiterlijk.
Als de zoon van den rijken aandeelhouder der Compagnie van Reijn, had
Robert toegang in de eerste huizen der koopmanswereld van Amsterdam;
vele moeders zagen met verlangen naar hem op als naar een begeerlijke
partij voor haar dochters.