Van alle zijden stroomde het volk naar Karta-Soera’s kraton; langs de

landwegen zag men de schitterende stoeten der naburige edelen trekken,

omgeven door hun tallooze volgelingen en de niet minder talrijke

scharen der landlieden, want er was feest in het keizerlijke paleis.

Twee prinsessen tot het hooge huis van Mataram behoorende zouden in den

echt vereenigd worden, de ééne met een zoon des keizers, de andere met

een onbekend man, doch van wiens dapperheid en moed wondere verhalen

door het volk gingen. Hij was ook een prins, spraken zij, van machtigen

stam, maar als kind uit het paleis zijner ouders in slavernij

weggevoerd, thans echter zou de groote Soesoehoenan hem zijn

oorspronkelijken rang teruggeven.

Het plein, dat zich tegenover de reusachtige pendoppoh schitterend van

verguld snijwerk en gloeiende kleuren, uitstrekt, is opgevuld met een

eerbiedig neergehurkte menigte; in de pendoppoh zelf bevindt zich de

hofhouding des keizers, zijn uitgebreide familie en rijksgrooten.

Vonkelend van goud en diamanten troont de heerscher van Mataram op zijn

ivoren troon met rood fluweelzijden zitting, achter hem zitten de

hofdames, waarvan eenigen de keizerlijke rijkssieraden dragen; zij zijn

omstreeks driehonderd in getal en in het voorgeschreven galagewaad

gekleed, dat ook voor de mannen hetzelfde is; een kaïn die tot over den

boezem reikt en hals en schouders bloot laat; deze zijn echter met de

goudgele keizersverf bestreken, terwijl een breede band van bonte

kleuren om den hals der draagsters geslingerd is.

De rijkssieraden of poesaka’s bestaan uit twee soorten; de meest

eerbiedwaardige zijn die, welke slechts dienen tot opluistering van ’s

keizers tegenwoordigheid, en geheiligde dieren voorstellen. Ze zijn

allen in massief goud en worden aangeduid als de vogel Garoeda, het

heilige symbool van den hindoeschen God Vishnoe, de Sawoeng-galing of

haan, en de fabelachtige Arda-walika half mensch half slang, twee

olifanten, de kidang of reebok en de gans.

De andere voorwerpen worden den keizer steeds nagedragen als hij den

kraton verlaat, daar zij tot zijn bijzonder gebruik strekken of heeten

te strekken; de altijd opgerolde gouden mat; de waaier van

paradijsvogel- en pauwenveeren, zijn gouden opiumpijp, zijn wandelstok

en sirihdoos, zijn met goud ingelegde zilveren kleerkist, zijn gouden

kam en toiletdoos, een met water gevulde hoorn tot verfrissching van

zijn paard, en eindelijk zijn rijk met juweelen versierde wapens,

pijlkokers en boog, schild, zwaard en vijf en twintig lansen.

De andere vrouwen zijn de amazonen, die in haar gewone houding op een

knie rustend, in een halven cirkel achter den vorst geschaard liggen.

Het is een schouwspel vol oostersche pracht en majesteit, de stralen

der zon hullen den in volle heerlijkheid tronenden monarch in een

oogverblindend licht en met hem die eerbiedig neergehurkte massa volks

in de goudkleurige verf van het hof, die gebouwen schitterend van

kleuren en verguldsel. De vorstelijke gamelan met zijn heldere klanken

verbreekt de algemeene stilte; op een wenk des keizers wordt een slag

gegeven op een der groote koperen bekkens, die in de pendoppoh hangen

en een oogenblik later verschijnen aan den tegenovergestelden ingang

van het plein de hoogepriester of panghoeloe aan het hoofd zijner

priesters, die de beide vorstelijke bruidegoms omringen.

De priesters dragen hun deftig en toch sierlijk ambtsgewaad; een groote

tulband bedekt het hoofd, een lang wit kleed valt in statige plooien

tot aan den grond, en wordt slechts van voren open gelaten door den

overhangenden kaftan van gele of purperen zijde; het bruidsgewaad der

beide bruidegoms is gelijk aan het galatoilet der hovelingen, een wit

zijden koeloek siert hun hoofd, waarvan bloemketens afdalen over hals

en schouders, een lange fraaie Solosche sarong is om hun lendenen

vastgemaakt met een geelzijden sjerp, waarvan de slippen tot ver over

de knieën reiken, en die een met diamanten versierde kris half

verbergt; het bovenlijf glinstert van de keizerlijke goudverf.

De krachtige gestalte van Soerapati komt in deze min of meer verwijfde

tooi niet tot haar recht; de dappere krijgsman voelde zich benauwd

onder die geuren van bloemen en verf; te midden van al die glans en

pracht verzuchtte hij naar het vrije leven der bosschen, en zelfs de

gedachte aan zijn vorstelijke bruid was niet in staat dien wensch tot

zwijgen te brengen.

Allen werpen zich ter aarde totdat een wenk des keizers hen beveelt

naderbij te komen; al kruipend doen zij eenige stappen en wachten een

tweeden wenk af, eindelijk na den derden zijn ze aan den voet der

trappen van de pendoppoh aangekomen; telkens op een nieuwen wenk van

den vorst komt de stoet nader tot hij zich eindelijk aan zijn voeten

bevindt, daar zetten de bruidegoms zich met de beenen onder het lijf

geslagen neer op een matje, terwijl rechts en links van hen de

priesters op dezelfde wijze plaats nemen.

„Selamat milaïkum!” zegt de keizer op luiden toon. Allen buigen zich

ter aarde en herhalen als echo’s de laatste lettergrepen van het woord;

dan voegt de panghoeloe de handen samen, heft ze omhoog tot het

voorhoofd, laat ze zinken en buigt zich diep voor den keizer, nu neemt

hij de rechterhand van den bruidegom in de zijne, spreekt het

huwelijksformulier uit, en besluit het met de bede:

„O God! vereenig dit nieuwe paar door den band des huwelijks, gelijk

Gij het water met den dauw vereenigt, want Gij, o liefderijke God!

schenkt Uwe liefde aan degenen, die u beminnen.”

Soerapati sidderde bij het hooren dezer woorden; het waren dezelfde

waarmede zijn oude vriend hem eenmaal verbonden had aan het Hollandsche

meisje, dat hem ontrouw geworden was. De Hadji’s zongen nu een gedeelte

van den koran op het huwelijk betrekking hebbende:

„Alle aanbidding aan Allah!

„Wij smeeken Allah dat Hij ons helpe en vergeve, en wij stellen ons

onder de hoede van Allah vanwege de onreinheid onzer harten en onzer

werken. Als Allah den mensch leidt, dwaalt hij niet af; maar als Allah

hem loslaat, vindt hij den weg des geloofs niet....

„De Heer Allah heeft den mensch het huwelijk toegestaan, maar het

overspel is verboden en reeds is zijn straf gereed voor den schuldige.

„Denkt er aan uw Heere God te vreezen, die U allen uit een lichaam

heeft geschapen; Hij vormde één mensch en schiep zijne vrouw, en Hij

deed uit een paar, den profeet Adam en zijn moeder Hewa, vele mannen en

vrouwen voortkomen.

„Vreest Allah en bidt tot Hem met uw huisgezin, want Allah is boven u,

en ziet uw werken.

„En Allah zegt: Gedenkt, geloovigen, God te vreezen, en spreekt zacht

en goed tot uw evenmensch. Dit alles zal uwen weg tot heil worden, en

Allah zal uwe zonden vergeven. Al wie God en zijn gezant gehoorzaamt,

zal groot geluk ontvangen.”

Een der prinsen nadert de bruidegoms en neemt hen de krissen af; want

niemand mag gewapend in Allah’s tegenwoordigheid verschijnen.

Opnieuw buigen zich allen voorover en gezamenlijk bidden zij halfluide

een driemaal herhaalde bede.

„Wij vragen U vergiffenis, o God, die zoo groot zijt!”

En nu spreekt de opperpriester de woorden uit die hen vereenigen

moeten; de bruidegoms antwoorden dat zij de echtverbintenis aanvaarden,

met de handen geopend als om een gave uit den hemel te ontvangen bidden

de priesters en getuigen:

„Geef ons zegen o God, geef ons zegen o God, Amin!” En de geheele

vergadering herhaalt „Amin.”

Het huwelijk is gesloten en nu is het aan de bruidegoms de keizerlijke

voeten te kussen; de krissen worden hen teruggegeven en weinige

oogenblikken later vertrekken zij weer door de priesters omgeven.

’s Middags is het de bruidsreceptie in de kapatijan (de woning van den

Rijksbestuurder) die in een rijken dos van bloemen en groen prijkt. Op

een verhevenheid tronen bruid en bruidegom. Zij opgesierd in het

omslachtige bruidskostuum, de gitzwarte lokken over het voorhoofd

gekamd en versierd met zilveren platen, het achterhoofd getooid met een

schat van juweelen spelden en geurige natuurlijke bloemen, gelaat, hals

en schouders met de goudgele verf bestreken, armen, handen en enkels

belast met gouden ringen, opgelegd met tallooze juweelen, de weinige

kleederen die haar lichaam bedekken, schitterend van kleuren en rijk

aan weeke plooien vol smeltende wederglansen. Zij houdt de wimpers

volgens Javaansch gebruik neergeslagen, maar het kost haar moeite de

oogen niet op te heffen tot den bruidegom, die naast haar zit en de

gedachte aan wien haar geheele ziel vervult; ook hij onderwerpt zich

zwijgend aan het lastige, vervelende ceremonieel, dat eindelooze uren

voortduurt.

Wirajoeda fluisterde Kiai Hemboong in:

„Onze dappere hoofdman zou ook liever een verren rooftocht ondernemen

dan zulk een dag nogmaals te doorleven.”

Kiai Hemboong’s gelaat drukte echter groote zelfvoldoening uit.

„Hij heeft al een grooten weg gemaakt; Sie Oentoeng, de slaaf,

echtgenoot thans van een keizerlijke prinses, nicht van den

Soesoehoenan!”

„De weg is nog niet half afgelegd,” grinnikte Boeloe Kidoer, de dwerg.

Het feest was in vollen gang, gamelan en paukenslag vervullen de lucht,

hanengevechten, vliegervermaken, wedloopen werden op verschillende

plaatsen in den kraton gehouden; bij den Pangeran Adipati Amirang

Koesoemo dansten echter de Keizerlijke bayadères, Serimpi’s genaamd,

die negen in getal zijn en tot de eerste schoonheden van het hof

gerekend worden; zij behooren tot de voornaamste familiën en ook velen

harer zijn bijvrouwen des Keizers.

Heur haar is doorvlochten met juweelen en met bloemen opgesierd; de

borst bedekt met een zijden doek van glinsterende kleuren, waarop drie

gouden halve manen vallen, een slendang is om het middel geslingerd en

moet haar straks helpen de bevallige figuren van den dans uit te

voeren; de wijde sarong naar een bijzonder patroon vervaardigd, die

niemand anders dragen mag, golft in wijde plooien ter aarde, en is met

goud of zilver doorstikt.

Breede gouden banden omsluiten den boven- en onderarm, een dergelijke

band houdt den sarong op; het licht der toortsen hult hen in een

tooverachtig licht en strooit tallooze vonken in het goud en de

edelgesteenten, die de danseressen tooien; zij flikkeren en dansen bij

elk der langzame afgemeten bewegingen, die zij in haar verschillende

figuren maken.

De Keizer, die tegenover het bruidspaar op zijn troon zit volgt met

blijkbaar genot den dans die twee volle uren duurt; soms klapt hij in

de handen en moedigt haar tot een wedstrijd aan. De danseressen van den

Rijksbestuurder en de andere grooten kwamen zich nu ook met de

Serimpi’s meten, totdat eindelijk diep in den nacht de bruidegom zich

terugtrok met zijn gezelschap en de bruid eindelijk van de lange en

vermoeiende zitting in de kapoetren haars pleegvaders ging uitrusten.

„Wat hebben ze daarbinnen toch een drukte gehad!” zei kapitein Grevink

den volgenden morgen tot zijn vaandrig.

„Dat wil ik gelooven, kapitein, ze hebben bruiloft gehouden. De oude

Koesoemo heeft een dochter of nicht van hem uitgehuwelijkt tegelijk met

den neef des Keizers.”

„En wie is de andere bruidegom?”

„Ik heb hooren zeggen, dat het een weggeloopen slaaf moet zijn maar

dien de slimme Koesoemo onder hooge bescherming heeft genomen. Hij

heeft een troep Balineezen onder zich.”

„Het zal toch Soerapati niet wezen?”

„Ik meen dien naam gehoord te hebben, ’t is dezelfde kranige vent dien

we op de Senènan voor ’t eerst hebben gezien.”

„Dat moet ik onderzoeken!” riep Grevink bleek van toorn, „’t wordt hoe

langer hoe erger; die nikkers verbeelden zich dat zij alles mogen doen.

Soerapati is dezelfde kerel die in den Preanger Kuffeler bijna in ’t

stof had doen bijten, en nu haalt de Soesoehoenan hem met zoo’n statie

in zijn kraton. Daar moeten we meer van weten, dat is schending van het

contract. Houd een oogje open, vaandrig.”

„Ik zal er mijn best voor doen, kapitein!”

V.

HET VERHAAL VAN DEN DWERG.

Ten Zuiden van den kraton van Karta-Soera bevindt zich, geheel omgeven

door een vruchtbare streek vol rijstvelden, de kampong Babirong; lanen

van tamarindeboom en met hun sierlijk fijn gebladerte voeren daarheen;

de huizen zelf zijn omsloten door een dichte bamboehaag, waarin eenige

openingen de poorten vormen, die toegang geven tot het dorp zelf.

Hooge boomen overschaduwen de huizen; de verschillende soorten van

palmen wuiven zachtkens hun met vruchten beladen kruinen heen en weer;

andere vruchten gloeien tusschen het donkere groen. De ramboetan en

djamboe, de manga en de salak beloven hun milden oogst aan de bewoners

der huizen, die zij nu verkwikken met de schaduw van hun dik, schier

ondoordringbaar loof.

De avond is aan het vallen, kalmte en vrede heerschen tusschen de

huizen, die eenvoudig van bamboe gevlochten zijn, en in de kleine

tuinen welke door loentashagen van die der buren afgescheiden zijn; de

bewoners zitten in kleine groepjes onder hunne afdaken, de kinderen

spelen op den zandigen grond. Hun gejoel is schier het eenige dat de

stilte verbreekt; als ze straks naar binnen kruipen om zich op de

baleh-baleh, het gemeenschappelijk ledikant der familie, uit te

strekken, dan hoort men nog alleen duidelijk het vertrouwelijke kirren

der perkoetoets, de lievelingsvogels van den Javaan, die hij in

kooitjes ophangt aan zijn afdak of wel omhoog hijscht aan een

bamboestaak.

Nu en dan sluipt een grauwe kat over de paden om dadelijk weer zoo snel

mogelijk in een heg te verdwijnen; hier en daar hinnikt een paard

eenvoudig aan een boom gebonden, waarvan zijn bos gras afhangt; achter

de huizen in den modder zijn de buffels gestald, waar ze uitrusten van

hun zwaar dagwerk. Alles rust nu uit, de stemmen der pratenden klinken

zacht en eentonig, om niet te zeggen toonloos; ’t is het zoete

nietsdoen, waarvan de bewoner van het Noorden zoo weinig het zoete

begrijpt en dat den Javaan in staat stelt de hitte en den gloed van den

dag te tarten.

Midden in het dorp stond een aanzienlijke woning, versierd met

geschilderde en uitgesneden stijlen, bijna geheel verscholen onder

bloemdragende boomen; de tandjoeng strooide haar witte stervormige

bloemen over den grond, de vuurroode bloemen der soka schitterden in

het donkere groen, de oleander prijkte met zijn witte en roode rozen;

de zoete geur der groen en geelachtige kenangan mengt zich met de meer

scherpe van de gouden tjampaka’s en wordt nog overtroffen door de op

oranjebloesem gelijkende sneeuwwitte melatis en de soedepmalem; de tuin

die deze woning omringt is geheel en al een bloemenhof, over dag komen

de witte, roode, gele, blauwe, paarsche bloemen helder uit tegen het

sappige groen der heesters; dan bloeit en wasemt alles onder de schaduw

der hooge boomen, nu zijn het alleen de bedwelmende geuren die de

weelde der oostersche bloemenpracht verraden.

Dit dorp was door den Keizer van Mataram aan Soerapati en zijn

Balineezen tot verblijfplaats aangewezen, de omliggende rijstvelden

waren hun ter bebouwing gegeven, daarvoor moesten zij hem tot lijfwacht

strekken, zoo dikwijls als zijn keizerlijke wil het verlangde.

Het was Radhen Goesik’s pleegvader, die alles zoo geregeld had; het was

niet moeilijk zijn geheim doel te raden; Radhen Adipati haatte de

Hollanders, niets verlangde hij meer dan zijn Keizer te verlossen van

de zware schuld der dankbaarheid, die sedert Troeno-Djojo’s val op hem

drukte, en de lijfwacht, welke de Hollanders aan de Noordelijke punten

van Karta-Soera gelaten hadden, overbodig te maken.

De dappere Balineezen waren beter dan iemand in staat den Keizer te

beschermen, en zoo het kon van de gehate vreemdelingen te ontslaan.

Hamangkoe-Rat keurde alles goed wat zijn Rijksbestuurder deed, hij

vertrouwde hem in alles, en zocht slechts zijn eigen genot, waar hij

meende het te kunnen vinden.

Toen kort na het huwelijk der Mataramsche prinses met den Balineeschen

avonturier, de kapitein-luitenant Grevink een opmerking gewaagd had

tegen den keizer, die een vijand der Compagnie niet alleen gastvrijheid

verleende, maar hem zulke groote eer aandeed, antwoordde Hamangkoe-Rat,

aangestookt door den Radhen Adipati, op hooger toon dan hij gewoonlijk

aansloeg:

„Dat het hem vrijstond in zijn kraton te ontvangen wien hij verkoos en

dat het hem onmogelijk was zich van de Balineezen te ontdoen, daar hij

hun reeds te sterke beloften had gedaan.”

Grevink had deze boodschap naar Batavia overgebracht en men besloot

daar alle pogingen in het werk te stellen om het Hollandsche gezag door

den Vorst van Mataram te doen eerbiedigen.

Er gingen echter eenige maanden om en men hoorde niets meer in

Karta-Soera van de plannen der Hooge Regeering; de keizer dommelde weer

in zijn traagheid en onverschilligheid in, maar de Rijksbestuurder

waakte. Soerapati ging op zijn aandringen voort zijn mannen in den

wapenhandel te oefenen; overigens leefden de Balineezen met hun

gezinnen rustig in hun kampong, bebouwden hun landen in afwachting dat

men hun hulp zoude noodig hebben.

Op dien kalmen avond, zat Soerapati met zijn vrouw en enkele dienaren

onder het afdak hunner ruime, fraaie woning; een knaap ontlokte aan de

rebab of Javaansche viool haar weemoedige klanken; Kiai Hemboong hurkte

bij den buitensten rand der galerij neer, schijnbaar in diep gepeins

verzonken. Tegen den muur der woning op een met kussens bedekten divan

zat Radhen Goesik Koesoema; haar welriekende lokken hingen los en als

een fluweelen mantel uitgespreid over haar bloote schouders. Soerapati

lag half uitgestrekt naast haar, zijn hoofd op haar knieën, met

gesloten oogen luisterde hij naar de droomerige klachten van den rebab,

hij was moede teruggekomen van een tocht met zijn Balineezen in het

gebergte gedaan om eenige opstandelingen te vervolgen.

De kalme rust aan de zijde der betooverende vrouw deed hem goed; de

avond noodigde ook slechts tot een kalm genieten uit, de bloemen

vervulden de lucht met hun bedwelmende dampen, zachter en zoeter waren

de geuren, die uit Koesoema’s lokken en kleeren opstegen. Een teeder

koeltje streek in de galerij neer, en zond de weerklanken der

Javaansche viool naar buiten; zacht rustten de fijne met ringen

versierde handen op het hoofd van haar gemaal als wilden zij alle

onstuimige gedachten, alle pijnigende herinneringen daarbinnen tot rust

brengen.

Zij beminde hem nog steeds met een aan aanbidding grenzende liefde; een

liefde, die echter niet gerust kon zijn, want overtuigd was zij nog

niet of zij de Hollandsche vrouw voor goed overwonnen had. Soerapati

sprak nooit meer over zijn verleden; hij scheen zich met hart en ziel

verknocht te hebben aan den Soesoehoenan maar toch, soms verried een

woord, een blik hoe in ’t diepst van zijn hart nog vezelen waren, die

zich vast en schier onafscheidelijk aan de blanken gehecht hadden in

wier midden hij wellicht de gelukkigste en onbezorgdste jaren van zijn

leven had doorgebracht.

Zij was nog steeds Soerapati’s eenige vrouw, hoe trotsch zij er ook op

was dat hij alle andere liefde versmaadde, toch had zij er op

aangedrongen dat hij eenige bijvrouwen zou nemen; hierdoor immers zou

hij de wijdste kloof graven tusschen hem en de Christenen, want de

Hollandsche vrouw was de eenige mededingster op wie Koesoema zich

verwaardigde jaloersch te zijn.

Tegen anderen was zij volkomen bestand door haar schoonheid en scherpen

geest; de herinnering aan die andere alleen maakte haar machteloos.

Soerapati’s verbittering tegen de Hollanders was nooit diep geweest,

dat voelde zij genoeg; Kuffelers mishandeling en Kiai Hemboong’s

onbeschaamde leugen hadden hem overrompeld; zij begreep dat er

oogenblikken waren, zelfs wanneer de Radhen Adipati hem schitterende

blijken van vertrouwen gaf wanneer zelfs Koesoema hem liefkoosde, dat

het hem berouwde met hen gebroken te hebben.

Zou hij nu weer droomen van voorheen, nu hij op haar knieën scheen in

te sluimeren, of was zij het alleen die zijn ziel vervulde?

Zij wenkte Boeloe Kidoer den dwerg, die aan de voeten van den divan

onbeweeglijk als opgerold in een kluwen zat.

„Laat die rebab ophouden, dwerg!” sprak zij, „het maakt mijn hart ziek,

met zijn droevige tonen. Het is nutteloos in treurig gepeins verzonken

te blijven, laten wij ons vermaken opdat onze droefgeestigheid

verdwijne!”

„Zal Kiai Hemboong één van zijn pantoens laten hooren?” vroeg de dwerg.

„Kiai Hemboong is te moe, hij heeft een langen tocht gedaan,” zei

Soerapati bezorgd, „laat hem uitrusten; zijn lichaam heeft evenveel

behoefte aan rust als het mijne.”

„Zal ik u dan eens iets vertellen?” hernam de dwerg, „ik weet ook

mooie, lange verhalen, zij doen den vermoeiden beter rusten, en maken

het zieke hart gezond!”

„Ja vertel op! niet waar Koesoema, gij wilt immers ook wel luisteren

naar Boeloe Kidoer’s sprookjes!”

„Het zijn geen sproken, edele Heer! Het is ’t verhaal van alles wat

werkelijk en waarlijk gebeurd is in het land der Javanen, sinds de

blanke Hollander er voor ’t eerst verscheen!”

„Ja vertel maar toe, Boeloe!” zuchtte de prinses, „hoe de vreemdelingen

het geluk verwoest hebben in ons land; want sedert zij er kwamen is het

gedaan met den vrede en de macht der dienaars van den Grooten Profeet!”

„De goden volgen elkander in Java op,” sprak Kiai Hemboong ernstig.

„Eerst waren het de Hindoes, die het land bedekten met hun tjandis, en

ons den dienst leerden van den grooten Shiwa en zijn vrouw, de

onverbiddelijke Doerga, daarna kwamen de vereerders van Boeddha, den

goeden meester, toen de priesters van Mahomed den Profeet en nu zijn

het de volgelingen van den Ngabi Isa, die ons met hun zwaard

bedreigen!”

„Maar dezen hebben het niet voorzien op Allah en zijn profeet,” zeide

grijnslachend de dwerg, „zij zullen ons Shiwa of Mahomed gaarne laten,

wanneer wij hen slechts ons goud en zilver, onze specerijen en onze

lijnwaden brengen.”

„Zij vinden ons te laag en te min voor hun God,” sprak Soerapati

bitter, „de bruine man is niet waardig hun Opperheer te aanbidden; Hij

bekommert zich niet om het vervloekte geslacht.”

„Wij hebben hem ook niet noodig!” zeide Koesoema fier, „wij aanbidden

Allah en versmaden hun eeredienst zonder priesters, zonder offers.”

„Dan deden de Portugeezen anders,” hernam Kiai Hemboong, „hun eerste

werk was hun God aan de inlanders te doen kennen, dan eerst begonnen

zij met hen handel te drijven, zoo vertelde mij mijn vader, die het van

zijn ouders had gehoord, maar de God der Hollandsche Compagnie is de

rijksdaalder!”

„Dan zal ik u vertellen hoe machtig die rijksdaalder-god eens geweest

is. Wilt ge mij hooren?”

Allen die onder het afdak waren, kwamen nabij; Boeloe Kidoer zette zich

op zijn gemak met de beenen onder zijn kort lijfje gekruist, op den

grond neer, en terwijl de dienaressen van de huisvrouw op

pisangbladeren allerhande ververschingen uit gebak en vruchten

bestaande, ronddienden, begon de dwerg zijn verhaal.

„Ik ga u verhalen van Moer Djang Koeng, den beroemden stichter van

Batavia, den overwinnaar der Djakartanen. Dit is de ware geschiedenis,

die ik u ga mededeelen, zooals zij door de vaders verhaald is aan de

kinderen en door dezen weder aan hun kinderen. Er was in de zee een

eiland, daar hield een schoone prinses haar verblijf, Tanoeraga was

haar naam en zij stamde af van de machtige vorsten van Padjadjaran,

wier rijk verwoest werd door de belijders van den Islam.

„De prinses was schoon maar haar hart was bedroefd, want niet uit

vrijen wil hield zij verblijf op het eiland; de Pangeran van Djakarta

hield haar daar gevangen en zij bracht haar dagen door in vasten en

gebeden, zij vergoot al haar tranen, maar het baatte niet; het eene

jaar verving het andere, maar haar toestand veranderde niet.”

Radhen Koesoema voelde de borst van haar gemaal heftig op en neer gaan;

een zucht ontsnapte zijn lippen die weerklank vond in haar ziel; zij

begreep dat Soerapati dacht aan een andere gevangene ook op een eiland

in Batavia’s haven. De dwerg ging voort.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 7 / 30 段