heb haar begraven en in den geest de kambodjabloem op haar graf
geplant. ’t Is niet goed van de dooden te spreken, dat stoort hunne
rust.”
„Waarom wilt ge dan nog weten of mijn hand u geluk belooft?”
„Omdat, hoor mij aan, mijn Koesoema, omdat ik overtuigd ben, dat een
verbinding met u een regen van rampen zal doen neerdalen op den keizer
en het rijk van Mataram!”
„Ik begrijp u niet!” zeide Radhen Goesik schijnbaar onschuldig.
„Ge weet toch, dat ik een vogelvrije ben in het oog der Hollanders, een
gevluchte slaaf, een deserteur, een aanvaller hunner soldaten. Zij
hebben alles in het werk gesteld om mij in handen te krijgen maar
vergeefs! ’t Is mij gelukt hen te ontkomen en dank uwe liefde,
Koesoema, schonk uw aangenomen vader en door hem de Soesoehoenan mij
een schuilplaats aan zijn hof. Ik word hier geroepen tot hooge eer,
maar die eer zal Mataram duur te staan komen.”
„En wat verlangt men in ruil daarvoor?”
„Mijn hulp en die mijner Balineezen tegen de vreemdelingen.”
„En aarzelt gij die te beloven? Zijn die Christenhonden u nog dierbaar
aan het hart om den wille van één trouwelooze? Ben ik zulk een
weifeling waardig? O, ik voel het, gij hebt mij niet lief!”
„Koesoema, lieveling van mijn hart, verscheur mijn ziel niet door uw
woorden, die scherper zijn dan de scherpste doornen. Wantrouw mijn
liefde niet, want zij is zoo groot en diep als de zee; juist omdat ik u
liefheb vrees ik zulk een groot geschenk te ontvangen als uw hand en de
gunst des keizers. De Hollanders zijn zoo machtig, hoe zal ik tegen hen
de schuld jegens mijn weldoeners afdoen? Wat zullen mijn Balineezen
vermogen tegen hun overmacht als zij mij komen opeischen en het op den
keizer wreken dat hij mij toevlucht heeft verleend?”
„Wat zij zullen vermogen? Alles wanneer gij hen aanvoert mijn geliefde!
Vrees niet! Is mijn bezit niet de grootste gevaren waard? Als ik u
liefheb en uw echtgenoote ben, is dat u niet genoeg? Waarom wilt gij uw
geesten raadplegen? Wat zult ge doen als zij het u afraden?”
„Met mijn mannen Karta-Soera verlaten, terugkeeren in de wildernis,
leven als vóórheen, vóór ik u ontmoette.”
„Ondervraag dan de geesten niet, in mijn oogen leest ge een antwoord
duidelijker dan zij u geven kunnen!”
Zij had zich aan zijn borst gevleid met een aanhankelijkheid, vrouwen
van haar land anders niet eigen, maar zij wist hoe de Hollandsche vrouw
deze liefkoozingen jegens den man harer keuze niet beneden zich acht en
zij wilde hem zooveel mogelijk doen vergeten dat zij geen blanke was.
Soerapati, bedwelmd door de zoete geuren die haar als in één wolk
omhulden, wilde reeds toegeven; toen een onderdrukt eigenaardig
gemompel, dat achter een der bloempotten scheen op te stijgen, Radhen
Goesik’s oor trof.
Het klonk als een waarschuwing; Soerapati door hartstocht overmeesterd
bemerkte het niet, zij echter begreep dat de dwerg het liet hooren en
maakte zich zachtkens uit zijn omarming los.
„Ga, mijn geliefde!” zeide zij met een stralenden glimlach, „ga naar uw
tempels! En ondervraag de Dewahs, wier macht gij zoo hoog stelt, hooger
dan mijn liefkoozingen. Ik weet hun antwoord, zij zullen u zeggen dat
de schroom, die u belet de wapens te blijven voeren tegen de
Hollanders, zondig is en uwer onwaardig. Nu wil ik dat gij gaat, en hun
oordeel verneemt; ik wil niet dat eenige twijfel uw voorhoofd
verduistert. Gij moet schoon zijn, mijn bruidegom, op den dag van ons
feest. Uw gelaat moet stralen als de opkomende zon en uwe ziel blinken
als de maan, die de volheid van haar glans over de bergen doet
schijnen. Vertrek dus, uw Koesoema smeekt er u thans om! Ik zal uw
afwezigheid verdragen door de onophoudelijke gedachte aan u.”
„Is het u ernst? Ge staat mij toe te vertrekken,” vroeg Soerapati.
„Ik vraag het u; maar laat mij nu gaan! Zie, de zon schijnt reeds
achter gindsche missigits; mijn vader zal mij zoeken. Vaarwel dan mijn
bruidegom, tot wederziens!”
Weinige oogenblikken later was het stil rond den vijver, en niets
verbrak die stilte dan het zachte ruischen der bamboes.
III.
OP DEN BERG LAWOE.
Een groepje ruiters begaf zich in gestrekten draf naar den voet van den
berg Lawoe, welks hellingen ten oosten van Soerakarta langzaam in de
vruchtbare vlakte uitloopen.
De machtige vulkaan verheft zijn in wolken en rook gehulden top, boven
een donkergroen voetstuk; de sawahs klimmen nog onmerkbaar voort langs
zijn breede ruggen; thans zijn het koffietuinen die zijn hellingen
bedekken, toen echter was alles nog woester en eenzamer.
De bergwegen bleken slechts tot zekere hoogte toegankelijk voor de
ruiters. Zij stapten dan ook bij een vriendelijke onder kokos- en
andere palmen half verscholen dessa af, lieten de paarden onder de
hoede van een gedeelte der mannen, en zetten te voet den tocht voort.
De weelderige plantengroei verliet hen weldra; zij kwamen in een
uitgestrekt woud van tjemara’s of casuarinen, een soort van lorken,
wier fijne, naaldvormige bladen, van de knoestige met witte
paddestoelen bedekte takken afhangen; de grond is droog, kaal, slechts
met kort gras begroeid en overdekt met de dorre naalden van het
afgevallen loof; door het ijle, doorzichtige groen schemert de blauwe
hemel met zijn geheimzinnige diepte, de zonnestralen dalen in
getemperden glans door den smaragdkleurigen sluier op den bodem neer,
en geven een warmen gloed aan de sneeuwwitte baardmossen, die de takken
tooien als waren het de sieraden van een woud van kerstboomen, een
verkwikkende frissche koelte, welke de hoogte van den berg verraadt en
alle herinnering aan tropische hitte verdrijft, doet het gebladerte
zacht en teeder ruischen, als waren het de klagende stemmen der
berggeesten, die eenmaal hier vereerd werden, maar sinds eeuwen hun
tempels verwoest, hun eeredienst vernietigd zagen.
Zwijgend zetten de mannen hun stijgenden tocht voort, drie gingen aan
hun hoofd, de anderen volgden op eenigen afstand.
Van deze drie was er één vrij hoog in jaren, de twee anderen echter
jong en krachtig; allen droegen de kris op zijde en in de hand een
Javaansche lans of speer.
„Vermoeit u de tocht, vader?” vroeg hij, die de hoofdman van de groep
scheen en in wien het gemakkelijk was Soerapati te herkennen, aan den
ouden Kiai Hemboong.
„Neen, mijn zoon al beken ik, dat het mij moeite kost de snelle,
krachtige stappen, uw jeugd eigen, bij te houden.”
„’t Is uw eigen wil geweest, Kiai dezen tocht mee te maken. Ik heb u
daartoe niet aangezet; noch minder er u om verzocht.”
„Ik weet het mijn zoon! Uw zorg voor mij kent geen grenzen, daarom zult
gij ook gezegend zijn in uw kinderen tot in een ver verwijderd
geslacht, maar ik wilde u niet alleen laten in het vrome werk dat gij
onderneemt. Wirajoeda en ik zullen u ter zijde blijven, wanneer gij de
onbekende krachten, die over ons leven en onze daden beschikken, gaat
raadplegen.”
„Mijn hart dankt u voor deze belangstelling, maar wanneer wij daar
straks aangekomen zijn te midden der bouwvallen van Tjèta, wil mij dan
verlaten. Ik heb er behoefte aan alleen te zijn met mijn gedachten.”
„Uw wil zal geschieden, mijn zoon! Maar laat de toekomst alleen niet
heerschappij voeren over uw gedachten. Luister ook naar de stemmen, die
opstijgen uit het verleden, versmaad hun waarschuwingen niet!”
„Evenmin als ik ooit de uwe vergeten zal, mijn vader! Wees gerust,
toekomst en verleden zal ik in een schaal wegen en onderzoeken welke
overwint.”
„Maar,” bracht Wirajoeda er tusschen, „zóó gij terugschrikt voor het
aanbod van den Pangeran Adipati, wat dan?”
„Dan trekken wij ons weer terug in de bosschen om ons leven vol gevaren
en avonturen opnieuw te beginnen.”
„Dus in geen geval de slavernij der blanken?”
„Nimmer,” antwoordde Soerapati vastberaden.
„Dan volgen wij u, wat gij ook besluiten moogt,” verklaarde Wirajoeda.
„Daar reken ik op!”
Kiai Hemboong knipte zijn oogen listig toe maar sprak niet.
Weinig woorden werden meer tusschen de mannen gewisseld die hun langen
en moeilijken tocht slechts door korte halten afgebroken voortzetten.
De reeds vallende zonnestralen daalden schuin neer tusschen de
tjemaratakken op den grond en overtogen de dorre takken en het dunne
gras met een kantwerk van purperen tinten;—hier en daar zag men roode
blokken trachiet omwoekerd door het grijze mos en de veelkleurige
paddestoelen, verstrooid liggen in het bosch; uit de spleten wringen
zich wonderschoone orchideetakken omhoog die met hun rozenroode en
paarse bloemen den verweerden, ouden steen nog een schijn van jeugd en
schoonheid verleenden.
Allengs komt er orde in de verspreide steenen, die zich voegen tot
trappen en terrassen door ingevallen balustrades omgeven; de steen
bloeit voort. Hoe hoog gelegen ook, toch heeft de weelde der tropische
natuur hier nog kracht genoeg om de eeuwenoude steenblokken met een
wereld van parasieten te omwoekeren.
Gras en struiken schieten welig uit de ingezakte treden, welke de
mannen zwijgend opgingen, sierlijke lianen vallen langs de balustrades
en bloemfestoenen omslingeren hen als waren zij getooid voor het een of
ander feest.
De steenen zelf zijn versierd met rijk beeldhouwwerk, met arabesken en
zinnebeeldige figuren op kwistige wijze over de zwartgroene wanden
geworpen: alles duidt de vereering aan van Shiwa, den schepper en
vernieler tegelijk, den machtigen en wreeden god der Brahmanen, die
echter door Boeddha den zachtzinnigen leermeester en boeteling,
vervangen was in zoovele zijner heiligdommen. Hier echter was Shiwa
uitsluitend vereerd geworden, vóórdat de aanhangers van den Profeet
zonder eenig mededoogen zijn schoone tempels in het stof hadden doen
storten.
De terrassen gaan nog steeds schuil onder de hooge tjemara’s die hen
van alle zijden overschaduwen, dertien volgen elkander op door trappen
aanéénverbonden; het schijnen echter meer afzonderlijke bedehuizen dan
één grootsch bouwwerk door één enkele gedachte in het leven geroepen.
Op het hoogste gekomen wierpen zich allen vermoeid op de trappen neer,
overtuigd dat het doel hunner reis bereikt was, maar Soerapati alleen
bleef staan.
„Het is hier goed rusten, vrienden!” zoo sprak hij, „doch mijn tocht is
niet geëindigd; hooger moet ik wezen, hier is de lucht mij nog te
zwaar, eerst op den top van den Lawoe zal het mij mogelijk zijn te
toeven.”
Allen zagen hem bezorgd aan, maar zij kenden hun hoofdman te goed om
niet te weten dat het vergeefs zou zijn te beproeven hem van zijn
voornemen af te brengen. Kiai Hemboong alleen waagde een opmerking.
„Mijn zoon!” sprak hij, „de nacht valt, wat gij boven u ziet is de top
van den Lawoe niet; nog twee andere toppen verheffen zich daarachter.
En ik ken uw gewoonte, zoolang gij het hoogste niet bereikt hebt, zult
gij nog steeds willen stijgen; volbreng morgen dien tocht en strek uw
moede leden uit op deze steenen, in welker nabijheid nog steeds de
geesten der machtige Dewahs wonen. Hier zullen zij u ook in
droomgezicht verschijnen, twijfel er niet aan!”
Maar Soerapati schudde het hoofd, wenkte hen met de hand tot
afscheidsgroet en steeg verder naar boven; de anderen bleven beneden,
blijde te kunnen rusten en een sober avondmaal te nemen uit den
voorraad mondbehoeften die zij mede hadden gebracht.
Soerapati had weldra den eersten top bereikt, in welks midden zich een
vierkante opening in de rots bevond, omgeven door een vervallen
kunstmatigen muur; het bosch had opgehouden, kaal en doodsch werd alles
rondom hem, slechts weinige spichtige tjemaraboompjes stonden hier en
daar verspreid; meer ten zuiden verhief zich echter de tweede iets
hoogere top, waarvan hem een diepe klove scheidde.
De bodem was met niets dan gras begroeid maar ging weldra over in een
schier ondoordringbaar woud, dat de oevers bedekte van een beek, die
zich haastig naar omlaag spoedde om in de vlakte hare wateren te
vermengen met die van de beheerscheres der wateren in deze streken, de
breede Solorivier.
In het dal heerschte reeds schemering, de kruinen der bergen echter
glommen nog in laaien gloed; zonder zich te bedenken daalde Soerapati
in de diepte af, wrong zich door de hooge doornstruiken en varens, die
hem den weg versperden, of baande zich een doorgang met het kapmes, dat
hij in plaats van zijn speer thans hanteerde.
Weldra bevond hij zich op den tweeden top, maar Kiai Hemboong had
waarheid gesproken, nog was deze de hoogste niet; met moeite had hij
zich naar boven opgewerkt langs de steile hellingen en afgebrokkelde
rotswanden, totdat hij op den smallen bergrug was aangekomen, die de
middelste der drie bergkruinen bleek te zijn.
Hier was de grond bedekt met lage struiken, in welker schaduw de
thelemytra orchidee den grond bedekte; de gloeiende zonnestralen deden
de rozenroode bloemen schitteren als waren zij een uit robijnen
samengevoegd mozaïek.
Soerapati bleef een oogenblik vol bewondering staan; alle geluiden der
aarde hadden hem verlaten, hij was alleen omgeven door de bergen en
door den blauwen hemel die in het westen de kleuren van alle
edelgesteenten aannam; aan zijn voeten lagen nog sporen van
menschelijken arbeid in den vorm van verschillende vierkante ruimten
omringd door opstaande randen en riviersteenen.
Lang bleef hij echter hier niet toeven en wendde zijn blikken naar den
derden en hoogsten top, die zich vlak tegenover hem bevond, een
oogenblik weifelde hij en vroeg zich wellicht af of het niet beter
zoude zijn hier te blijven, maar onmiddellijk verzamelde hij zijn
krachten weer en daalde af in de tweede vallei, die zacht hellend op
een rotsvlakte uitliep, gedeeltelijk doorsneden van een diepe, steile
spleet; de zwerver vond weldra een weg die zelfs kunstmatig aangelegd
scheen en uit ruw opeengestapelde steenblokken bestond, welke eenige
terrassen aan elkander vereenigde.
Zonder veel moeite was het Soerapati gelukt langs dezen weg de laatste
kruin te bereiken en zoo stond hij dan eindelijk op het toppunt zijner
wenschen; inderdaad de uitkomst loonde zijn onvermoeide pogingen. Het
heerlijkste schouwspel omringde hem van alle zijden, aan zijn voet de
berg of liever de verzameling hoogten, welke het rotsgevaarte Lawoe
geheeten, uitmaakte. De noordelijke helling is bedekt met den
liefelijksten plantengroei, afgebroken door malsche grasvelden, die
tusschen de tjemarabosschen frissche oasen vormen. Ten Zuiden de kale,
geelachtig bruine vlakte met een troebel, stilstaand water bedekt, zich
verliezend in wouden en ravijnen, aan de eene zijde begrensd door een
alleenstaande zuil die zich scherp en hoekig tegen de reeds donkere
lucht afteekent.
En verder dan de berg ontrolt zich een grootsch, heerlijk panorama in
het Westen, de vruchtbare vlakte van Soerakarta met haar vruchtbare
sawahs en bloeiende dorpen, haar tallooze rivieren, die allen hun
schatting brengen aan den reusachtigen stroom, die zich als een
ontzaggelijk staalblauwe slang kronkelt langs paleizen en kampongs,
langs bosschen en tuinen om zich eindelijk in het wazige verschiet te
verliezen, en dit gezicht wordt begrensd door de Merapi en Merbaboe,
die geduchte vuurbergen, welke achter zich nog de flauwe omtrekken
vertoonen van steeds nieuwe bergkruinen, de Soembing, de Sindoro en
zelfs den verwijderden Slamat.
Maar niet lang rustten Soerapati’s oogen op de vlakte van Karta-Soera,
hij keerde zich om en blikte ten Oosten, waar zich het niet minder
vruchtbare dal van Madioen uitstrekte, omsloten aan gene zijde door de
Willis en den Kloet, waarachter zich de kruinen van den Smeroe en den
Ardjoeno, Java’s hoogste bergreuzen, in de wolken verloren. De
schaduwen van den avond waren reeds in de vlakte neergedaald en vaagden
alle scherpe omtrekken weg, hier boven was het echter nog helder dag;
met het gelaat van de zon afgekeerd, die in een gouden glorie achter de
bergen wegzonk, staarde Soerapati de Smeroe en de Ardjoeno aan, hij
herinnerde zich wellicht hoe hij in zijne kinderjaren ook naar hen had
opgezien toen zij aan gene zijde der straat Bali voor zijne jonge oogen
opdoemden; wellicht herdacht hij het eiland zijner geboorte, waaraan
hij met geweld was ontrukt. Misschien ook staarde hij in bewondering
het heerlijke land aan, dat zich voor zijne voeten ontplooide toen een
stem, flauw als een zucht, onder zijn voeten opsteeg en hem
toefluisterde:
„Dat alles, mijn zoon, is het koninkrijk U bestemd door Allah’s
onnavorschbaar raadsbesluit.”
Soerapati zag verschrikt om zich heen; niets echter scheen te verraden
dat een menschelijk wezen zich in zijn nabijheid bevond; de grond
waarop zijn voeten rustten was een blijkbaar kunstmatig geëffend vlak,
omgeven door een muurtje van ruw opeengestapelde steenen; uitgebrande
kolen en verdorde bloemen toonden aan dat men deze plek door offers van
wierook en bloemen vereerde.
Nergens echter ontdekte hij eenig spoor van een levend schepsel; hij
schreef dus het gehoorde toe aan een zinsbegoocheling en bleef
onafgewend zijn oogen richten op de verbleekende bergtoppen. De woorden
bleven toch in zijn geest weerklinken.
„Koning zult gij zijn, een krachtig koning!” zoo klonk het weer,
„indien gij uw verleden met de voeten vertreedt en haat zweert aan de
blanke overheerschers.”
Nu fronsten zich zijn wenkbrauwen onheilspellend; hij greep
onwillekeurig naar zijn kris en zag rond in de diepte, achter de
opeengestapelde steenen, in de rotskloven, vergeefs!
„Is het dan geen spel mijner verbeelding? Zou het de stem eener Dewâ
zijn die tot mij spreekt?” zoo vroeg hij zich andermaal af, „dan past
het mij te luisteren in eerbied en onderworpenheid.”
Hij wierp zich plat ter aarde en riep uit:
„O Batoro Goeroe, god mijner vaderen, schepper en leermeester der
volken, u aanbid ik als het machtige Opperwezen dat ons geschapen heeft
en later ons leerde te handelen naar uw wet en geboden; al noem ik u
met een anderen naam, gij Beheerscher van het Heelal zijt dezelfde, die
de volgers van den Profeet en de blanke mannen uit het Westen
aanroepen. Tot u roep ik, eerste oorsprong van mijn leven, wijs mij aan
den weg dien ik gaan moet! Zend mij een uwer afgezanten om mij te
leeren, wat ik kiezen moet. Vrijheid of slavernij, want al zijn de
ketenen verguld, het zijn toch ketenen die mij voortaan zullen hechten
aan Matarams hof!”
„Gij zult koning zijn!” herhaalde de stem alweer, „de blanke zal beven
bij het hooren van uw naam, zijn wrok en zijn haat zullen langer duren
dan uw leven!”
Soerapati hief zich op.
„En is dat de eerste stap tot de koningskroon, het huwelijk met
Pangeran Adipati’s dochter?”
„Liefde en roem worden uw deel! Al is het ook na harden strijd.”
„Ik vrees geen strijd,” zeide hij trotsch, „ik vrees slechts
slavernij!”
„En die wordt ontwijfelbaar uw lot zoo gij u onttrekt aan de bestemming
door God u voorbeschikt. Ge zult koning zijn, koning.”
En het was of alle echo’s van de bergen en het woud weerkaatsten:
„Koning, koning!”
Soerapati duizelde, met het gelaat in de handen verscholen, was hij op
een knie gezakt en zoo zag hij dus niet, hoe een mannelijke gestalte,
die zich in een spleet tusschen twee rotsen verscholen had, behoedzaam
naar buiten kroop en zich onhoorbaar tusschen de steenblokken
verwijderde totdat hij geheel in de woeste bergkloof verdween, die naar
den eenzamen pijler afdaalde.
Toen Soerapati weer rondom zich staarde was het geheel nacht geworden;
slechts een lichtgele gloed verkondigde in het Westen de laatste
rustplaats van den zonnekoning.
Myriaden van lichten werden in het luchtruim ontstoken en als een
gloeiende bol van roodachtig licht verscheen de volle maan reusachtig
groot achter de bergen; het werd koud en kil op den rotsachtigen
bergtop. Soerapati legde zich huiverend neer in het vervallen
bedehuisje en trachtte den slaap te vatten.
Vergeefsche moeite! Zijn gedachten wijlden in de toekomst, maar meer
nog in het verledene; opnieuw doorleefde hij de felle smart, die hem
zoo hevig had aangegrepen in het Gedehgebergte en hem letterlijk ter
aarde had geslingerd.
Suzanna’s ontrouw bleef nog steeds een gapende wonde in zijn hart; hij
kon in het gewoel van den strijd, in de dagelijks terugkeerende zorgen
en beslommeringen, in de hartstochtelijke liefkoozingen van Koesoema de
geleden smart voor een oogenblik vergeten, maar dadelijk weer keerde
zij heftiger dan ooit terug.
Bittere haat vervulde hem soms tegen haar vader, tegen haar echtgenoot,
tegen haar volk; hij vervloekte het oogenblik waarop de Hollanders aan
Java’s kusten geland waren om alles onder hun machtige knie te
verpletteren, maar een oogenblik later smolt die haat weg om plaats te
maken voor een smachtend verlangen naar de dagen van weleer toen hij
zich bijna de gelijke durfde wanen van de blanke Westerlingen, toen hij
hoop koesterde eens in hun midden opgenomen te worden; dan was het weer
zich zelf dien hij vervloekte, zijn afkomst, zijn geboorte, zijn kleur,
dan kromp hij inéén van wanhopige moedeloosheid omdat niets ooit in
staat zou zijn hem terug te voeren in het midden der Hollanders, hem te
vereenigen met Suzanna en hun zoon.
Die tegenstrijdige gevoelens streden heftig in zijn borst, zijn haat
was niet diep geworteld; met weinig moeite zou het der Compagnie
gelukken hem als een trouw bondgenoot en onverschrokken vriend te
behouden; een samenloop van omstandigheden alleen hadden tot tweemalen
hem haar vijand gemaakt. Slechts uit nood had hij de wapens tegen
Suzanna’s landgenooten opgevat en nu was het misschien nog steeds een
geheimzinnige schroom van voor goed met hen te moeten breken, die hem
huiveren deed in ’s keizers dienst over te gaan.
Hij gevoelde weinig sympathie met de Javaansche grooten, hij kon ruw
zijn en zelfs wreed maar steeds trachtte hij strikt rechtvaardig te
blijven; schromelijke willekeur heerschte echter in de kratons;
noodelooze gruwelen hadden elken dag plaats; de vorsten heerschten over
een volk van slaven. Hoe heel anders kon het wezen als de koningen bij
de veel beschaafder vreemdelingen lessen gingen nemen in de kunst van
regeeren, als zij zich aan elkander verbonden en de een zijn
stoffelijke bezittingen, de andere zijn geestelijke meerderheid ten
offer bracht.
Hij droomde als van ouds, toen hij nog hoop had op Suzanna’s bezit en
weer klonk het hem in de ooren:
„Gij zult koning zijn, koning!”
„Koning? dan zal ik mijn koningschap gebruiken, zooals mij het beste
dunkt, koning zal ik wezen om hen te doen vallen die vreemde
overheerschers; zij hebben mijn vriendschap versmaad ik zal hun vijand
wezen...”
En hij wendde zich alweer naar de vlakte die thans door de maan met
zilverglans overtogen liefelijk en vredig zich aan den voet van den
berg uitspreidde; lang staarde hij er op neer totdat zijn oogen zich
sloten en hij in den droom zijn gedachten voortzette. Hij zag niets dan
kronen en koninkrijken; Koesoema naast hem zetelend schoon en trotsch
gelijk het een Ratoe past, maar in de verte wenkte hem Suzanna, met
droevigen glimlach, hij liet zijn kroon vallen en stond haastig op van
den troon om naar haar te snellen, daar scheidde hen plotseling een
diepe kloof.
Dat waren de droomen, welke Soerapati’s slaap bezochten op den top van
den Lawoe en bij zijn ontwaken in den vroegen morgen omgaven hem
juichend zijn makkers reeds toen de eerste zonnestralen zijn harde
legerstede verguldden. Hij begroette hen vriendelijk en tot zijn
vertrouwelingen den Kiai en Wirajoeda, sprak hij:
„Laat ons terugkeeren naar Karta-Soera, ik weet genoeg; de Dewahs
hebben mij mijn toekomstig levenslot onthuld!”
Kiai Hemboong’s gelaat straalde, men nam den terugweg aan en niemand
dacht aan den kluizenaar die in het dichte woud afgezonderd van de
wereld leefde en eenige dagen geleden op verzoek der prinses voor
weinige uren in de hofstad was neergedaald om daar met Soerapati’s
pleegvader een ernstig onderhoud te voeren.
IV.
EEN HUWELIJK IN DEN KRATON.