snikken klonken nu en dan; soms trad de grijsaard binnen maar nog
steeds lag hij onbewegelijk op dezelfde plaats; heftige schokken van
zijn lichaam alleen verrieden hoe zwaar hij leed, al ontbrak hem
wellicht de kracht om zijn leed nog zoo hevig uit te klagen. Op alle
vertoogen van zijn ouden vriend bewaarde hij een hardnekkig zwijgen;
een enkelen keer verried slechts een zacht gekerm de duldeloosheid
zijner pijnen.
Vaandrig Kuffeler kwam aan de tent, hij moest den Balineeschen hoofdman
spreken.
„Mijn meester is ziek,” antwoordde Kiai Hemboong.
„Dwaze uitvluchten, laat me door!”
De grijsaard trok zijn kris en liet die bloedrood flikkeren in het
licht der fakkels, die op bamboestaken van afstand tot afstand
bevestigd het tooneel verlichtten.
„Slechts over mijn lichaam zult gij binnentreden,” sprak hij kalm maar
beslist.
De vaandrig wendde zich boos om maar drong niet verder aan; hij voelde
ook instinctmatig dat de gemoederen onrustig waren en dat er iets
ernstigs in de omgeving van den Prins broeide. Zoo gingen er weer
eenige uren om, altijd bleef Soerapati onbewegelijk op den grond van
zijn tent uitgestrekt; de grijsaard kon niet zeggen of hij bewusteloos
was dan wel of de overmaat van smart zijn ledematen verlamd had om aan
zijn ziel alle kracht tot lijden te laten.
Reeds waren de sterren hoog aan den hemel toen een vrouw het gelaat in
den slendang verborgen, de tent naderde.
„Kiai,” fluisterde zij zacht.
„Zijt gij het Radhen?” vroeg hij, „komt ge hooren hoe mijn wapen doel
heeft getroffen, daar ligt hij binnen, machteloos als een gewonde
stier, die uit een kamp met den tijger terugkeert.”
„Mag ik hem zien?”
„Waartoe zou het dienen, edele Vrouwe? Doe uw held de vernedering niet
aan, hem in zulk een toestand te aanschouwen.”
„Misschien vinden mijn lippen woorden van troost.”
„Hoe kunnen uw troostredenen wortel vatten in zijn ziel, die nu nog
overstroomd is door de herinnering aan een ander? Laat de wateren der
smart eerst wegvloeien, prinses, dan wordt de grond hard en koud en een
nieuwe liefde zal gemakkelijk daar opkomen.”
„Meent ge dat?” vroeg zij met schitterende oogen.
„Ik beloof het u, hij heeft den drank nog niet geheel gedronken nog heb
ik eenige druppels, die hem zullen opwekken tot toorn en wraak. Is
Ardjo bij de edele vrouw geweest?”
„Ja, hij heeft me sidderend verteld van zijn razernij en zijn smart. Ik
heb hem rijkelijk beloond en de vlucht aangeraden maar eerst liet ik
hem verhalen van haar, die zijn hart vervult. Hij heeft haar slavin
gesproken, zij blijft elk huwelijksaanzoek weigeren en nu wilde haar
vader, vernemend dat Soerapati naar Batavia bescheiden is, en misschien
vreezend dat hij gedwongen zal worden haar aan hem te schenken, zijn
dochter naar Holland doen vertrekken met haar zoon, ’s vaders
evenbeeld.”
„Ik weet het; Ardjo verhaalde het mij, zij zond hem een boodschap met
de woorden: „Haast u, anders is het te laat!” Zoo Soerapati die
ontvangen had, hij zou nog veel meer van den vaandrig verdragen hebben,
hij zou zich naar Batavia laten zenden, alleen in de hoop haar te
verwerven. Wij doen hem lijden, Radhen, maar ’t is om zijn best wille.”
„Zou ik er anders toe meegewerkt hebben? Maar laat mij u ook een geheim
vertrouwen. De prins wil vertrekken, hij weigert zijn kris morgen af te
geven; nog heden nacht zal hij gaan, als ik het hem raad.”
„En zijn onderwerping?”
„Hij is diep beleedigd en wil een zwervend leven in de bosschen
verkiezen boven zulk een smadelijke behandeling.”
Kiai Hemboong dacht na.
„De zaak wordt moeilijk, maar ’t is zoo het beste. Dring op een snelle
vlucht aan, nog vóór de zon aan den hemel verschijnt, voor het overige
draag ik zorg.”
„Maar hij?”
„Ik bezit het middel om hem te doen handelen naar mijn wil.”
„Ik vertrouw u, vader! Ik moet den prins volgen maar weldra zal ik een
scheidingsbrief van hem bekomen en dan volg ik uw zoon op den weg, die
hem leiden zal naar roem en eer.”
„Allah bescherme uw schreden, prinses!”
Zij verwijderde zich snel en verdween in de duisternis; het was een
heerlijke nacht schitterend van sterren, de eindelooze melkweg blonk
als een gordel van licht tusschen de myriaden van glinsterende vonken,
rondgespat in het donkere ruim. Geen geluid verbrak de stilte als het
gegons der insecten, het klagend kirren der woudduiven, en het eentonig
geneurie van eenige Javaansche wakende soldaten, die een pantoen
opdreunden om de lengte van den nacht een weinig te verkorten.
Kiai Hemboong trad behoedzaam in de tent en boog zich nogmaals naar
Soerapati.
„Slaapt ge?” lispelde hij hem in de ooren.
„Laat mij in vrede, vader!” antwoordde hij zacht, „ik lijd te veel, dan
dat ik spreken kan.”
En als hadden die woorden de betoovering verbroken welke zijn zinnen
gevangen hield, begon hij thans zacht te weenen.
„Hij schreit, dat is goed, tranen verlichten de zware ziel,” sprak Kiai
Hemboong opstaande en nam zijn vorigen post weer in voor den ingang der
tent.
Hij bleef roerloos zitten, wat er ook gebeurde. Hij zag beweging in des
Pangerans tent; gestalten slopen er uit, paarden werden bestegen, de
draagstoelen der vrouwen en kinderen voorgebracht, en door haar
ingenomen.
Alles ging stil in ’t werk zonder eenig gedruisch, alleen de wachters
bleven nog voor de tent om te doen gelooven dat zij trouw op hun post
waren.
Eenige Balineezen kwamen naderbij, en zagen verbaasd die toebereidselen
tot vertrek aan; onwillekeurig naderden zij de tent van hun hoofdman.
„Laat hen begaan!” voegde de grijsaard hen toe. „Soerapati onze meester
heet ziek om hen gelegenheid te geven zich te verwijderen, laat hen
rustig aftrekken. ’t Is afgesproken.”
Weinige oogenblikken later was de Bantamsche prins en zijn stoet
weggevlucht in het dichte woud terwijl Kuffeler en zijn Hollanders
rustig bleven voortslapen.
De eerste morgenstralen verguldden den top van den Gedeh en er ging een
adem door het gebergte, die alles tot ontwaken en herleven opriep;
bleeker en bleeker werden de sterren, zachter klonk het gegons der
insecten, de duisternis werd dunner en waziger, de morgen in zijn volle
schoonheid zou aanbreken, toen plotseling grauwe wolken zich
samenpakten over het woud en een fijne stofregen naar omlaag zonden,
die allen glans en luister aan het heerlijke morgenuur ontnam.
Nogmaals trad Kiai Hemboong naar binnen; hoewel de regen de anders zoo
korte schemering verlengde, konden slechts weinige oogenblikken
verloopen vóórdat de vlucht van den prins ontdekt werd. Ten koste van
alles moest Soerapati nu uit zijn verdooving worden gewekt.
„Mijn kind,” begon de grijsaard met een teederheid in de stem, welke
men van hem het allerminst zou verwacht hebben, „reeds den geheelen
nacht hebt gij aan uw smart toegegeven, nu roept de jonge dag de mannen
op tot nieuwen arbeid en tot nieuwen strijd. Laat uw verdriet
wegvluchten met de schaduwen, die nu voorbij zijn.”
Soerapati hief ’t hoofd op en vestigde zijn verwilderd misvormd gelaat
op naar zijn pleegvader.
„Ik heb alle tranen die mijn oogen bevatten gestort, ik kan niet meer
weenen, ik kan niet meer klagen,” zeide hij met heesche stem, „ô hoe
had ik het kunnen vermoeden, getrouwd, getrouwd met een man van haar
volk, terwijl ik mij en mijn makkers liet vernederen en vertrappen om
harentwil alleen.”
„Mijn zoon! Ik heb het u menigmaal herhaald, blank en bruin mogen zich
niet paren, dat geeft groote rampen. Maar dat is nu voorbij! Sta op,
wasch uw gelaat, dompel uw lichaam in de wateren der bron en overleg
met wijzen en dapperen, wat u te doen staat.”
„Ik wil niets meer, niets meer dan mij zelf vergeten, mij zelf
vernietigen! De kluizenaars uit mijn vaderland achten het de grootst
mogelijke zaligheid als men alles in zich doodt, liefde, haat,
begeerte, vreugde en smart, zoo wil ik heengaan en datzelfde doen.
Niets kan de wereld mij meer geven nu zij mij ontrouw werd.”
„Zoo spreekt de verwijfde dienaar der vrouwen die zijn dagen in het
Kapoetren doorbrengt, niet de krachtige, forsche man, die handelen
durft, om zich te wreken.
„Op wien zal ik mij wreken? Op haar vader, hij is te ver, op haar man?
Ik zou haarzelf treffen als zij hem liefheeft en zoo zij hem niet
bemint wat win ik dan of denkt ge dat ik in dezen langen nacht toen ik
hier gejammerd en geweend heb, niet alles wel overwoog in mijn geest?
Maar er is niets voor mij te doen niets dan het voorbeeld mijner
vaderen te volgen en rust te zoeken in het zalige Nirwana.”
„Dat moogt ge niet, mijn zoon! Gewichtige belangen roepen u terug tot
het handelende, het bezige leven. Er is veel gebeurd van nacht, zeer
veel!”
Daar klonk een toornige stem buiten de tent, een oud Hollandsche vloek
te midden der Oostersche natuur.
„Gevlucht maar ’t is niet mogelijk.”
„Ze zijn allen weg, van morgen zaten nog eenige mannen op wacht voor
zijn tent, maar nu zijn ook deze verdwenen.”
„Vervloekt tuig, daar is de Balinees schuld van, daarom hield hij zich
ziek.”
Soerapati was opgesprongen en greep naar zijn wapens; ijlings bracht
hij zijn verwarde kleederen in orde, bond zich den doek om het hoofd en
snelde naar buiten. Balineezen en Hollanders waren daar verzameld, luid
en druk pratend en twistend, de tent van den Pangeran stond geheel open
en ledig.
„Daar is hij de verrader, de stoker van al die onlusten,” riep Kuffeler
bleek van woede en stormde op den Balineeschen hoofdman toe. „Zult ge
mij nu zeggen, struikroover, waar de prins gebleven is, of wilt ge
liegen dat ge er niets van af weet?”
„Ik zweer u bij den God mijner vaderen, dat ik nu pas de vlucht van den
Pangeran verneem. Ik ben tot stervens toe ziek geweest van nacht.”
„Zeg liever dat je aan het opium schuiven geweest zijt. Je gezwollen
gezicht verraadt het genoeg, zeker op de gezondheid van den ontvluchten
vogel. Maar wat meent ge dat de Compagnie zoo met zichzelf laat
spotten, door een ellendigen dief en leugenaar als gij? Spoedig zet hem
na of het zal je heugen.”
„Ik ontvang uw bevelen niet,” antwoordde Soerapati waardig, „gij zijt
mijn mindere en zoo de prins ontvlucht is, dan kome de
verantwoordelijkheid op u neer. Hij was gewillig zich aan u over te
geven, zooals hij trouwens reeds bereid was het aan mij te doen, maar
gij hebt hem diep gegriefd door uw handelwijze van gisteren. ’t Is niet
billijk dat ik thans uw fout moet goedmaken; mijn mannen zullen hem
niet volgen. Zoo gij het noodig acht, vertrouw die taak aan uw
soldaten!”
„Zulk een taal tegen mij, verwenschte spitsboef! Ik zal het je leeren
dat men niet straffeloos een Europeaan beleedigt in het bijzijn van al
die zwarte apen.”
En hij sloeg hem vlak in het gelaat; een dof gehuil deed zich onder de
Balineezen hooren, hun hoofdman bracht de handen aan het gelaat, de
onverwachte slag deed hem duizelen, hij wankelde en zou ter aarde
gevallen zijn als Kiai Hemboong hem niet ondersteund had.
„Meester,” riep Wirajoeda uit, „kies tusschen dien ellendigen kafir en
ons. Wij willen niet langer dienen onder een hoofdman, die zich laat
beschimpen en zelfs slaan door zijn mindere. Wij zullen u wreken of
anders dooden wij u tegelijk met hem.”
„Spaar hem, ik bid het u! Hij is ziek,” vermaande Kiai Hemboong, „laat
hem tot zichzelf komen.”
En hij trok hem met zich mede in de tent; Kuffeler zag de dreigende
houding der Balineezen en misschien beschaamd over zijn onvoorzichtige
daad gaf hij aan eenige zijner manschappen bevel hier te blijven
terwijl hij met de anderen den vluchtenden Pangeran zou vervolgen.
Wirajoeda en nog eenige Balineezen traden in Soerapati’s tent; hijzelf
stond met den rug naar den ingang beide handen tegen het gebogen hoofd
gedrukt, terwijl Kiai Hemboong hem te vergeefs aanzocht iets opwekkends
te drinken.
„Meester, wat is uw antwoord!” drong de vurige Wirajoeda aan, „de
Balineezen vragen wat gij hen toedenkt, slavernij of vrijheid? Tot geen
prijs willen zij zich langer onderwerpen aan die vreemde meesters. De
ellendigste dood in de wildernis is beter dan leven in slavernij.”
Nog zweeg Soerapati, dieper en dieper zonk zijn hoofd. Wirajoeda’s
oogen fonkelden, hij bracht de hand aan de kris.
„Ik heb u lief,” ging hij met gedempte stem voort, „ik bewonderde u
sinds ik zag hoe duur gij uw vrijheid durfdet koopen. Ikzelf ben een
gevluchte slaaf, zoolang ik u diende, meende ik, zou er geen vrees
bestaan dat ik ooit weer den nek voor mijn blanken meester zou moeten
krommen. Wij allen hebben ons uit vrijen wil aan u vertrouwd, wij
lieten u gaarne het bevel over ons, het was ons goed u te gehoorzamen
zelfs toen gij verzekerdet, dat het in ons belang zou zijn de Compagnie
te dienen maar nu zien wij duidelijk, wat men ons toedenkt, dat nimmer
die trotsche blanken zullen vergeten wie wij waren, en dat vroeg of
laat ellendige slavernij opnieuw ons lot zal wezen. Bedenk dat daar
ginds geeseling en boeien, de zweepslag van den opzichter, de ketting
van den slavenmeester, oneer en schande ons vrijen mannen verbeiden. En
dat wil geen onzer, liever stoot ik u deze kris in het hart.”
Nu keerde Soerapati zich om en zag Wirajoeda met een onbeschrijflijk
matten blik aan.
„Steek toe vriend, steek toe!” zeide hij zijn borst ontblootend,
„grooter dienst kunt gij mij niet verleenen. Ik ben u dankbaar dat gij
mij van den ondragelijken last des levens bevrijden wilt.”
Maar Wirajoeda, liet de opgeheven kris vallen en zonk voor zijns
meesters voeten neer.
„Vergeef mij meester! Ik kan niet, ik kan niet! O waarom zijt ge
dezelfde niet van voorheen, de onverschrokken held, die noch vrees noch
angst kende? Word uzelf weer, beveel ons den Hollander aan te vallen,
stel u aan ons hoofd. Wat gij beveelt zullen wij verrichten, al gebiedt
gij ons ook Jacatra uit hun handen te rukken.”
„’t Helpt niet meer! De eerzucht is dood in mijne ziel.”
„En de wraakzucht ook?” fluisterde Kiai Hemboong. „Mijn zoon, ik heb
het voor u verzwegen daar ik groote rampen vreesde, maar nu is het
beter u alles te bekennen. Weet ge waarom Kuffeler u zoo diep grieft,
waarom hij u vervolgt? Hij is Suzanna’s echtgenoot.”
Woest richtte Soerapati zich uit zijn gebogen houding op; zijn oogen
spatten vonken rond, de kris verliet knarsend en bliksemend de schede,
hij zwaaide ze in zijn rechtervuist en stampvoetend van razernij, stiet
hij de vraag uit:
„Wie heeft dat gezegd? Wie?”
„Ardjo, ik beval hem te zwijgen, om uwentwille.”
„En die durfde mij slaan. Dood en verderf, ik zal mij nu wreken op de
Hollanders, op allen.”
„En wij zullen u niet verlaten meester,” juichte Wirajoeda, „gij hebt
goed gesproken Kiai. Heb dank!”
Soerapati stormde naar buiten met de alarmkreet van „amok, amok!”
waarmede hij eenmaal ook tegen de poorten der Bataviasche gevangenis
gerend was.
„Amok, amok!” kreten de Balineezen toen zij hem uit de tent zagen
snellen met opgeheven kris, buiten zichzelf van woede en wraaklust.
De Hollanders en kleurlingen, die bij elkander gevlucht waren, hadden
nauwelijks den tijd hun wapens te trekken. Als een horde wilde dieren,
schreeuwend en tierend, bloed en moord ademend, wierpen de Balineezen
zich op het kleine troepje, dat slechts in vluchten zijn heil zag, maar
vlucht of tegenweer baatte hen niet; zij werden achtervolgd en
omsingeld, achter elke struik, achter elken boom glommen de krissen,
weinige oogenblikken later waren allen neergeveld.
„Waar is de vaandrig, de ellendeling, ik dorst naar zijn bloed,” riep
Soerapati, maar Kuffeler, die vergeefs den prins vervolgde, bemerkte
niets van het aangerichte bloedbad en kwam niet meer naar het kamp.
Langs bergpaden en ravijnen keerde hij met zijn overgebleven soldaten
naar Tandjong Poera terug; Soerapati en de zijnen vervolgden hen van
alle kanten maar hij wist ze te ontkomen en kwam eindelijk bij den
commandant der kleine vesting terug met de schier ongeloofelijke
treurmare:
De Prins gevlucht, Soerapati in opstand, het grootste gedeelte zijner
mannen gedood; zooals licht te begrijpen is, gaf hij den Balinees
schuld van alles.
Eenige dagen later kwam Pangeran Poerbaya echter in eigen persoon op
het fort om zich aan den kapitein over te geven. Van Soerapati en zijn
mannen vernam men niets meer, zij hadden zich teruggetrokken in de
ontoegankelijke wildernissen aan den voet van den Galongong.
Toch wist een groepje mannen hem te vinden, een hunner was klein,
hoewel reeds volwassen, en heette Boeloe Kidoer de dwerg van den Prins;
de andere, die allen vol eerbiedige zorg omringden, hoewel in
manskleederen gehuld, trok spoedig de aandacht door zijn fijne, ranke
gestalte en teedere meisjesachtige trekken.
Beiden kwamen aan in de grotten, waar Soerapati en de zijnen zich
wegscholen.
„Herkent ge mij nog Heer?” vroeg de jongeling aan den Balineeschen
hoofdman.
Hij schudde het hoofd van neen.
„Deze kleeren behooren mijn geslacht niet. Ik ben Radhen Goesik eenmaal
Pangeran Poerbaya’s gade. Toen mijn echtgenoot zich nogmaals aan de
Compagnie onderwierp, heb ik mij van hem gescheiden. Nu verzoek ik u
mij te geleiden naar den dalem mijner ouders in Karta-Soera.”
„Er zal geschieden naar uw wensch, prinses!” sprak Soerapati zich diep
buigende, „alles is verbroken tusschen mij en de Hollanders. Zij hebben
mijn trouw en hulp versmaad, zij hebben mij belogen en verraden, ik zal
hun reden geven het met bloedige tranen te betreuren, dat zij de
vriendschap van Soerapati hebben versmaad. Dood aan hen! Wij trekken op
naar Karta-Soera.”
„Neem mij mede,” smeekte de dwerg, „ik wilde mijn meesteres niet
verlaten.”
„Ge kunt blijven,” antwoordde Soerapati, „maar op een voorwaarde. Leer
mij uw tooverspreuk! Ik heb ze noodig om de Hollanders te verdelgen. Ze
hebben mij alles ontroofd en ik ga mij nu wreken door tooverij en door
wapenen.”
„Ik zal u het woord toefluisteren,” grijnsde de dwerg, „het zal u den
weg banen tot een troon.”
En hij lispelde hem de geheimzinnige woorden in het oor.
TWEEDE GEDEELTE.
I.
HET STEEKSPEL.
Te midden der drie hooge bergen de Lawoe, de Merapi en de Merbaboe in
een schoone vruchtbare streek ligt de keizerlijke hofstad Karta-Soera,
die nog slechts sinds weinige jaren door den keizer van Mataram bewoond
werd. Vroeger toch tijdens den opstand van Troeno-Djojo lag de
residentie meer ten zuiden bij de hoofdstad Mataram; na het sluiten van
den vrede echter had keizer Hamangkoe-Rat een tegenzin gekregen in den
dalem, dien zijn vader bijna stervend had moeten ontvluchten en daarom
zich in Karta-Soera een paleis laten bouwen.
Zooals alle vorstelijke verblijfplaatsen had de kraton van Karta-Soera
meer het voorkomen van een vesting dan van een paleis; dikke ringmuren
hier en daar afgewisseld door bastions omgaven de talrijke gebouwen
door den keizer en zijn hofhouding bewoond; verscheidene poorten gaven
er toegang aan.
Niet ver van den hoofdingang zag men een omheining of pagger, die de
bamboezen huizen omringde, welke tot kazerne dienden voor de
Hollandsche lijfwacht, door de Compagnie genadig aan den keizer te
zijner bescherming toegestaan, maar die eigenlijk geen ander doel had
dan den vorst en zijn aanhang in het oog en onder bedwang te houden.
De hoofdpoort gaf toegang aan den grooten aloen-aloen, een uitgestrekt
binnenplein, door groote in parasolvorm gesnoeide waringins beplant en
van alle zijden omringd door kleine gebouwen, die tot bergplaats
dienden der gamelans van de rijksgrooten, van hun wapens en
paardentuigen in gebruik bij de wekelijksche tournooien. De grond was
met wit zand bestrooid; zorgvuldig was echter elk grashalmpje geweerd
en zoo helder en glad scheen de gladde oppervlakte, dat men er, volgens
Javaansche spreekwijze, gerust stofgoud op kon strooien, zonder dat dit
verloren ging.
Een tweede poort leidde tot het binnenste van het paleis, waar zich
achter de reusachtige, rijk met verguld snijwerk versierde pendoppoh,
het eigenlijke vorstelijke verblijf of de Probojoso bevond, niet ver
van de Kapoetren of harem.
Aan elke poort hield een vrouw de wacht, een oude gerimpelde nimf in
hofkostuum, dat wil zeggen in enkelen sarong tot boven de borst
reikend, armen, schouders en hals bloot maar met gele verf gekleurd.
Aan een der zijden van den aloen-aloen verheft zich de Sitingil, een
hoogte, waarop de keizer zich met zijn eerewacht neerzet wanneer hij,
zooals heden het geval is, een tournooi komt bijwonen. Het is een
levendig schouwspel, dat zich bij zulk een steekspel op den aloen-aloen
vertoont; eenige honderden ruiters in rijke zijden kleederen, omringd
door hun dienaren, welke evenals zij kleine vurige paarden berijden,
verzamelen zich op het open veld.
Een schitterend, echt Oostersch tafereel, een weelde en rijkdom van
kleuren en glanzen, die door de reeds dalende zonnestralen nieuwen
gloed en nieuw leven verkregen; het scharlakenrood voert den boventoon,
daarnaast vonkelt het geel in alle schakeeringen, nog schitterender als
het zich huwt aan het kalme paars of zich vereenigt met het levendige
groen in zijn diepe weerglansen, of door zijn stralen het droomige
blauw vervroolijkt. En over alles werpt de zon een roodgouden sluier,
de gouden gebitten der paarden en hun bonte schabrakken flikkeren in
den van haar geleenden luister met oogverblindenden glans; de takken
der waringinboomen laten een regen van vurige vonken op het zilverwitte
kiezelzand vallen; de bergen die het paleis omsluiten, baden zich in
den warmen gloed, en zenden koeltjes rijk aan geuren uit de bosschen,
die hun hellingen bedekken naar beneden in den lusthof. De blauwe lucht
spant zich over het stukje schoone aarde, dat hier tusschen de bergen
besloten is, wolkeloos en diep zooals zij zich alleen tusschen de
keerkringen vertoont.
De ruiters rijden heen en weer trotsch op hun fraaie paarden, trotsch
op hun versiering, trotsch op hun eigen kleeding, hun goud en
edelgesteenten; de gamelans in de verschillende huizen worden zacht en
teer aangeroerd (rechts en links van den Sitingil bevinden zich de
gebouwen, waarin de gamelans van den keizer, de gamelan monggang en
sekatèn bewaard worden.) Op eens wordt het spel luider en levendiger,
de ruiters scharen zich twee aan twee, de keizer gaat verschijnen, daar
treedt hij naar buiten omgeven door zijn stoet van amazonen en
lijfwachten, alléén te paard terwijl zij allen te voet gaan.
Hamangkoe-Rat onderscheidt zich noch door koninklijke houding, noch
door geestige trekken; slap hangt zijn donkerbruine huid om zijn
vooruitstekende jukbeenderen, zijn oogen liggen diep en zonder eenige
uitdrukking in de diepe kassen, zijn geheel uiterlijk mist alle kracht
en waardigheid ondanks de schitterende kleederen die zijn gestalte
omsluiten; alles verraadt den slaaf der laagste hartstochten, een man
door uitspattingen verzwakt en daarenboven door het gebruik van opium
uitgeput.
Op zijn hoofd draagt hij de hoog opstaande zwart zijden muts of
koeloek, rijk versierd met gouden borduurwerk, zijn sikepan of
bovenkleed is van stijf goudlaken en beurt het voorover hangende hoofd
door een breeden hoogen boord nog eenigszins op; een kostbare kaïn van
het beroemde Solosche fabrikaat valt op zijn donkergroenen eveneens met
goud doorwerkten djarik (pantalon) zijn voeten steken in purperen
muilen; in een rijk met edelgesteenten versierden gouden band die ’s
keizers middel omsluit, prijken de vonkelende gevesten van drie
krissen, terwijl een ring door een stralenden robijn versierd, daaraan
bevestigd is en straks de gouden haak van de toomen afwacht, als de
vorst zich tot het rennen begeeft.
De gelaatstrekken der Hollandsche lijfwachten schijnen nog blanker
tusschen al die gebronsde mannen; oranjesjerpen omgorden hun heupen, de
gele wambuizen der officieren zijn met linten en strikken versierd,
fraaie pluimen tooien hun breedgerande vilten hoeden; het zwaard dragen
zij op zijde, het schuift tegen hun geplooide beenbekleedsels, die in
nauwsluitende kousen en kaplaarzen eindigen, op de schouders rust hun
geweer. Kapitein Grevink gaat aan hun hoofd.
De Javaansche lijfwachten van beider geslacht volgen hen; de vrouwen
dragen pijl en boog, het zijn echter amazonen, die alle schoonheid en
jeugd missen, de mannen voeren pieken en lansen.
Eenige vrouwen in zoogenaamd hofgewaad dragen den keizer zijn gouden
zonnescherm, sirihdoos, kwispeldoor en troon na, deze troon tampar
genaamd is een laag vierkant tabouret van rood fluweel met gouden
franjes versierd; anderen dragen zijn wapens voor het rennen vereischt,
namelijk stompe lansen; het gevolg bestaat uit meer dan twee of
driehonderd mannen, die het in goud gezette keizersbeeld omringen.