geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en
ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem
onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat
wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de vreemdelingen meenen,
ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken
aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek
heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste
mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde
hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht
verdelgde.”
„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan
zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en
onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden
moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en
door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij
is te oprecht.”
„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is
zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom;
hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn
vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”
„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt,
dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”
„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen;
gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”
„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw
zwager.”
„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter
jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele
mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn
eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”
„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor
heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de hoogste mate
vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een
gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”
„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven.
De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis
gebruiken om ons schade aan te doen.”
De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide
hoofdpersonen van het gezantschap een einde.
„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij,
en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”
Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink
geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.
„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.
„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait;
hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn
lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”
„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik
vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht
voortzetten.”
„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten,
tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen
te krijgen?”
„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen,
anders komt ze nooit ten einde.”
„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.
„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.
Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de
sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde noch hij, noch de
opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien
ondergaan.
VII.
VERRAAD.
Groote verwarring en onrust heerschte in den kraton; de Soesoehoenan
met verglaasde oogen en angstig bevende vingers zat omringd door zijn
vrouwelijke lijfwacht op zijn troon, terwijl de voornaamste hofgrooten
op eenigen afstand van hem neerhurkten.
Angst en schrik lagen duidelijk op aller trekken te lezen, niemand wist
eigenlijk wat er te doen was, niemand wat de keizer verlangde; men
vestigde nu de blikken op den Rijksbestuurder, dan op den zwakken,
besluiteloozen vorst. Amirang Koesoemo alleen was kalm, niets gebeurde
er wat hij niet voorzien en voorbereid had; alles ging zooals hij
verwachtte en de groote slag moest nu geslagen worden. Hij wilde zich
van den gezant en al de Hollanders ontdoen, reeds sinds lang droeg hij
dit voornemen met zich om. Nooit was de gelegenheid schooner geweest,
nooit zou zij zich weer op deze wijze voordoen.
De Pangeran Sampan Tjakra di Ningrat, regent van Madura was echter niet
van de meening des Rijksbestuurders.
„De Hollanders zijn machtig,” sprak hij, „wat zal het u baten, al
vermoordt gij ook den gezant en allen, die hem vergezellen? Morgen
komen er nieuwe geduchte legers van Batavia om zijn dood te wreken; ge
zult niets gewonnen hebben dan hun vijandschap en uw Hoogheid weet bij
ondervinding hoe krachtig hun hulp is.”
De Soesoehoenan zuchtte:
„Had ik die nimmer noodig gehad!”
„Dan regeerde Troeno-Djojo nu in Mataram en gij zoudt als balling
rondzwerven indien gij ten minste niet evenals uw Vader ter ruste waart
gelegd in het eenzame Tagal-Wangi.”
„Uw vader heeft de lessen van den profeet veracht, hij liet de
geestelijke raadgevers van zijn volk bij honderden vermoorden. Allah
strafte er hem voor door waanzin en later door een smartelijken dood,”
zeide op plechtigen toon de Pangoeloe of opperpriester.
Het gevaar en de afhankelijkheid, waarin de Soesoehoenan zich nu bevond
gaven allen moed hem minder aangename waarheden te zeggen; met een
giftigen blik zag hij den spreker aan en maakte wellicht het plan om
als hij zich sterker zou voelen, zich over dien ongevraagden raad te
wreken.
„Gij hebt de dienaars van Allah versmaad in den dag der verdrukking,”
ging de Pangoeloe met klimmende verbittering voort, „gij hebt gekropen
voor de kafirs, aan hen hebt gij een kroon te danken aan niemand
anders. Weiger dan ook niet de schuld te dragen onder welker gewicht
zij u thans verpletteren! Elke weldaad is een steen, die ons op den nek
wordt gelegd en waarvan het moeite kost zich te bevrijden; door hun
gunsten aan te nemen hebt gij u in hun macht gesteld. Wie weet hoe zij
thans die macht zullen gebruiken? Ik kan u niet helpen! Gij noch uw
vader hebt ooit Allah geëerd.”
„Het is nu de tijd niet tot nuttelooze verwijten,” zeide de Madureesche
prins, „er moet een besluit genomen worden en hoe sneller hoe beter.
Wilt gij Soerapati uitleveren?”
Hulpeloos zag de keizer zijn Rijksbestuurder aan, die tot nu toe met
neergeslagen oogen had gezwegen.
„Help mij Radhen Adipati, help mij! Van u alleen verwacht ik mijn
heil!” kermde hij.
„Den zwakken betaamt list,” zeide Amirang Koesoemo langzaam, „want gij
zijt zwak o keizer! Zwak en uitgeput door de dure weldaden, die gij aan
de Hollanders dankt. Gij moet u niet schamen die zwakheid te belijden
voor de machtige vreemdelingen. Aan zwakken en vrouwen vergeeft men
veel!”
„Uw woorden zijn duister, mijn zoon! Spreek klaarder taal!”
„De zwakke neemt de hulp aan, waar hij die vinden kan; hij buigt
schijnbaar het hoofd in onderwerping voor den sterke en neemt in het
verborgen de hand aan van dengene, die hem verlossen kan van den
gehaten beschermer in wiens hart geen wantrouwen meer schuilt, dank die
openbare hulde. Zijn nu mijn woorden duidelijker! o keizer?”
De Soesoehoenan sloot de oogen als wilde hij stil de woorden verwerken
van zijn dienaar.
„Ik begin u te begrijpen Radhen Adipati, ge wilt dat ik Soerapati tot
vriend houde en tevens ook den Heer Gezant vleie! Maar hoe zal dat
geschieden?”
„Het is gevaarlijk o keizer!” zeide de Pangeran, „op twee lansen te
vertrouwen, die niets liever wenschen dan zich tegen elkander te
richten.”
„Niets kan gevaarlijk zijn waar een omzichtig oog de wacht houdt;
verwarring is een goede afleiding! Laat Karta-Soera in opstand schijnen
omdat de Balineezen zich verzetten willen tegen de uitlevering van hun
hoofd! Gij zelf wenscht die uitlevering, gij draagt ze op aan den
Radhen Tjakra de Ningrat, die uwe geheime bedoelingen begrijpt en
eerbiedigen zal!”
„Ik breng liever geen opdrachten ten uitvoer met dubbel doel,”
antwoordde de Pangeran minachtend.
„Ook niet als het heil des Meesters en het geluk van het Javaansche
land er van afhangen?” vroeg de Pangoeloe. „Te veel reeds gunden wij
aan den vreemdeling, die het alleen op onze schatten en op onzen grond
heeft begrepen; waarom bleef hij niet in zijn eigen land? Om met ons
handel te drijven, om ons te leeren wat hij kan en wat hij weet!
Dwaasheid! Hij wil ons onderdrukken, ons afkeerig van Allah en zijn
grooten Profeet maken, onze landen wil hij beheerschen, onze vorsten
verdrijven en met blindheid zijn onze prinsen geslagen. Zij zoeken de
hulp niet, daar waar zij alleen te vinden is, maar roepen den
begeerigen ongeloovige om hun onderlinge feiten te beslissen; zij
trachten niet eendrachtig met elkander te blijven, en vergeten dat de
bundel saamgebonden pijlen, de kracht van den sterkste tart terwijl zij
elk afzonderlijk door een kinderhand te breken zijn. Daarom mijn zonen,
blijft eendrachtig, zweert den vijand te verslaan door geweld of door
list. Allah wil den ondergang der ongeloovigen. Hij zal uw wapens
zegenen! Ik beloof het u!”
„Maar als Soerapati bezwijkt?”
„Ge moet hem zien strijden dan zoudt ge dien twijfel geen toegang geven
in uw hart,” zeide Radhen Adipati trotsch.
„Laat mij nog trachten alles in vrede te regelen,” verzocht de Pangeran
Sampan, „ik wil Soerapati spreken! Het zou te onvoorzichtig zijn met de
machtige Hollanders te breken om den wille van een weggeloopen slaaf!”
„Ge vergeet dat die slaaf een held is!” riep Koesoemo verontwaardigd
uit, „een held wiens vijandschap nog meer te vreezen is dan die der
Hollanders. Een tweede Troeno-Djojo, die het Mataramsche rijk zou
kunnen doen sidderen als hij wilde.”
„Allah helpe mij! Ik weet niet waarheen ik mij wenden kan,” klaagde de
keizer.
„Ge roept Allah aan in den dag der verdrukking! Zult gij hem nu ook
aanbidden in den dag der overwinning?”
„Ik beloof... ik beloof hem een nieuwe moskee te stichten en een
pelgrimstocht te doen naar het Heilige graf in het Diënggebergte, ik
beloof...”
„Laat ons nu handelen,” riep Pangeran Sampan, „ik stel mij aan het
hoofd mijner mannen, om met den Regent van Soerabaya bij Soerapati te
hooren wat zijn voornemens zijn!”
De Rijksbestuurder glimlachte, en boog het hoofd; de keizer wenkte hem
naderbij te komen en fluisterde hem toe:
„Wanneer alles mislukt, dan blijft ons immers de vlucht? Gij zorgt toch
dat er een weg open gelaten wordt?”
„Wees gerust!” sprak de Radhen Adipati, „het zal niet noodig worden,
maar beveel den Pangeran dat hij niets tegen de Balineezen onderneemt.”
In de kampong Babirong had Soerapati zich door een in haast opgeworpen
pagger versterkt; toen de Madureesche prinsen aan het hoofd van hun
talrijke manschappen bij de omheining kwamen, vroeg de Pangeran verlof
toegelaten te worden.
Twee Balineezen brachten hun onmiddellijk naar binnen; gewapend stond
Soerapati aan het hoofd zijner honderdveertig man; hij ontving de
afgezanten des keizers hoffelijk en beleefd.
„Wij komen u aanzeggen,” sprak de Pangeran, „dat de Edele Heer Gezant
niet den dalem des keizers wil binnengaan vóór wij u levend of dood aan
hem hebben overgeleverd.”
„En wat is de wil van den machtigen keizer?” vroeg Soerapati. „Hij
heeft mij en mijn mannen bescherming beloofd, en ons tot zijn lijfwacht
aangesteld? Eischt hij nu dat ik de wapenen neerlegge? Dan handelt hij
tegen zijn belofte?”
„De keizer heeft mij uitgezonden om u aan te zeggen dat gij de
Hollanders zoudt te gemoet gaan.”
„Is dit om genade en vergiffenis van den Heer Tak te verwerven? Zeg dan
aan den Soesoehoenan, dat ik den gezant zal te gemoet gaan als hijzelf
het ook doet, wij zijn tot zijn lijfwacht aangesteld en daarom ruk ik
niet uit, dan wanneer de keizer mij beveelt hem te vergezellen, al zou
’t ook zijn naar Batavia.”
„Ik trek met mijn mannen den Hollandschen gezant te gemoet, wilt ge met
mij gaan?”
„Neen, ik ben niet tot uw lijfwacht aangesteld.”
„Welnu,” sprak de Pangeran, „dan moet ik u aanvallen en tot overgave
dwingen.”
„Ge kunt het beproeven, wij zijn tot het uiterste besloten.”
De prinsen vertrokken en Kiai Hemboong, die achter Soerapati had
gestaan, wenkte hem tot teeken dat hij iets te zeggen had.
„Radhen Goesik Koesoema moet u spreken.”
Hij keerde zich om en ging naar zijn woning, waar alle vrouwen en
kinderen zijner Balineezen verzameld waren. Angst en schrik lagen op
aller gelaatstrekken te lezen; Radhen Goesik alleen was kalm, zij sprak
allen moed in en met een glimlach op de lippen kwam zij haar echtgenoot
te gemoet.
„Ik heb een boodschap voor u,” zeide zij, „alles is schijn! De
Soesoehoenan rekent op uw hulp om hem van de Hollanders te verlossen.”
„En de tienduizend mannen, die mij dadelijk gaan omsingelen?”
„Zullen ons den uittocht niet beletten; ge moet er u door heenslaan en
den dalem bereiken om den Soesoehoenan te kunnen beschermen.”
„Ik begrijp niets van de bevelen, die tot mij komen? Ze zijn allen even
tegenstrijdig. Wat wil de Soesoehoenan? Zich van mij ontdoen, of mij
handhaven; het is uw vader, die alles regelt. Ik ken zijn geheime
wenschen maar wie is mij borg dat ook de andere hofgrooten ze deelen.
De rol, die men mij geeft walgt mij; ik ben een soldaat, een
rooverhoofdman, wat men wil, maar geen dalang, [16] die telkens andere
stemmen aanneemt, andere personen voorstelt.”
Hij dacht na, plotseling hief hij het hoofd op, zijn oogen schoten
vlammen, hij greep zijn kris en riep uit op vasten toon:
„Ik zal dan ook handelen als soldaat; ik zal strijden tegen wie mijn
vrijheid bedreigt. Hetzij tegen de mannen van den Soesoehoenan, hetzij
tegen de Hollanders! Mijn vrijheid of de dood! Geen laffe listen meer,
’t is mij onverschillig wie overwint, de keizer of de Hollander, maar
ik wil geen slaaf meer zijn!”
In verrukking staarde Koesoema hem aan.
„Dat alleen verwachtte ik van u, mijn echtgenoot! Strijd met moed! Zie,
neem deze kris van mij aan, zij werd eens gedragen door Troeno-Djojo,
den dapperen Madurees, die den laffen keizer uit Mataram verdreef,
Kolomisanie is haar naam. Hij zelf ontving haar van een heiligen
boeteling, en vergeet ook de tooverspreuk niet, die Boeloe Kidoer u
toefluisterde in het gebergte van Galongong. Als gij die uitspreekt zal
de vijand uwe legermacht verhonderdvoudigd zien en op uw nadering
vluchten.”
„Ik dank u prinses!” antwoordde Soerapati, het wapen eerbiedig aan zijn
hoofd brengend en het toen aan den gordel bevestigend, „ik zal strijden
tegen allen, die u in gevaar mochten brengen slavin te worden. Maar een
angst houdt mijn ziel nog gevangen, ’t is een vrees, die mij bekruipt.
Wat zal er worden van u, wat van al die zwakke vrouwen en kleine
kinderen?”
„Laat dat mij over! Heer! Beveel slechts eenigen uwer manschappen mij
niet te verlaten! Dat Kiai Hemboong mij terzijde blijve. Mijn leuze is
gelijk aan de uwe, liever dood dan slavernij!”
Soerapati gaf zijn laatste bevelen, en keerde na afscheid te hebben
genomen van zijn vrouw naar de verschansing terug.
De keizer zond alweder een bode om hem tot onderwerping aan te manen;
trotsch en fier weigerde hij te gehoorzamen. Zijn plan stond nu vast;
hij wilde zich niet inlaten met de kuiperijen van het hof, maar voor
zichzelf de vrijheid zoo duur mogelijk verkoopen.
Pangeran Sampan gaf dus bevel tot schieten; tot nu toe is nog onbekend
of de Madureesche prins het ernstig meende of slechts op bevel des
keizers een schijngevecht leverde. Het schijnt onmogelijk dat
tienduizend man niet bij machte waren de slechts door een bamboezen
pagger omschanste legerplaats meester te worden; van alle kanten was
Soerapati omsingeld als de tijger in het alang-alangveld, maar ook als
de tijger groeide zijn moed aan bij het vermeerderen van het gevaar.
Hij gaf bevel aan zijn mannen zich om hem heen te verzamelen, en zijn
blinkende kris zwaaiend, die als een zon flikkerend haar stralen naar
links en rechts verspreidde, wierp hij zich onverschrokken op de
vastgepakte menigte, die hem den doorgang versperde.
Sprak hij de tooverwoorden uit hem door den dwerg geleerd, die de oogen
der vijanden verblindden, of was het alleen het gezicht van zijn
heldhaftige gestalte zooals hij daar plotseling den pagger onder den
voet trappend, dood en verderf om zich heen zwaaiend te midden der
aanvallers verscheen? Of wel was alles te voren afgesproken?
Wie zal het zeggen, maar onder luide angstkreten wierpen de tienduizend
helden hun vuurwapens weg, luisterden niet meer naar de vermaningen en
bevelen hunner aanvoerders, en stoven wijd en zijd uiteen, gillend en
jammerend als waren zij zwakke vrouwen en geen strijdbare mannen
geweest.
De kring was verbroken, van alle kanten raakte de kampong leeg; nog
hooger steeg de verwarring toen zwarte wolken rook zich boven de
vluchtelingen samenpakten, de vlammen ontsnapten uit de rieten daken
der dorpshuizen; Babirong stond in brand en het was Radhen Goesik, die
bij de eerste schoten haar woning in laaie had ontstoken.
„En nu naar het gebergte, spoedig!” riep zij tot de radelooze schaar.
„Soerapati zal ons daar vinden,” en onder bescherming der kleine troep
manschappen snelden zij ongehinderd weg naar het woud, terwijl de
Balineezen zegevierend hun tocht voortzetten tot aan den dalem, waarvan
zij de zuidelijke gebouwen in brand staken om zich den doorgang naar
binnen te verzekeren.
VIII.
AMOK!
Ondertusschen zette commissaris Tak zijn reis naar de keizerlijke
hofstad voort; hij was reeds tot dicht bij den kraton genaderd, toen
twee compagnieën Hollandsche soldaten, onder aanvoering der luitenants
Vonk en Eijgel, hem te gemoet kwamen.
Het was niet moeilijk te zien dat allerwege de grootste verwarring
heerschte; Madureezen en Javanen vluchtten naar alle zijden, de
kampongs liepen leeg. Beladen met have en goed, gevolgd door vrouwen,
grijsaards en kinderen stroomden de dorpelingen verre weg, dezen naar
het gebergte, anderen naar de Hollanders; de grootste schrik scheen hen
allen bevangen te hebben. De lucht achter den dalem was roodgekleurd
door de vlammen, die uit de verbrande woningen van de kampong Babirong
opstegen, dikke wolken rook streken over de statige gebouwen van het
keizerlijk paleis; niemand wist waar de brand woedde, waar de vijanden
zich verscholen hadden, waar het gevaar ’t meest dreigde; ieder zocht
zijn behoud slechts in haastige vlucht, niemand dacht zelfs aan
tegenweer.
Het was voor den juist aangekomen gezant een zware taak zich een
duidelijk begrip te vormen van den toestand. Geen mensch kon hem kalm
te woord staan, de kraton stond open, de armzalige vesting der
Hollanders bood niet de minste kans op verdediging; de beide
luitenants, die zelf slechts sedert eenige dagen waren aangekomen,
konden geen juist verslag van den toestand geven.
„De Madureesche prins had aan kapitein-luitenant Grevink beloofd zelf
Soerapati te overrompelen,” werd er gezegd. „Als gunst verzocht hij
zelfs den Hollanders zich buiten de zaak te houden; de hulp, die
Grevink telkenmale aanbood, werd hoffelijk maar beslist afgeslagen. Nu
scheen de poging mislukt, de Madureezen en Javanen kozen het hazenpad,
de keizer had zoo pas naar den pagger een boodschap gezonden om de hulp
te verzoeken van de Hollanders tegen Soerapati en zijn aanhang.”
„’t Is een net van leugens en valsche streken, waaruit men zich niet
redden kan,” sprak luitenant Vonk, „’t is niet mogelijk te weten, wat
de keizer eigenlijk wil. Of liever, wat hij wil is duidelijk genoeg;
hij wenscht niets liever dan zich te ontslaan van de Hollanders, zoo
hij durfde. Nu hinkt hij op twee gedachten: hij wil Soerapati tot
vriend houden en ook de Hollanders niet vertoornen.”
„Dan moeten we krachtige middelen aanwenden,” sprak de Commissaris.
„Heer Van Vliet, ik verzoek u met luitenant Van der Meer een compagnie
soldaten mee te nemen en u onverwijld naar het paleis te begeven, den
keizer te spreken en hem te zeggen dat de Compagnie niet met zich laat
spotten of gekscheren; hij moet mij dus onmiddellijk Soerapati en zijn
volk dood of levend uitleveren of anders zal het hem, zijn Mantri’s en
zijn hof kwalijk gaan. Ik zal hen allen als vijanden beschouwen van de
Hooge Regeering, die ik de eer heb hier te vertegenwoordigen.”
De Opperkoopman reed vooruit met zijn gevolg, terwijl de Commissaris
zich onverwijld naar den pagger begaf, die de loodsen omgaf, waarin de
soldaten der Compagnie gelegerd waren. Hij liet alle meegebrachte
„bagage” naar binnen brengen en toen zijn manschappen op het plein voor
den pagger in slagorde plaats namen, voorzag hij hen van nieuwe
ammunitie en wachtte alzoo het antwoord des Soesoehoenans af.
Lang bleef de Opperkoopman niet weg, hij keerde terug met de boodschap,
dat de Soesoehoenan niet te vinden was, daar de onverschrokken held
zich op de vlucht bevond. Van Vliet, die echter de streken der Javanen
kende, liet zich niet afschrikken en zond den luitenant naar binnen om
den keizer te zoeken. ’t Duurde niet lang of Zijn Hoogheid verscheen
weer; bleek en ontdaan, gaf hij in krachtige termen zijn voornemen te
kennen om den muiteling Soerapati achterna te zetten en riep nogmaals
dringend de hulp der Compagnie in tegen den woesten roovershoop.
Van Vliet antwoordde vrij barsch, dat het zijn werk niet was zelf tegen
oproermakers te velde te trekken; hij had hulp genoeg en de Hollanders
zouden hem, als hij ’t werkelijk goed met hen meende, wel kunnen
beschermen; de Opperkoopman keerde naar den pagger terug en gaf verslag
van zijn zending.
„De loosheid van dat gebroed kent geen grenzen,” sprak hij. „Als ik u
een raad geven mag, Heer Commissaris, hak er dan maar lustig op los, en
neem den ouden gluiperd gevangen. Hij voert iets tegen ons in het
schild.”
„Maar ’t kan ook wezen, Heer Van Vliet, dat hij werkelijk in
benauwdheid zit; ’t is gevaarlijk spel tegen den keizer van Mataram
vijandig op te treden. Mijn instructie zegt daar niets van, zij
schrijft mij vredelievende maatregelen voor tot de uiterste grenzen;
wij moeten hem op zijn woord gelooven.”
„UEd. heeft genoeg gezien hoe valsch en laf het Javaansche volk is;
toen met den opstand van Troeno-Djojo hebben wij toch gezegevierd.”
„Omdat wij toen met den keizer en met het volk streden, nu zouden wij
èn tegen keizer èn tegen volk moeten optreden. Van alle kanten omringt
ons de overmacht. Wij zijn slechts in betrekkelijk klein getal; het
veiligste is het keizerlijke woord te gelooven en te trachten den
Balinees in handen te krijgen.”
Van Vliet haalde de schouders op en sprak slechts:
„Moge het u niet berouwen!”
De Commissaris zond nu kapitein Grevink met een vijftal mannen naar het
hof om den persoon van den keizer te bewaken. Intusschen schenen de
vlammen naderbij te komen; Soerapati was in den kraton en verspreidde
overal waar hij ging schrik en ontzetting; de Hollanders bleven een
afwachtende houding bewaren, totdat plotseling de gouverneur van Japara
Adipati Oerawan te paard kwam aanrijden en in hevige ontroering
uitriep:
„Help ons Edele Heer, de muiters zijn ten oosten van het hof, zij
zetten alles in vuur en vlam; het zal gemakkelijk zijn hen nu te
overmeesteren.”
„Wijs mij dan den weg!” beval hij den Adipati, droeg aan luitenant
Eygel op met zijn manschappen bij den pagger de wacht te houden en
snelde in vollen galop aan het hoofd der drie compagnieën voort in de
richting, welke de gouverneur van Japara naast hem rijdend aanwees.
Met vollen trommelslag rukten de soldaten voorwaarts ten oosten van het
keizerlijke hof; inderdaad zag men daar de huizen in brand staan. De
luitenant van der Meer reed vooruit maar ontdekte nergens sporen van
den vijand.
„Ik vrees dat we verraden zijn,” zeide Commissaris Tak, en zich tot den
Adipati wendend riep hij vertoornd uit: „gij hebt mij opzettelijk
belogen.”
„Neen Edele Heer! Allah weet dat ik ter goeder trouw meende dat de
Balineezen het oostelijke gedeelte van den Dalem hadden aangevallen;
men kwam het mij uit het paleis zeggen.”
„Addergebroedsel!” mompelde de Commissaris, „zij weten zelf geen logen
van waarheid te onderscheiden.”
Hevig geweervuur deed zich achter hen hooren; zeker was men binnen het
hof slaags geraakt. Tak keerde zich om en zag rookwolken, gelekt door
vurige tongen hoog in de lucht zweven.
„De missigit staat in brand!” riep de Adipati uit, „de vijand is dus op
de aloen-aloen!”
„Terug, terug naar de pagger der Compagnie!” kommandeerde Tak,
„spoedig, spoedig!”