der ruiters, die hem eerbiedig opwachten en maakt eenige keeren steeds
in meer versnelden galop den tocht rondom de baan; de vlugge paarden
brieschen van genot, bevallig heffen zij den rijk versierden hals
omhoog en lichten de voorpooten sierlijk op bij de tonen der gamelans
en andere luidklinkende instrumenten. Dan wordt de rit vlugger, zij
buigen den kop en snellen voorwaarts, altijd levendiger, altijd rapper,
totdat het witte zand van den aloen-aloen in dwarrelende wolken omhoog
stuift bij de vluchtige aanraking hunner hoeven, en menschen en paarden
in het door de zon in goudpoeder veranderde stof zijn gehuld.
De keizer matigt den stap van zijn paard, die beweging heeft hem reeds
vermoeid, hij zal vandaag niet meer rennen; bij den Sitingil gekomen,
stijgt hij af en neemt op zijn troon plaats, de wachten scharen zich
rondom zijn zetel, de amazonen laten zich achter hem op een knie neder
en strekken den gespannen boog voor zich uit als om de vijanden van hun
vorstelijken meester reeds bij voorbaat te bedreigen; op eerbiedigen
afstand van hem zitten de andere vrouwen, die de voorwerpen dragen,
kruiselings op matten.
Een oogenblik is alles doodstil, het opgejaagde stof zakt langzaam
neer, de duizenden en duizenden menschen en dieren, welke den
aloen-aloen vullen, verroeren zich niet. Aller oogen vestigen zich op
den oppermachtigen meester, wiens onbewogen gelaat koel en
onverschillig het bonte schouwspel aan zijn voeten overziet.
Zelfs de gamelans zwijgen totdat de keizer met een schier onmerkbaar
gebaar de hand opheft; onmiddellijk vervullen de tonen der muziek weer
de lucht en eenige ruiters komen vóór. Na den keizer met hun lansen
begroet te hebben, haken zij de korte, ronde toomen aan hun gordels, om
de handen vrij te hebben en besturen dan met lichaam en knieën hunne
paarden. Het steekspel neemt een aanvang; een der voornaamste prinsen
rijdt vóór tot halverwege de baan vlak vóór ’s keizers zitplaats
gekomen; een andere ridder rijdt hem te gemoet.
Onmerkbaar haast drukt de keizer zijn oogleden toe als wilde hij zich
inspannen om beter te zien, wie de nieuwe aanvaller is.
Niemand kent hem, zijn uiterlijk valt echter tusschen al deze kleine
gestalten op, niettegenstaande zijn kleeding eenvoudig is in
vergelijking met die der andere edelen.
Rank en groot is zijn gestalte, hij schijnt één met het vurige
Perzische paard, dat hij geheel onder bedwang heeft en in hem zijn
meester erkent; zijn glinsterend zwarte haren vallen in korte krullen
op zijn hals, uit de witte koeloek, die ze van boven bedekt; een
vuurrood wambuis doet zijn breede, krachtige schouders en borst fraai
uitkomen; slechts spaarzaam is het met gouddraad bestikt, zijn kaïn
hangt in sierlijke plooien over den sneeuwwitten djarit. Met zijn lans
hoog opgeheven rijdt hij op den prins aan, vervolgt hem tot aan het
uiteinde van het plein, waar deze zich plotseling omkeert en hem steken
tracht toe te brengen, hij pareert ze echter met het grootste gemak en
zij zetten het spel voort. Allen zien ademloos toe, totdat plotseling
een onderdrukt gejuich uit de menigte opstijgt, een gejuich, dat
dadelijk verstomt, want het is ten strengste verboden zich te verheugen
als een prins van den bloede uit het paard wordt gelicht, en nu is het
’s keizers broeder, die door den vreemdeling uit het zadel is getild.
Met nieuwen moed en nieuw vuur gaat het tournooien voort; altijd is het
echter de onbekende ridder die den palm der overwinning wegdraagt; de
meest bekende steekspelers beproeven hun krachten tegenover hem. Allen
zijn gedwongen zijn meerderheid te erkennen, hij blijft meester van het
kamp. Fier rijdt hij rond de baan met zijn lans in de hand. Voor den
keizer gekomen laat hij zijn paard den soembah [12] maken en iets als
een vaag teeken van genoegen schemert op het effene gelaat des vorsten.
„Een kranige kerel,” fluistert de Hollandsche luitenant zijn kapitein
toe, „ik heb hem nog niet eer gezien. Wie hij zijn mag?”
„Och, al die bruine vellen lijken op mekaar,” antwoordde kapitein
Grevink minachtend, „maar hij stond bij het huisje van den
Rijksbestierder en dat bevalt me minder.”
„Waar Amirang Koesoemo hem opgedoken heeft? Hij behoort tot geen der
grooten van het hof.”
De keizer wendde zich iets terzijde en wenkte schier onmerkbaar, toch
was de vluchtige beweging voldoende om Amirang Koesoemo, den
Rijksbestierder, die op eenigen afstand zat, naar zijn troon te doen
schuiven; hij wierp zich met het aangezicht ter aarde en de keizer boog
zich voorover om hem iets op fluisterenden toon te vragen.
„Heer der Wereld!” antwoordde Koesoemo, „vergun uw dienaar dat hij
straks uw voeten kusse. De vreemdeling is een groot en heldhaftig man,
een vijand der Compagnie,” voegde hij er schier onhoorbaar achter.
De Soesoehoenan hief ’t hoofd weer op en een flauwe beweging zijner
oogen bewees den Rijksbestierder, dat hij genoeg wist. Koesoemo kroop
ruggelings terug naar zijn plaats en de keizer nam zijn onbewogen, kil
gelaat weer aan.
De schaduwen van den avond vielen echter op het gebergte en het dal
neer, de laatste bloedroode stralen der zon flikkerden nog even om de
kruinen der bergen, toen werd alles donker en grauw, maar de maan steeg
hooger en hooger en hulde schier onmerkbaar den aloen-aloen in haar
blauw-zilveren glans.
Aan alle zijden van de baan werden nu toortsen ontstoken, die met hun
roode glansen de bescheiden stralen der maan op de vlucht joegen; het
tournooispel had opgehouden, de ruiters stegen van hun rossen en
schaarden zich allen in een halven kring, op eenigen afstand van den
keizer; zij zetten zich op den grond neer, de lansen opgeheven houdend,
maar de keizer scheen in goeden luim, hij beval hen de wapens aan hun
dienaars over te geven en wenkte aan enkelen naderbij te komen; onder
hen was ook de Rijksbestierder.
„Waar is de overwinnaar in zoovele spelen?” vroeg hij.
Amirang Koesoemo ging terug, op eenigen afstand van de andere edelen
stond een groep mannen, wier ruwe gelaatstrekken en forsche gestalten
sterk afstaken bij de weekelijke, tengere figuren der Javaansche
edelen. Aan hun hoofd ging de vreemde ridder.
Kapitein Grevink trachtte niets te verliezen van hetgeen er voorviel;
zoo zag hij dan ook den vreemdeling door Amirang Koesoemo begeleid ’s
keizers troon naderen en hem de voeten kussen.
Door den afstand was het hem niet mogelijk van het gesprek, dat
trouwens in hoog Javaansch gevoerd werd, een woord op te vangen.
Na weinige oogenblikken stond de keizer op en noodigde allen uit bij
hem het avondmaal te gebruiken.
Langzaam keerde de stoet terug naar de eerste binnenplaats, nu echter
ging de vorst te voet; de Hollandsche lijfwacht bleef bij de eerste
poort de wacht houden, kapitein Grevink keerde naar den Pagger—de
heining die het kamp der Hollandsche soldaten omsloot, terug.—Hij was
niet gerust, waarom, dit wist hij zelf niet.
Reeds sinds langen tijd heerschte er spanning tusschen de Compagnie en
den Soesoehoenan; deze beschuldigde de Hollanders van de Cheribonsche
prinsen te beschermen, die hem nog geen hulde hadden gebracht; de
Compagnie daarentegen drong op afdoening aan van de schulden, welke
Hamangkoe-Rat jegens haar had aangegaan, toen zij hem op den troon
zijns vaders herstelde.
Amirang Koesoemo, de machtige rijksbestierder was den Hollanders
ongenegen; hij vervloekte in zijn hart de afhankelijkheid, waarin de
keizer tegenover hen geraakt was en zocht een geschikte gelegenheid om
dezen daarvan te verlossen; de zwakke slechts aan zijn genot denkende
Soesoehoenan liet alles aan zijn listigen sluwen dienaar over. Hij was
tevreden, zoo hij naar hartelust zich aan zijn uitspattingen, zijn
opium en zijn vrouwen kon overgeven en vond alles goed wat hem het
gedurige bezit dezer onmisbare voorwaarden van zijn geluk kon
verzekeren.
Op het binnenhof was weldra het feestmaal in vollen gang; verscheidene
tentjes of prieelen waren daar opgericht; van voren geheel open en van
achter met gordijnen afgesloten; in het midden verhief zich dat van den
keizer. De in een halve maansvorm opgerichte huisjes hadden allen het
gezicht op ’s vorsten zetel; kruipend kwamen de dienaren door de
gordijnen het maal opbrengen.
Fijn gevlochten matten waren èn tafel èn zitplaats, allen waren
schrijlings erop gezeten—pisangbladeren verrichtten den dienst van
tafellakens; de rijst in koekoesans [13] opgebracht sierden met hun
pyramidenvorm, die tot aan de schouders der aanzittenden reikte, het
feestmaal.
Daarnaast waren groote stapels van gebraden vleesch, hoenders, en
gevogelte opgericht; het scheen onmogelijk dat die ontzaggelijke
hoeveelheid van spijzen in één maal kon opgebruikt worden, maar het
gebruik eischte dat zoodra de vorst gegeten had, al het overgeblevene
met mat en al opgenomen werd om het aan de bedienden van de prinsen en
edellieden mee te geven.
Volgens de etiquette mocht niets meer van het opgedragen eten weer in
de keizerlijke keuken terugkeeren; de dienaren wisten er wel raad mee;
wat zij niet opkregen ging mede naar hun huis. Het diner uit vruchten
en een oneindige verscheidenheid van gebak bestaande, werd op dezelfde
wijze op nieuwe pisangbladen voorgediend, weggedragen en uitgedeeld.
Vervolgens werd den gasten een schat van de geurigste aaneengeregen
bloemen, melatiknoppen, tandjoengs, tongkens enz. aangeboden, waarvan
zij de welriekende snoeren aan het hoofddeksel boven de ooren
bevestigden.
De sirih kwam nu de plaats van sigaren bij de hedendaagsche europeesche
feestmaaltijden vervangen, en dit bleek het sein tot een opgewekt
vroolijk gesprek.
Ieder had echter de oogen gericht op den vorst, die eenzaam op zijn
hooge zitplaats troonde, want zelfs de naastzittende was een zestal
voeten van hem verwijderd.
Een schaduw van een glimlach op zijn onbewegelijk gelaat te voorschijn
roepen was ieders hoogste eerzucht.
De keizer sprak echter met zijn Rijksbestierder, die aan zijn voeten
zat.
„Wat zal de Compagnie zeggen als ik hem een schuilplaats verleen?”
vroeg de machtige beheerscher van Java en Madura, dien honderdduizenden
slechts met het aangezicht ter aarde durfden naderen, wiens wenk over
hun aller leven en dood besliste.
„De Hollanders, verheven Keizer, behoeven niet te weten, wie Uw
Hoogheid gastvrij in haar paleis opneemt.”
„Hij is in open vijandschap met hen, zij hebben hem vergeefs vervolgd
en het zou onvoorzichtig wezen zoo wij hem een schuilplaats verleenden
ondanks het verdrag dat ik met de Compagnie aanging.”
„Is de Compagnie meester in uw kraton, mijn Gebieder? Zal nimmer de
schuld jegens hen afgelost worden?”
„Ja, zwaar is de last der erkentelijkheid, niets kan deze verminderen.”
„Toch wel, machtige keizer, geen juk is er dat men niet kan afschudden
zoo de tijd daarvoor rijp is.”
„Dat kan slechts een machtige, krachtige vuist,” sprak de keizer loom.
„En die vuist zal te vinden zijn als Uw Hoogheid het gebiedt; het
gewicht der dankbaarheid wordt steeds zwaarder en zwaarder, ten laatste
zakt het verpletterend neer op de hoofden der beweldadigden.”
„Uw woorden zijn mij duister als een nacht zonder sterren,” hernam de
Soesoehoenan.
„Uw dienaar zal gaarne een licht ontsteken op dien duisteren weg,”
antwoordde de Rijksbestierder, „mijn Gebieder weet welke hooge
verplichting ik aan den dapperen Balinees heb.”
De keizer zag hem wezenloos als vragend aan.
„Uw Hoogheid gewaardigt zich niet te gedenken dat de held mijn dochter,
nadat zij weigerde haar echtgenoot den Bantamschen prins in de
verbanning te volgen, naar Karta-Soera geleid heeft, haar met den
grootsten eerbied bescherming verleenend.”
De keizer wenkte dat hij voort zou gaan:
„Welnu, dan machtige Keizer, het hart mijner dochter is bewogen van
liefde voor haar beschermer en nu zij wettig gescheiden is van den
Pangeran Poerbaya kent zij slechts een wensch met Soerapati vereenigd
te worden als het Uw Almacht behaagt.”
„Radhen Goesik is jong en schoon; het zou wreed zijn haar tot den
weduwstaat te veroordeelen; wanneer zij den held liefheeft en hij
belooft ons zijn arm tegen de Compagnie op te heffen zoodra het juk te
zwaar wordt voor onze schouders dan zij hij welkom in den kraton.”
De Rijksbestierder kuste ’s keizers voeten.
„Heb dank, machtige monarch,” zoo sprak hij met moeite de vreugde
verbergend die in zijn stem school, „mijn dochter en Soerapati zullen u
dank weten en als de tijd gekomen is dan zal hij u verlossen van het
zware juk dat de Kafirs zoo schandelijk op uw schouders hebben geladen
want zijn geest is helder en zijn arm is sterk.”
De keizer luisterde echter niet meer, al zijn aandacht was afgeleid
door het spel zijner danseressen dat nu onder begeleiding van de
tallooze muziekinstrumenten een aanvang ging nemen.
II.
IN DE KAPATYAN.
In de Kapatyan, het paleis van Amirang-Koesoemo, dat evenals de
woningen van andere Rijksgrooten binnen den kraton lag, zat Radhen
Goesik omringd van haar vrouwen.
Zij was nu rijk en sierlijk gekleed, haar kondé [14] schitterde van
diamanten, in haar ooren vonkelden de kraboes uit steenen bestaande van
het zuiverste water, haar donkerblauwe sikepan was met zilver
doorstikt, en viel over een fijn zijden kaïn, waarvan de weeke, zachte
plooien de grillige figuren onderbraken, die het gouddraad er op
stikte; nu zij weer in de omgeving verkeerde die haar paste en die zij
liefhad was de prinses nog veel schooner dan in de wouden van den
Preanger, een gevoel van geluk en vreugde schitterde in haar oogen, zij
zou nu immers weldra het toppunt harer wenschen vervuld zien.
Haar zitplaats bevond zich in een rijk met snijwerk en verguldsel
versierde pendoppoh, die omgeven was door een aangenamen tuin; hooge
kemoeningboomen, wit van de geurige bloesems wierpen hun schaduwen op
het gouden schelpzand, in Japansche potten stonden zeldzame fraaie
sierplanten en bloemen. De slanke areng-palm hief zacht wuivend zijn
kroon omhoog, vierkante perkjes van melati balsemden de lucht met haar
zachte geuren, die zich met de bedwelmende tochtjes vermengden, welke
de sokka dèdes naar omlaag zond.
’t Is morgen, de dauw parelt nog tusschen de bloemen, de brandende zon
vermag de verkwikkende koelte nog niet te verjagen, alles schijnt even
jeugdig, even frisch, als de prinses die met volle teugen de
morgenlucht inademt. Aan haar voeten als ’t ware inééngerold ligt
Boeloe Kidoer, de dwerg, die haar niet verlaten wilde.
„Boeloe,” zeide de prinses glimlachend, „het is hier beter dan aan den
voet van den Gedeh! Nu vooral, nu de machtige keizer aan mijn vader
verlof heeft gegeven tot ons huwelijk. O Boeloe, hoeveel dagen scheiden
mij nog van dat gelukkig uur!”
„Het is dikwijls een lange weg, prinses, die de pitten van den dlima
van de lippen scheidt.”
„Spreek zoo niet, dwerg! Niets kan ons meer scheiden. Zeg mij eens hebt
ge hem gezien in het tournooi? Hoe schoon en zal hij daar geweest zijn.
Bij de eerstvolgende senènan moet ik hem zien, al zou ik ook mijn
vermomming weer aantrekken.”
„Gij zult hem nog zoo lang zien, zusje, als hij uw man wordt.”
„O Boeloe, een voorrecht betreur ik, dat wij genoten in het vrije
gebergte; daar konden wij ons vrijer bewegen, daar omknelden die
lastige, pijnlijke hofregelen ons niet. Slechts ter sluiks kan ik ’s
avonds mijn bruidegom ontmoeten, ginds onder de waringinboomen. Weinige
oogenblikken alleen mag ik hem spreken, en vroeger daar ginds op den
weg, toen hij mij beschermde en bewaakte, week hij geen oogenblik van
mijne zijde. Wanneer zal ik hem geheel toebehooren? Gelooft ge niet
Boeloe dat hij zijn blanke geliefde geheel vergeten heeft om mij?...”
„Het is aan den dwerg niet het te beoordeelen,” grijnsde Boeloe, „hoe
kan ik in zijn hart lezen? Gemakkelijker is het te dringen in den stam
van den djatiboom dan het hart van de menschen te ontsluieren.”
„Maar hij kan niet meer terug naar de Hollanders, niet waar, elke band
is immers verbroken tusschen hem en haar, nu de Soesoehoenan hem een
schuilplaats verleent, en hij de schoonzoon wordt van Mataram’s
Rijksbestierder?”
„Bij den grooten profeet is alles mogelijk!” verzekerde de dwerg met
kluchtigen ernst.
„Wat zegt ge Boeloe, zoudt ge meenen dat Soerapati...”
„Zoo vermetel ben ik niet iets te durven meenen, maar als uw echtgenoot
verneemt, dat Kiai Hemboong hem bedrogen heeft, dat nonna Suzanna nooit
getrouwd is geweest met den vaandrig Kuffeler, en dat zekere dwerg te
zamen met zekere prinses zijn ouden pleegvader hebben overgehaald tot
die leugen dan kon het zijn dat zijn stemming veranderde zooals een
storm het aanschijn der bergen verkeert.”
Radhen Goesik wrong de kleine met ringen bezette vingers.
„Maar hij mag het niet weten Boeloe, nooit, nooit. O, sprak hij toch
tot mij over zijn liefde tot de Hollandsche vrouw, over zijn haat tot
de Hollanders, ik zou geruster zijn, maar helaas! Op al mijn
toespelingen bewaart hij een hardnekkig zwijgen. Ik vrees de gedachten
niet die zich uitspreken, maar wel die zich verbergen en langzaam
ontkiemen als de rijstkorrel in het water der sawahvelden.”
„Ik hoor dat zijn schreden als onwillekeurig altijd terugkeeren naar
den Pagger der Hollanders; hij zwerft steeds in hun nabijheid; soms,
zoo vertelt Kiai Hemboong, rusten zijn oogen met smachtend verlangen op
de Hollandsche driekleurige vlag, die boven het wachthuis wappert.”
„O schande! Hij zou hun slavernij verkiezen boven vrijheid en roem bij
zijn stamgenooten.”
„De wortels van den waringin zoeken de aarde en zoo verlangt het hart
van den man naar den grond, waar hij zijn eerste jeugd doorbracht.
Soerapati’s hart kan zich niet meer te huis voelen bij den bruinen
man.”
Radhen Goesik verborg het gelaat in haar slendang en weende.
„Nooit, nooit zal ik het beeld dier gehate vrouw met het gele haar uit
zijn geest verdrijven, zelfs niet als ik met hem verbonden ben door ’s
keizers woord! Boeloe, kunt gij mij niet helpen, ik beloof u de mooiste
dwergin des keizers tot vrouw, ik zal u deze sterren geven, die mijn
ooren versieren maar help mij aan een toovermiddel, een drank, een
amulet, een ngempoel, waardoor ik almachtig over Soerapati’s ziel kan
heerschen, of liever bezorg mij de talang perindoe, een stukje van de
dwergbamboe, die op den top der bergen groeit en onder welks schaduw de
vogels den dood vinden, de heilige plant waarvan het bezit ons de
vervulling schenkt van al onze wenschen.”
De dwerg schudde het hoofd.
„Het zal niet baten, prinses! In zijn hart verfoeit Soerapati de leer
van onzen grooten Profeet; hij is gehecht aan den eeredienst zijner
voorvaderen, hij aanbidt Batoro Goeroe, den oppermachtigen God der
Hindoes, en nog liever zou hij de knie buigen voor den gekruisten God
van de Hollanders en van Suzanna! En zoolang wij zijn hart niet
veranderen, zoolang zal geen tooverspreuk of tooverplant de liefde van
zijn hart doen verkeeren.”
„Maar wat raadt ge mij Boeloe, mijn trouwe dwerg, die het eerst mij
gewezen hebt op Soerapati’s toekomstige glorie, die mij zoo trouw hebt
bijgestaan in moeilijke dagen?... Wat moet ik doen om Soerapati voor
goed te hechten aan onze zaak?”
„De vezels van den klappernoot drijven en de steen zinkt, ieder
ondervindt wat zijn lot meebrengt en zoo zal ook gebeuren wat Allah van
alle eeuwigheid besloten heeft.”
„Maar hoe zal ik ’t weten, wat besloten is in Allah’s raadsbesluit?
Moet ik niets doen om dat besluit te helpen uitvoeren?”
Een dienstmaagd trad nader en bood de prinses een trosje bloemen aan.
„Die mij dit takje voor u gaf, edele prinses!” sprak de dienstmaagd,
„verzoekt mij u te melden dat hij u wacht bij den kleinen vijver.”
Haastig stond Radhen Goesik op, de armbanden rondom haar fijne polsen
kletterden, haar oogen schitterden; bevallig drapeerde zij zich in haar
slendang en stak haar voetjes in de vergulde muilen, die een harer
dienaressen vóór haar plaatste.
„Volg mij Mila,” zeide zij, „wat ik nu ga doen is tegen den adat [15];
ik weet het, maar het verlangen van mijn hart om mijn bruidegom te
spreken is te groot, dan dat ik het weerstaan kan.”
Zij versierde met het bloementakje haar kondé en wenkte ook Boeloe haar
van verre te volgen.
De kleine vijver was tusschen metselwerk besloten en omgeven door
blauwe Chineesche potten op hooge voetstukken, waarin dwergplantjes
staken; oranjeboompjes beladen met tal van gouden appelen,
miniatuur-aloës, cactussen en ananassen, kleine waringins, tjampaka,
soka, dlima en andere vrucht- of bloemdragende plantjes. Sierbamboes
omgaven op eenigen afstand het water en onderhielden door hun zacht
wuiven een frissche koelte; op de oppervlakte van den vijver dreven de
breede bladeren van de waterlelies met hun witte en gele bloemen,
waartusschen nu en dan een goudvisch glipte, dicht het watervlak
naderend om vlug en behendig een insect te vangen.
Het was een eenzaam plekje door de lianen geheel beschut tegen de
nieuwsgierige blikken uit de omringende huizen en vervuld met de
liefelijkste geuren; het lag dicht aan den buitensten muur van den
kraton, en zoo was het Soerapati gelukt binnen te komen om van zijn
bruid een afzonderlijk onderhoud te verzoeken.
Hij stond bij den vijver; met de armen over de borst gekruist staarde
hij in het water en zag het spel der visschen tusschen de bloemen en
insecten aan, toen Radhen Goesik vlug maar toch met schier onhoorbaren
tred hem over het sneeuwwitte zand naderde.
„Wat wil mijn Heer en Gebieder?” vroeg zij dicht bij hem gekomen en de
oogen neerslaande.
„Ik wilde u een woord van vaarwel zeggen, prinses,” antwoordde hij.
„Vaarwel,” en zij zag hem angstig aan, „er is geen woord, dat mij
harder in de ooren klinkt. Waarom moet ge mij vaarwel zeggen?”
„Het is slechts een vaarwel van eenige dagen,” hernam hij glimlachend,
„vóór dat onze bruiloft gevierd wordt, voel ik er behoefte aan mij
eenige dagen terug te trekken, daar ginds in den tempel van Tjèta,
welke zich op de helling van den Lawoe verheft. Ik wilde daar raad
nemen met mijzelf en met de onsterfelijke goden—met Allah en zijn
Profeet,” zoo verbeterde hij zichzelf.
„Raad en tot welk doel? Is er nog raad noodig? Ziet gij dan niet
duidelijk wat Allah in zijn ondoorgrondelijk raadsbesluit voor u heeft
vastgesteld,” vroeg de vorstin heftig.
„Ik zie het duidelijk in, prinses, maar toch twijfel ik of de weg, dien
ik in ga slaan wel de rechte is.”
Radhen Goesik’s oogen fonkelden van toorn.
„Hoe, gij aarzelt het lot aan te nemen dat de machtige keizer en mijn
vader u aanbieden? Dat is een beleediging!”
„Neem het zoo niet op, liefste mijn!” sprak Soerapati met de zachte,
weeke uitdrukking in zijn stem, die in de ooren zijner bruid zoo
onweerstaanbaar aantrekkelijk klonk en die ook het hart der Hollandsche
jonkvrouw eens bekoord had, daar zij zoo in tegenstelling was met zijn
forsch, echt mannelijk voorkomen. „Ge weet, ik heb u lief, mijn
Vorstin, mijn Bruid, zooals ik niemand op ééne na, ooit heb liefgehad!”
Radhen Goesik wendde het hoofd om.
„Juist die ééne, welke ik niet treffen kan, wier herinnering sterker
nog is dan mijne schoonheid!...” dacht zij.
„En waarom, als ge waarheid spreekt, mij dan verlaten?” vroeg zij, haar
oogen van onder de lange wimpers opheffend.
„Omdat ik vrees, dat mijn liefde u slechts ongeluk zal aanbrengen. Ge
zijt zoo schoon, zoo beminnelijk, om uwe hand zullen de eerste prinsen
van den bloede dingen, zij benijden mij uw bezit, ik weet het. Maar wat
kan ik u geven, ik, een slaaf, een roover?”
„Zeg dat niet, ge zijt het niet meer!” riep de prinses verontwaardigd
uit, „licht mijner oogen, schat mijner ziel! Welke prins kan met u
wedijveren? Uw gestalte is gelijk aan den stam van den jongen
pinangboom, zoo slank en toch zoo krachtig, uw oogen schitteren als de
avondster en de woorden, die van uw lippen vallen, zijn zoet als de
geur van den kemoening. Uw arm is zoo krachtig, als de klauw van den
tijger als gij uw vijanden aanvalt, maar zoo zacht als het dons van den
pelikaan, wanneer gij mij liefkoost. Ge zijt een roover, ja de roover
van mijn hart, van mijn ziel. Gij zijt geen slaaf meer, doch ik wil uw
slavin zijn, mijn leven lang! Met u wil ik alles deelen, alles, armoede
en rijkdom, schande en roem. Ik bemin u met een liefde zoo brandend en
vurig dat de Hollandsche met de koude, witte huidskleur en het kille
hart die nimmer begrijpen kan.”