„Hebt ge nooit het verhaal gehoord dat hun Heilig Boek hun leert,

Vrouwe! De groote aartsvader, die alleen overbleef met zijn drie zonen,

nadat het water des hemels om de boosheid der menschen de aarde en

alles wat er leefde verzwolgen had, vervloekte een dier zonen, deze

werd daarop zwart van huid en de stamvader van ons, donkere kinderen.”

„Ik wil mijn warme kleur niet ruilen voor de koude wangen der

Hollandsche vrouw,” zeide Koesoema verachtelijk, „maar spreek voort,

Kiai! Uw verhaal smaakt als de scherpe, droge lombok, zij prikkelt en

toch geeft het genot die te proeven. Hoe ging het verder met hun

liefde?”

„Eens kwam Sie Oentoeng bij mij; het buitenverblijf van mijn meester

paalde aan dat van den edelen Heer Moor. Ik had den ontembaren, wilden

jongen lief als mijn eigen zoon, ik had hem zien aankomen met zijn

trotsch gelaat en fiere houding, toen zijn meester hem op de

slavenmarkt gekocht had. Geen woord kwam over zijn lippen ook niet toen

de opzichter hem tot bloedens toe mishandelde, hij kromp ineen maar

geen klacht ontsnapte zijn lippen; ’s avonds bezocht ik hem en bestreek

zijn wonden met zalf; daar viel hij snikkend op zijn knieën voor mij

neer en besproeide mijn voeten met zijne tranen. Van dat oogenblik heb

ik den knaap in mijn hart gesloten, ook nadat hij de gunst zijns

meesters had weten te winnen en hij zijn lievelingsslaaf, zijn

vertrouweling werd.”

„En wat kwam hij u mededeelen?”

„Wat ik sinds lang wist, dat hij en nonna Suzanna elkander liever

hadden dan het licht hunner oogen, dat het leven zonder elkander hun

leeg en woest toescheen als een land zonder water en zonder wouden, en

dat er nu sprake voor haar was van een deftig huwelijk met een jong

onderkoopman. Haar droefheid kende geen grenzen meer. „Er is slechts

een middel,” riep Sie Oentoeng uit, „wij zullen elkander eeuwige trouw

beloven.”

„Hoort gij onzen eed, Vader, ik weet dat gij menig huwelijk onder uw

medeslaven hebt besloten, Suzanna zal het heilig boek meebrengen van

haar godsdienst en zoo zal het huwelijk tusschen ons even hecht en

heilig zijn als ware het in haar tempel gesloten. Ik deed wat ik kon om

mijn jongen vriend van dat heillooze voornemen af te brengen, het was

vergeefs. Tegen het vallen van den avond kwam hij met zijn geliefde in

het zomerhuisje dat op de rivier stond, die de beide erven der woningen

van elkander scheidde. Nonna Moor had haar gewijd boek bij zich; beiden

zwoeren elkander trouw op dat boek, verwisselden de ringen en namen

elkaar tot man en vrouw in tegenwoordigheid van God, van mij en van een

vriendin, die Suzanna met zich had genomen. Het was een zonderling

huwelijk, geen blanke zou het daarvoor erkend hebben maar Allah heeft

mijn bede gehoord: „o God! vereenig dit paar door den band des

huwelijks, gelijk Gij het water met den dauw vereenigt; want Gij o

liefderijke God schenkt uw liefde aan hen, die u beminnen!” En dat was

beiden kinderen genoeg!”

„Dus zij zijn waarlijk getrouwd! En verder!”

„Weldra kon het huwelijk niet langer meer verborgen worden. Begrijp den

toorn van den hooggeplaatsten vader, die zijn dochter zoolang met vuur

had laten spelen en nu plotseling zien moest dat het jonge hout aan het

branden was geraakt. Nonna Suzanna hield zich moedig, zij noemde haar

echtgenoot, het baatte niet; Sie Oentoeng werd in de gevangenis

gesloten, zijn jonge vrouw gezonden naar het landgoed van een vriend

haars vaders, dat op een eiland lag in de reede van Batavia.”

„En welke zijn de laatste berichten die Soerapati van haar ontving?”

„Ze zijn meer dan een jaar oud; zij schreef hem, dat zij moeder

geworden was van een zoon en dat zij op het landgoed van haar vader een

allertreurigst leven leidde, zij werd dag en nacht bewaakt, aan

ontvluchten viel niet te denken; haar vader behandelde haar hard en

wreed en wilde haar dwingen tot een huwelijk met een man veel minder in

rang dan zij, daar zij nu onwaardig was een beter huwelijk te sluiten.

Zij weigerde echter standvastig elk aanzoek, zich gebonden achtend door

haar belofte aan hem.”

„Hoorde hij niet meer van haar?”

„Weinig meer, ons leven was te zwervend maar ik zag het hem aan; hevig

verlangen verteerde zijn ziel naar vrouw en kind. Dat bracht hem er toe

zich te onderwerpen aan den kapitein, die wanhoopte hem te buigen door

de kracht der wapenen. Die liefde maakt hem den onverschrokken

krijgsman flauw en weekhartig als een kind.”

„Welnu, dan moet zij uit zijn hart gerukt worden. Ik beloof u mijn

hulp, Kiai; wat is thans uw voornemen!”

„Ik zal den knaap, die weldra hier zal aankomen laten zeggen dat nonna

Suzanna getrouwd is met een ander, onverschillig of dat waarheid blijkt

of niet.”

„En zal hij het gelooven?”

„Bezorg mij een ring gelijk aan dien, welken hij aan de hand der Nonna

schoof, dien moet hij hem terugbrengen.”

Bewonderend zag Radhen Goesik hem aan.

„Nu zie ik,” sprak zij, „dat het lastige wapen van de leugen u goed

toevertrouwd is. Lastig noem ik het daar ’t zoo licht de hand verwondt,

die het voert.”

„Voor mijn handen behoeft gij niet te vreezen, prinses.”

„Welnu, ik zal zoeken onder mijn kleinoodiën of liever u laten zoeken

of gij dergelijken ring vinden kunt. En verlangt ge niets anders van

mij?”

„Ge begrijpt dat Soerapati den knaap ruim zal beloonen voor goede

tijdingen.”

„Dan zal ik hem zijn leugens nog beter vergoeden.”

Radhen Goesik wenkte hem achteruit te gaan; zij waren op de open plek

gekomen, waar de tenten stonden.

VI.

POERBAYA’S KRIS.

Hevige opgewondenheid heerschte in het kamp toen de prinses met haar

gevolg er terugkeerde.

De Vaandrig Kuffeler omringd door zijn mannen had zich tot den prins

begeven en vroeg hem zijn wapens af in ruil van den beloofden

pardonbrief der Compagnie.

Soerapati stond terzijde bleek van drift; geen woord was sedert

gisteren meer tusschen hem en Kuffeler gewisseld; zonder zich het minst

om hem te bekommeren volgde zijn mindere zijn eigen instructiën. De

Balineezen morden en vroegen zich af, wat toch de bedoeling der

Compagnie geweest kon zijn met hen in dienst te nemen, vrijheid en

vergiffenis te beloven.

Was het alleen daar die Hollanders zich te zwak voelden om hen te

bestrijden dat zij in ruil voor hun vergiffenis hulp en bijstand van

hen vroegen, maar wat hadden zij met die gunsten der vreemdelingen te

doen? Waren zij hier niet in hun eigen land, voerden zij geen vrij

onbezorgd leven, beefde niet de geheele omtrek voor hen, bracht de

bevolking hen voorheen niet vrijwillig alles wat zij verlangden enkel

en alleen om hun dorpen van plundering te vrijwaren?

En in plaats van dat vrije lot, zocht hun opperhoofd opnieuw de

slavernij, hij spiegelde zich gouden bergen voor van zijn onderwerping

aan de Hollanders, nu kon hij ervaren waaruit die belooning bestond;

zijn diensten ja, die werden gaarne aangenomen, maar nu het de eer der

onderneming gold, nu ging een ander er zich mee tooien en hij mocht

toezien. Zouden nu eindelijk zijn oogen opengaan?

Soerapati wist wat zijn volk dacht en mompelde; hij hoorde hun

spotlach, hij kende hun denkbeelden en leed nog eens zooveel nu hij in

hun tegenwoordigheid zoo diep vernederd werd door dezelfden, aan wie

hij hen had opgeofferd. Het vuur der muiterij smeulde achter al die

gebruinde voorhoofden, het kostte hem slechts een woord en allen zouden

zij den vaandrig met zijn soldaten neergestoken hebben. Hij begreep het

en toch moest hij kalm blijven in tegenwoordigheid van zijn mannen, in

tegenwoordigheid van den prins, die hem zoo hoogschatte en die om

zijnentwille vooral zich oprecht en gaarne aan de Compagnie onderwierp.

Hij voelde zich beschaamd en diep vernederd maar er viel niets te doen;

elke daad van hem jegens Kuffeler dit voelde hij genoeg zou hem als

strafbaar aangerekend worden. Hij kon slechts den vaandrig laten begaan

om des vredeswille, de eer van Pangeran Poerbaya’s onderwerping aan hem

overlaten en alleen hopen op de billijkheid van kapitein Ruijs, die de

hooge Regeering den waren staat van zaken zou blootleggen en hem

voldoening geven tegenover den verwaanden vaandrig.

Hij gaf den prins dus een teeken dat hij zich aan den uit Batavia

gezonden onderofficier zou overgeven.

„Het zal nu wezen,” sprak hij, „of gij u rechtstreeks in de handen der

Ed. Compagnie stelt. Vaandrig Kuffeler spreekt als zaakgelastigde van

den Grooten Heer; ik kon slechts uit naam van kapitein Ruijs met u

onderhandelen.”

„Zal zijn slaafsheid nog verder gaan?” vroeg Wirajoeda een jong en

vurig Balinees aan den ouden Kiai Hemboong. „Ik ken onzen meester niet

meer. Is hij dezelfde, die slechts met een kleine kris voorzien ons uit

de gevangenis van Batavia verloste, de wacht neerstak zich van haar

wapens meester maakte, schrik en dood overal verspreidde?”

„Laat hem begaan mijn zoon! De tijger slaapt, wee den Christenhonden

als hij ontwaakt!”

„Maar waarom slaapt hij nu, waarom kruipt hij voor de Hollanders. Wij

hebben hen niet noodig, een slag en wij zijn weer vrij!”

„Hij is de moedigste die niets te verliezen heeft. Wie een kostbaar

kleinood vreest te verbeuren wordt zwak...”

„En lafhartig! Wij zien toe, wee hem zoo zijn slaafsche onderwerping te

ver gaat. Ook onze trouw en toewijding hebben grenzen.”

„Stil mijn zoon, stil! Overhaasting heeft meer bedorven dan moed deed

winnen. De vrucht van verbittering is nog niet rijp in Soerapati’s

ziel.”

Intusschen gaf Pangeran Poerbaya op kalmen, beslisten toon aan zijn

mannen bevel de bijeengebonden wapens aan den vaandrig over te geven.

De pieken, buksen en krissen werden in bundels aan de voeten van den

onderofficier gelegd.

„Daar het de wensch is van de Ed. Compagnie dat ik mij aan u onderwerp,

leg ik al deze wapenen vóór u ter aarde neder,” sprak hij kalm en

ootmoedig. „Ik hoop dat gij mijn vrijwillige onderwerping op prijs zult

stellen en dat geen kwaad mij en de mijnen geschieden zal.”

„Er ontbreekt nog een wapen aan!” beet de vaandrig hem ruw en scherp

toe.

„De Heer vaandrig vergist zich,” antwoordde Pangeran Poerbaya rustig,

„al mijn mannen zijn ontwapend.”

„Maar gij zijt het nog niet; ik moet ook uw kris hebben, anders erken

ik uw onderwerping niet.”

De trekken van den Bantamschen prins namen een smartelijke uitdrukking

aan, hij bracht onwillekeurig de hand aan zijn wapen, en een dof

gemompel steeg uit zijn manschappen op.

Radhen Goesik, die met de andere vrouwen en slavinnen bij de tent

stond, bedekte haar gelaat met de handen op het vernemen van dien smaad

haar echtgenoot aangedaan, ook de Balineezen lieten een onheilspellend

gerucht hooren. Soerapati bewoog zich echter niet, roerloos staarde hij

het tooneel aan.

„Verschoon mij Heer,” sprak de prins, „maar ik geef mijn kris niet aan

een ondergeschikt officier over.”

„Wat, durf je nog voorwaarden stellen, wees blijde dat wij jou met je

aanhang niet een blauwen pil laten slikken. Houd je praatjes voor je en

geef mij je kris.”

Vaster drukte Poerbaya zijn hand op het wapen en schudde het hoofd van

neen zonder met een enkel woord op de ruwe toespraak van den vaandrig

te antwoorden. Doodsche, dreigende stilte heerschte onder al die

mannen, in het woud verzameld.

„Geef je mij het ding goedschiks over,” drong Kuffeler aan steeds

dichter en dichter op den vorst toetredend.

„Vergun mij dat ik de kris op zijde houde, Heer!” sprak de Pangeran

altijd even onderworpen. „We zijn hier nog niet op uw gebied. Het woud

is onveilig en het zou gevaarlijk wezen daar ongewapend in rond te

dolen.”

„Meen je dat we niet sterk genoeg zijn jou en je kraam te beschermen

tegen wie ook of vertrouw je dat aan vreemden niet? Kom, maak geen

verdere praatjes en geef mij dat wapen, als je met Hollanders te doen

wilt hebben dan dien je ook hun gewoonten te kennen.”

„Ik ken de gewoonten der Hollanders,” hernam de prins, „maar men moet

mij zoo hard niet vallen, want dit is mij een groote schande. De

Compagnie heeft mij immers in genade aangenomen, waarom behandelt een

vaandrig mij zoo hard?”

Het gemompel verhief zich opnieuw, het werd luider en luider; aller

oogen waren op Soerapati gevestigd, de brandstof lag hoog opgestapeld,

een vonk was voldoende om ze in laaie te ontsteken; een wenk van zijn

oog en de Bantammers waren op de saamgebonden wapens gevallen om

tegelijk met de Balineezen Kuffeler en de zijnen neer te houwen.

Soerapati voelde dat de toestand hoe langer hoe meer gespannen werd,

dat dezelfde mannen, die nu nog naar hem opzagen in het volgende

oogenblik over hem heen zouden doen wat hun verbitterd gemoed

vóórschreef en dat het dan gedaan zou zijn met de mannen der Compagnie.

Hij trad tusschen den prins en den vaandrig en sprak op bedarenden

toon:

„De prins heeft gelijk, vaandrig! Personen van zijn rang geven hun

wapens slechts over aan leden der Hooge Regeering of aan

hoofd-officieren; hij mag gerust zijn kris behouden, ik sta er u borg

voor.”

„Wat komt gij er u mee bemoeien, slaaf!” riep de vaandrig verbitterd,

„’t deert u volstrekt niet, ’t is een zaak tusschen mij en den

Pangeran.”

„Ik wilde erger dingen voorkomen daarom trad ik tusschenbeide; sta den

prins toe zijn kris te dragen totdat wij het bosch verlaten. Hij heeft

gelijk, het kan hier onveilig worden en dan hebben wij gewapende mannen

hoog noodig,” en zacht fluisterde hij hem in, „sta het toe, ik blijf u

geen borg voor mijn mannen en de zijnen als gij voortgaat hen te

verbitteren.”

„Ellendeling, gij durft me dreigen?”

„Ik dreig niet, ik waarschuw slechts.”

„De woorden van den luitenant vinden weerklank in mijn ziel; ik zal u,

hoe ongaarne ook mijn kris overgeven, doch eerst als wij deze plek

verlaten hebben,” sprak de prins.

„Nu kan ik niets anders doen dan het beloven, gij hebt den man gek

gemaakt met uw dwaze tusschenkomst,” voer Kuffeler zich vertoornd

omkeerend uit, „pas op, uw schuldboek is dik genoeg, addergebroed; gij

vertrekt onmiddellijk naar Batavia daar kunt ge u verantwoorden ook nog

over dit allerlaatste heldenstuk.”

„Vaandrig, ’t is goed dat gij vertegenwoordiger zijt van de Hooge

Regeering,” zeide Soerapati nog altijd even kalm, „ik zou anders niet

vergeten, dat gij mijn ondergeschikte zijt.”

„Een gedroste slaaf mijn meester!” schimpte Kuffeler.

„Vaandrig,” fluisterde hem een zijner kameraden in het oor, „drijf de

zaak niet tot het uiterste, die menschen zijn tot alles in staat als ze

getergd worden. Zij zijn onze meerderen in getal.”

„Meent ge dat ik ze vrees en wat u betreft, bruine huichelaar,” zoo

wendde hij zich tot den Pangeran, „uitstel is geen afstel, uw kris moet

ik hebben, op den morgen onzer afreize.”

Verbaasd en als versuft zagen de inlandsche soldaten elkander aan en

Kuffeler pochte tegen zijn kameraden:

„Zoo moet men de Javaansche honden behandelen. Met kracht en geweld

krijgt men alles van hen gedaan, met toegevendheid niet.”

Radhen Goesik was intusschen op haar matje neergevallen en snikte:

„Wat moet hij haar liefhebben daar hij zooveel van haar landgenooten om

harentwille verdraagt!”

VII.

HET WAPEN VAN DEN GRIJSAARD.

Wirajoeda, Kiai Hemboong en nog eenige der voornaamsten van Soerapati’s

mannen waren tegen het vallen van den avond in zijn tent bijeengekomen

en bespraken den toestand, dien zij allen onhoudbaar vonden.

„Gij moogt die beleedigingen niet langer dulden, meester,” riep

Wirajoeda uit, „beter is het weer terug te keeren tot ons zwervend

leven in de wouden. ’t Is waar wij heetten toen roovers, maar is het

dan niet beter een vrije roover te zijn dan een slaaf, want tot slaven

willen zij ons weer maken, u zoo goed als ons. Gij hebt u aan hen

verbonden, wij volgden u gewillig, de eer en het vertrouwen u

geschonken was onze eenige belooning, nu echter, nu zij u hoonen, nu

zij den prins van ons bloed doodelijk beleedigen, nu weigeren wij

langer met hen samen te gaan. Verlaat hen meester, wij volgen u!”

Soerapati zag hem schijnbaar kalm en rustig aan.

„Is ’t u ernst geweest, toen ge eenmaal in de Bataviasche gevangenis

gezworen hebt mij te gehoorzamen, wat ik ook bevelen zou?”

„Ja!” riepen allen uit een mond.

„Wij hebben zware dagen doorleefd, moeilijke tijden verduurd, velen van

hen, die eens met ons waren zijn gevallen, het woud werd hun graf. Te

zamen hebben wij veel leed gedragen; de nood was hoog gestegen toen wij

ons aan de dienaren der Compagnie onderwierpen. Er viel te kiezen

tusschen hun bescherming of den dood door hun wapens. Van alle kanten

omsingelden zij ons; ik liet u vrij in de keuze en toen hebben wij ons

vrijwillig aan hen onderworpen.”

„En tot loon daarvoor willen zij ons thans weer in slavernij voeren.

Dat is een laag verraad!”

„Gelooft dat niet, vrienden! Niemand onzer heeft zich over kapitein

Ruijs te beklagen; hij is een rechtschapen, eerlijk man. Hij heeft mij

steeds zijn volle vertrouwen geschonken, de meest eervolle taak droeg

hij mij en dus ook u allen op; hij voorzag ons van wapens en zond ons

naar den Pangeran! Wat belette ons toen met de Bantammers gemeene zaak

te maken? Wij deden het niet, want wij zijn niet gelijk aan de stengels

van het bamboeriet, die door den wind van links naar rechts bewogen

worden. We hebben den Hollanders onzen eed van trouw gegeven, tot nu

toe braken wij dien niet. Waarom zullen wij nu allen, omdat een

verwaande vaandrig ons dreigt, de Edele Compagnie verraden en

terugkeeren naar een leven van roof en doodslag? Zal men dan niet

zeggen, het was dien mannen nimmer ernst met hun onderwerping? Zij

hadden ’t op onze wapenen gemunt en op niets anders, het zijn lage

dieven en bedriegers. De Heer Ruijs zal zijn hoofd schudden en zeggen:

„Geen bruin man verdient meer geloof!” Blijft dus bedaard! Gaat nu kalm

uitrusten, wie weet of de morgen geen verandering ten goede brengt.”

De Balineezen verwijderden zich en Kiai Hemboong stond alleen tegenover

zijn pleegzoon.

„Wat is er vader?” vroeg Soerapati, „uw gelaat voorspelt geen goede

tijding. Waarlijk, de dag bracht reeds zorg en toorn genoeg; o ’t kost

zooveel anderen tot kalmte en onderwerping aan te sporen, als het eigen

hart tot berstens toe vol is van gramschap.”

„Mijn zoon, uw hart is reeds zoo gepijnigd door verdriet en ergernis,

hoe zal ik die nog kunnen vermeerderen?”

„Ge brengt mij een bericht van rouw, ik zie ’t u aan. Is er iets met

den Pangeran of met kapitein Ruijs? Geeft hij den vaandrig gelijk?”

„Ik weet niets mijn zoon, noch van den vaandrig, noch van den heer

Kapitein. Ook het aangezicht van den edelen prins heb ik sinds van

morgen niet gezien.”

„Wat kan het dan zijn, uw woorden schijnen als overladen van gift en

dood? Is Ardjo....”

„Ja, gij hebt recht, Ardjo is weergekeerd.”

„En welke tijding brengt hij mij? Spoedig, spoedig, ziet ge niet hoe ik

verga van ongeduld. Leeft Suzanna...? Of neen, ik wil ’t uit uw mond

niet hooren, laat Ardjo zelf komen, laat hij zelf mij zeggen, wat hij

gezien en gehoord heeft.”

De grijsaard deed een stap naar buiten en wenkte een als Javaansche

landbouwer verkleed jonkman nader te komen. Ardjo trad binnen en wierp

zich aan zijn meesters voeten om die vol eerbied te kussen.

„Wat hebt ge mij te zeggen,” riep Soerapati onstuimig uit, „spoedig,

spoedig! Breng me goede tijding, hier is goud om u te beloonen, als gij

mij goede tijding brengt. Leeft nonna Moor?”

„Zij leeft, Heer!”

„En zij laat mij groeten, zij heeft mijn brief gelezen, zij verwacht

mij steeds?”

„Luister naar mij, Heer!”

„Ik zal luisteren, maar waarom ziet ge mij zoo medelijdend aan, gij

Kiai en gij knaap? Zij leeft en zij is gezond en toch durft ge niet

voortspreken.”

„Wilt ge kalm naar mij luisteren, Heer?”

„Ja, zeker, ik hoor u aan; ge zult mijn vertrouweling, mijn rechterhand

worden, als ge mij verzekert, dat zij gezond is, dat zij aan mij denkt

als aan haar echtgenoot.”

„Zij leeft en zij is gezond.”

„En zij denkt aan mij?”

„Zou zij niet aan u denken?”

„O geluk, dan vrees ik niets meer, Allah zij geprezen, zij is gezond en

zij heeft mij niet vergeten. Wat deren me nu de kleingeestige

plagerijen van een Kuffeler? Hoe kan ik meenen dat de Hollanders mij

verachten als zij mij trouw blijft? Gij hebt haar of haar slavinnen

gesproken?”

„Ja ik heb haar slavinnen gesproken.”

„En die hebben u verzekerd dat zij mij niet vergeten heeft?”

„Hoe zou zij u kunnen vergeten Heer, hoewel...”

„Dat hoewel is vol bedreiging, zeg mij waar gaat het zwanger van? Houdt

haar vader haar nog gevangen?”

„Neen Heer, zij is vrij, tenminste haar voeten zijn vrij.”

„Maar wat is dan niet vrij aan haar?”

„Zij zelf, Heer! want haar ziel is gebonden.”

„Ge bedoelt toch niet dat zij getrouwd is.”

„Helaas! Heer, niets anders!”

„Ellendeling! Voor dat bericht zal ik u dooden.”

En als een wild dier stortte hij zich op den knaap neer. Zijn oogen

rolden als vurige ballen, het schuim bruiste op zijn lippen en als

gekromde klauwen strekte hij de vingers uit om den ongelukkige te

wurgen. „Ampon, genade, Heer! genade!” kreet de knaap, achteruit

wijkend, maar in een sprong was Soerapati bij zijn slachtoffer, hij

klemde hem in zijn armen en brulde:

„Herhaal die leugen nog eens, als ge durft.”

„Ampon, ampon! goede, genadige, meester! Ik zal u alles zeggen,” kermde

hij.

Nu trad Kiai Hemboong tusschenbeide.

„Laat hem los! mijn zoon! Laat hem los! Sinds wanneer stelde men hem,

die een booze tijding bracht, verantwoordelijk voor de slechte mare

door hem bericht? Blijf uzelf meester!”

„Getrouwd met een ander, mijn vrouw! ’t Is niet waar, Ardjo ik zal u

geen leed meer doen. Vraag van mij wat ge wilt, maar zeg dat het niet

waar is, zeg dat ge u vergist hebt, dat ge mij op de proef wildet

stellen, dat nonna Moor mij nog trouw is.”

Hij hield de handen van den knaap nog steeds in zijn vuisten

geschroefd; hijgend en sidderend staarde hij hem aan, Ardjo keerde de

oogen af, zijn lippen bewogen zich, toen de oude man er tusschen kwam.

„Mijn zoon, wat baat het u de ooren te sluiten als de storm loeit, de

storm gaat toch voort alles te vernielen en te verwoesten wat hij

ontmoet. Beter is het bijtijds have en goed te bergen. Ardjo sprak de

waarheid, mishandel hem niet en hij zal u het bewijs geven van de

oprechtheid zijner ziel.”

„Ik wil geen bewijzen meer, als zij getrouwd is, dan zal ik hem dooden,

die het mij durft zeggen.”

Angstig gingen Ardjo’s blikken op en neer tusschen den ouden man en

zijn meester, besluiteloos wat hij doen moest.

„Geef uw Heer, wat gij hem te geven hebt,” beval Kiai Hemboong, „en

verlaat dan voor goed zijn oogen.”

Aarzelend haalde de jongen met zijn lippen een pakje uit de sjerp, die

zijn middel omsloot en reikte het Soerapati over; als een roofvogel,

die een betere prooi in het oog krijgt en die bemachtigen wil zoo liet

de Balinees de polsen van den knaap vrij, en wond het in zijde

gewikkelde pakje los.

Kiai Hemboong blies Ardjo slechts een woord in het oor: „Radhen

Goesik,” en stiet hem toen ijlings weg; Soerapati’s bevende vingeren

scheurden de windsels los totdat hij ten laatste een wit zijden

rolletje vond, waaraan een ring was geregen.

Razend slingerde hij het juweel van zich af als ware het een vergiftige

slang geweest en stortte toen luid brullend ter aarde neer.

Kiai Hemboong zag met wijd opengespalkte oogen zonder een vinger te

roeren de smart aan, die den krachtigen man overweldigde.

„Mijn drank is sterker dan die, welke zij kon doen bereiden,” dacht

hij, „zie hoe het wapen getroffen heeft! Maar ’t is slechts ’t begin

der genezing na de doodelijke kwaal.”

Hij loeide als de gewonde tijger, die met de spies nog in het lichaam

naar zijn hol terugkeert en het aangezicht der menschen ontvlucht; met

het gelaat ter aarde gedrukt ging Soerapati voort luid te jammeren en

te stenen.

Kiai Hemboong boog zich naar hem en fluisterde hem toe:

„Mijn zoon, matig uw smart, de Hollanders mochten uw klachten hooren en

meenen dat het hun meester is, die u deze kreten ontlokt.”

Maar de wanhopige hoorde niet; hij bleef aan zijn woede en smart lucht

geven op een wijze, waarvan zij die door levenslange beschaving en

zelfbeheersching geleerd hebben hun gevoelens te bedwingen en in een

keurs van fatsoen te sluiten, geen begrip hebben.

„Gelukkig, zijn tent ligt afgelegen, niemand kan hem hooren, van die

vervloekte Hollanders,” dacht de oude, en hij zette zich op den drempel

neer om de wacht te houden over de smart van zijn pleegzoon.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 3 / 30 段