„Op zekeren dag gebeurde het dat de dappere Baron Soekmoel de zoon van

den rijken koopman Kawit Paroe, die de Compagnie gesticht had, met zijn

dertien zonen, op de reede van Djakarta aankwam. Hij had tien schepen

bij zich, bevracht met allerlei koopwaren. De bewoners van Djakarta

waren vol van verbazing, zij zetten hun oogen wijd open en snelden naar

het strand; nog nooit hadden zij zooveel prachtige zaken gezien. Baron

Soekmoel wilde hun alles verkoopen en zoo gaven de bewoners van

Djakarta alles wat zij hadden om de heerlijke koopwaren van den

vreemdeling in hun bezit te krijgen. En allen verheugden zich want

rechts en links werden de vreemdelingen bedrogen en nog meenden zij

zeer voordeelig gekocht te hebben, en de groote Soekmoel bezocht den

Pangeran van Djakarta, en deze verwelkomde hem met groote vreugde; hij

richtte feestmalen aan en liet de wajangs spelen, den tijger tegen den

buffel vechten en allen juichten omdat men zooveel en zoo goede winst

had gemaakt; het eiland Odroes had Soekmoel gekocht voor duizend

realen.

„En toen hij er bezit van ging nemen zag hij de gevangen prinses en

bemerkte dat zij schoon was, want heur lokken waren zwart als de nacht

en haar ooren waren als ontloken bloemen, en haar gelaat als de volle

maan, zij was welriekend als de sokabloem.

„En Baron Soekmoel dacht bij zichzelf: Mijn oogen kunnen zich niet

verzadigen met haar aan te zien en hij vroeg haar overluid: „Zeg mij

schoone vrouw, wiens dochter zijt gij?”

„En de prinses antwoordde:

„Heer, mijn ouders waren de afstammelingen der machtige vorsten van

Padjadjaran, maar ik ben een ongelukkig schepsel, de gevangene van den

Pangeran van Djakarta, mijn naam is Tanoeraga en sedert drie jaar breng

ik hier mijn dagen en nachten in zuchten en gebeden door.”

„Toen keerde Baron Soekmoel terug naar Djakarta en vroeg den Pangeran:

„Waarom houdt ge prinses Tanoeraga gevangen?”

„Omdat zij een afstammeling is van de vorsten van Padjadjaran en ik

bevreesd ben dat haar aanhangers mij verdrijven zullen uit mijn rijk.”

„Ik heb de prinses gezien,” zei Baron Soekmoel, „en mijn hart is

bekoord door haar schoonheid. Als ik haar niet verkrijg, dan zal ik

niet van hier gaan. Wilt ge mij haar schenken dan zal ik u drie stukken

sterk geschut in ruil voor haar afstaan, zoo niet, dan word ik uw

vijand en zal door geweld verkrijgen wat gij aan goede woorden

weigert.”

„De Pangeran verzonk in gepeins en raadpleegde zijn mantri’s en dezen

rieden hem aan de prinses te geven in ruil voor de kanonnen en ik heb

twee van de drie kanonnen gezien en dat is een bewijs voor de waarheid

mijner woorden; een wordt bij den sultan van Bantam bewaard en een door

den vorst van Tjeribon, terwijl het derde hier de aloen-aloen van den

machtigen keizer van Mataram versiert.

„Baron Soekmoel haalde nu de schoone prinses Tanoeraga van het eiland

en huwde haar met groote plechtigheid. Zeven dagen duurde het feest en

van alle kanten stroomden de gasten, niemand kon zulk een feest geven

want Baron Soekmoel was rijk. Zijn schepen waren beladen met kostbare

koopwaren. Toen de bruiloft geëindigd was, scheepte Baron Soekmoel met

zijn vrouw zich in op het grootste en schoonste zijner schepen en

vertrok weer naar zijn land.

„En na eenigen tijd werd hem een zoon geboren, met een gelaat zoo

schoon als de dag; zijn kleur was goudgeel als de schil van den langsep

maar zoo fijn dat het rood van het bloed en het blauw der aderen er

door schemerde, met oogen schitterend als de morgenster en zoo blauw

als de hemel, met een hals zoo blinkend als een zilveren waterkruik,

met vingers fijn als de stekels van een stekelvarken, en toen hij

opgroeide werd hij krachtig en slank als de klapperboom, zijn handen

waren sterk als de greep van den tijger en zijn oogen straalden als de

zon; hij was dapper en bedreven in den wapenhandel en zijn ouders

hadden hem Moer Djang Koeng genaamd; weldra vervulde zijn roem alle

landen aan gene zijde van de zee, maar zijn hart was niet tevreden.

„Hij zag dat zijn kleur anders was dan die zijner vrienden en dat hij

een schoonheid bezat geheel verschillend van de hunne. En daarom vroeg

hij eens: „Moeder, waarom is mijn kleur niet zoo wit als het vleesch

van de kokosnoot; waarom ben ik zooveel sterker en moediger dan allen

die ik ooit zag?”

„En de moeder antwoordde:

„Omdat mijn land niet dat uws vaders is;” en zij verhaalde hem hoe de

Pangeran van Djakarta haar wreed mishandeld had en hoe Baron Soekmoel

haar gekocht had voor drie stukken geschut. En het hart van Moer Djang

Koeng werd door toorn bewogen en hij sprak:

„Dan zal ik naar Java gaan en den Pangeran van Djakarta tuchtigen.” En

tot zijn vader zeide hij:

„Vergezel mij niet, want alleen zal ik den tocht volbrengen.” En nu

werden vijftien schepen uitgerust, vijftien groote, met koper beslagen

schepen, vijf met handelswaren beladen, vijf met kogels en kanonnen en

vijf met krijgsvolk; men zeilde nacht en dag door totdat men eindelijk

Djakarta bereikte.

„De Pangeran ontving Moer Djang Koeng vriendelijk en al zijn vrouwen

mochten hem gaarne lijden, want hij schonk haar fraaie geschenken en

bepaalde geen prijs voor alles wat hij verkocht. Hoe weinig men hem ook

betaalde, altijd was ’t hem goed.

„En hij pachtte voor duizend realen een stuk grond en bouwde daarop een

vesting; de Javaansche vrouwen zagen de blanke mannen gaarne en velen

traden met hen in het huwelijk, maar de dappere Moer Djang Koeng vergat

zijn wraakzuchtige plannen niet; hij overwoog ze en bewaarde ze diep in

zijn hart. En eens gebeurde het dat hij twist kreeg met den Pangeran en

deze vluchtte weg naar de streek genaamd Goenong Sari, waar hij zich

verschanste achter een dikke haag van bamboe doeri (stekelriet).

„De Hollanders verheugden zich zeer en bouwden zich nu een tweede

vesting, zij stapelden hun kruit en lood op, bergen hoog en weldra

begon een hevige strijd; uit de lucht kwam de broeder van den Pangeran

de Hollanders aanvallen, toen zij met hun kogels den vijand tot achter

zijn verschansingen voortdreven. Alle hoop voor de vreemdelingen scheen

verdwenen, doch zie! daar komt hulp opdagen. Baron Soekmoel snelt zijn

zoon ter zijde; met drie goed uitgeruste schepen verschijnt hij op de

reede van Batavia en overziet den toestand.

„Mijn zoon,” zegt hij, „hier baten geen kogels, maar waar sterkte

faalt, daar gebruikt men list; nog jaren kan de Pangeran van Djakarta

uw kogels tarten achter zijn haag van bamboe, in zijn vesting Goenong

Sari, maar ik zal hem kogels zenden, die zij niet zullen weerstaan.”

„En Soekmoel gaf bevel de kanonnen te vullen met gouden dukaten en

zilveren rijksdaalders en deze op Goenong Sari af te schieten.

Nauwelijks hadden de Djakartanen gezien hoe de muntstukken tusschen de

bamboestengels vielen, of zij vergaten geheel en al te strijden, rukten

de halmen uit den grond om het geld op te rapen. Het duurde niet lang

of de geheele bamboeshaag was uitgerukt. De kanonnen werden met kogels

geladen en weldra werd de Pangeran met zijn aanhangers verdreven naar

het gebergte, de Compagnie daarentegen...”

Soerapati richtte zich plotseling op en luisterde, de dwerg zweeg en

allen wendden het hoofd om; het zand kraakte licht onder de stappen van

twee mannen, die behoedzaam het huis naderden en weldra ook in de

galerij verschenen.

Hij ging hen te gemoet; bij het flikkerend lampje, dat tegen een der

stijlen geplaatst was, herkende hij den Rijksbestuurder en den

Kroonprins.

„Ik moet u spreken,” zeide Amirang Koesoemo haastig, „het is een zaak

van groot gewicht, die mij tot u voert, zoo laat in den avond.”

„Laat ons naar binnen gaan,” sprak Soerapati en boog zich diep voor den

pleegvader zijner vrouw en voor den prins.

Zij traden binnen en bemerkten nu dat Radhen Goesik hen gevolgd was.

„Vader,” zeide zij, „er dreigt mijn man een gevaar! Ik heb het dezen

avond kunnen hooren aan het gekir mijner tortelduiven, die waarschuwend

klaagden; mijn hart was gevuld met tranen, die niet konden opstijgen

tot aan mijn oogen. Wat dit gevaar ook zij, ik wil het deelen en hoe

zal ik het kunnen deelen, als ik het niet ken?”

„Mijn dochter heeft gelijk. Een groot gevaar bedreigt niet alleen uw

gemaal maar den keizer en geheel Mataram om hem; wij moeten het

bezweren en daartoe hebben wij ook uw raad van noode; uw oog ziet

scherp en uw geest is helderder dan die van menig man. Sta haar dus toe

Soerapati, onze beraadslagingen bij te wonen.”

„Niets zal mij liever zijn; de zaken van den man zijn ook die van de

vrouw. Van waar dreigt het gevaar, edele prins? Komen de Hollanders mij

opeischen?”

„Gij hebt recht; de Compagnie neemt haar maatregelen en zij schijnt het

ernstig te meenen. Zij heeft een gezant, Toewan Tak genaamd, afgezonden

naar Samarang, om van daar uit zich naar Mataram te begeven en het doel

hunner zending is, den Soesoehoenan aan te sporen zijn schuld te

betalen en ook het tractaat niet te overtreden, waarbij hij zich

verbond geen vreemdelingen in zijne landen toe te laten.”

„Is dit alles?”

„Ge begrijpt wat deze laatste bepaling meent, uw uitlevering.”

„Wat zal de keizer antwoorden?”

„De keizer wil vier mantri’s naar Samarang zenden om den gezant te

begroeten en hem tevens over zijn plannen te polsen. Hij heeft den

kapitein der lijfwacht reeds zijn vrees te kennen gegeven over de komst

van den gezant, maar deze stelde hem gerust en antwoordde dat de

Compagnie hem gezonden had alleen om met den keizer over den welstand

van het rijk te spreken.”

„Als de gezant hier komt kan ik niet blijven,” zeide Soerapati beslist,

„wat wil de keizer dat ik doe?”

„Datgene, waartoe gij moed hebt,” antwoordde de Kroonprins.

„Is er meer moed noodig tot den strijd of tot de onderwerping?”

„Onderwerping,” riep Radhen Goesik onstuimig, „wat bedoelt gij daar

mee? Wilt gij weer slaaf worden?”

„Als de Compagnie vrede met mij sluiten wil, dan ben ik bereid mij op

voorwaarden over te geven.”

„Dwaze die ge zijt! Kent gij de Hollanders nog niet genoeg om ze zoo

goed te vertrouwen? Met schoone beloften zal men u vleien en indien gij

in hun macht zijt, wie weet welk lot u dan wacht. En dat lot zal ik dan

met u deelen? Nimmer, ik heb mijn eersten man verlaten omdat hij een

lafaard was, met u zal ik ellende en armoede deelen, maar geen

slavernij!”

„Ge spreekt zooals het mijn dochter past, Koesoema,” hernam de

Rijksbestuurder goedkeurend, „het hangt van uw gemaal af, wat hij wil

doen. Heeft hij moed om zich te verzetten, dan moet hij den Kroonprins

blindelings gehoorzamen en zoo niet dan moet hij onmiddellijk vluchten,

een middenweg staat niet open. De Hollanders zullen hem een vreeselijk

lot toedenken als hij in hun handen valt. Kies dus Soerapati, wat wilt

ge, vlucht of strijd?”

„Ik ben nooit gevlucht, voor wien dan ook; als de keizer mijn arm

noodig heeft zal ik voor hem strijden; voor mijn Balineezen sta ik in.”

„Luister dan! Het is de wensch van den Soesoehoenan dat gij hem tot

lijfwacht verstrekt; blijf voorloopig dus op uw post.”

„En als de gezant aandringt op mijn uitlevering, als hij geen vrede wil

sluiten met den keizer dan na ontvangst van mijn hoofd?”

„Mijn zoon, tegenover geweld kan men geweld stellen maar ongelijk zijn

de wapens, als men zich bedient van veinzerij.”

„’t Is het wapen van den hoveling maar niet van den soldaat.”

„Gij behoeft er u ook niet van te bedienen, laat mij het voeren!”

„Vertrouw mijn vader, Soerapati!” riep Koesoema uit.

„Hij meent het goed met u, doe zooals hij zegt,” verklaarde de

Kroonprins.

„Verwonder u dan niet zoo schijnbare ongenade u treft, zoo èn keizer èn

prinsen uw partij schijnen te verlaten; bedenk dat alles voor uw

bestwil is en voor het heil van het keizerrijk.”

„Veinzerij is een tweesnijdend wapen. Ik vrees het meer dan honderd

eerlijke lansen; men weet niet hoe ’t treffen kan, daar het doel steeds

verborgen blijft.”

„Zeg ons dan oprecht vader wat ge wilt,” drong Koesoema aan.

„Wat ik wil,” en onder des Rijksbestuurders dikke wenkbrauwen schoten

zijn kleine oogen vonken vuur, „wat ik wil, den Hollander verdrijven

uit het hart van Java, waarop hij zijn hiel heeft gezet na

Troeno-Djojo’s heilloozen opstand, hem de macht ontnemen, die hij zich

toegeëigend heeft, dank onze onderlinge twisten, hem toonen dat wij

zijn hulp kunnen missen en ontslagen willen zijn van alle schuld jegens

hem. Verstaat ge mij? Naar dit doel streef ik, en om dit te bereiken

zal ik mij van alle wapens bedienen van geweld zoo goed als van

veinzerij! En als Soerapati mij bijstaat dán zal ik slagen, dan zullen

wij weer eenige meesters zijn in ons land.”

„Ik begrijp niet hoe gij tot dit doel zult geraken.”

„Laat het mij over!” sprak de Rijksbestuurder geheimzinnig, „ik weet

dat gij en uw Balineezen onverschrokken en dapper zijt; laat mij

rekenen op uw hulp! En nu voor dezen avond genoeg!

„Gij zijt gewaarschuwd! Verzamel al uwe Balineezen en blijf de

Zuiderpoort van den kraton bewaken.”

Weinige oogenblikken later waren de Prins en de Rijksbestuurder

vertrokken en Soerapati bleef alleen met zijn vrouw.

VI.

COMMISSARIS TAK.

Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het

gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein

Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; twee compagnieën

soldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.

In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn

hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was

zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens

om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in

Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den

top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle

aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen,

terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit

terug te ontvangen.

Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en

rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze

beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote

Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls

drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek.

De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen

verwijderd van de eerste poort, die toegang gaf tot het rijk van

Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar

Samarang mocht trekken.

Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig

landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich

uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht

aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen,

waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.

De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl

zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine

rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna

ongeloofelijke vruchtbaarheid.

Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den

tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in

Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden

dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den

Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den

kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen

aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:

„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand

zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst

zijns zoons.”

De Commissaris antwoordde:

„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik

hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn

onderdanen.”

„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets

te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn

broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en

niet al te slecht.”

„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”

„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk

en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich

heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar

geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den

keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”

Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige

bescheidenheid de oogen neersloeg.

„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,”

antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den

voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot

woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig

in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En

hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem

met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”

„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja,

„hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten

slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met

zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet

tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich

van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”

„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram

geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd

tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter

dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij

dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare

mannen van Karta-Soera?”

„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen,

„dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen,

maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de

Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet,

maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”

„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een

bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn

tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij

door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood

of levend in mijn handen is gesteld.”

„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij

zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”

„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat

Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben

vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk

geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den

Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant

Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer

geschreven?”

„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd

niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak

gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den

Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men

voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis

gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders

komen dan om een vriendschapsbezoek.”

„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”

„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had

gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling

der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen,

zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink

heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde

hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of

hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn

als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”

„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij

den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk

verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men

steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor

duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige

oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van

Grevink ontvangen?”

„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit;

hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand

van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk

gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig

tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn

vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die

tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”

De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper

krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen

verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij

eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de

opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval groote

staatsmanswijsheid getoond en der Compagnie eveneens groote diensten

bewezen; nog onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van

ernstige onlusten in Madura voorkomen.

De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen

beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe

veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van

meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven;

hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder

moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige

werkzaamheden hij gelukkig voleind had.

Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij

de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner

achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar

zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de

Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou

afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot

344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000.

Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer

onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne

mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle

„vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”

Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar

grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de

onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het

had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om

persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook

dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.

Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop ook nog

een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich

tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te

gedoogen, eenige Makassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten

wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”

In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze

vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het

gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden

blijven des Soesoehoenans onderdanen.”

Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van

Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste

eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der

minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de

opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen,

dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij

zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering

te vernederen.

„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak

na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in

handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee

verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”

„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten

minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan

Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 8 / 30 段