gewonnen, maar ik geef de hoop niet op. O Boeloe! had ik nooit zijn
schoone gestalte gezien, dan ware die liefde mij niet zoo plotseling
door de oogen in het hart gedrongen, of is zij met zijn stem door mijn
ooren geslopen? Nu heb ik nergens rust meer, waar hij niet is. Zou
Allah besloten hebben hem mij te geven of heeft de booze geest dezer
streken in mijn hart dat noodlottige vuur ontstoken? Boeloe, ik beloof
u mijn mooiste gouden pending [10], als ge maakt, dat hij koning wordt
en ik zijn koningin.”
„Koning! Dat zal hij eenmaal zijn, prinses! en of gij zijn koningin
wordt, het hangt alleen van u af; wilt ge naar de woorden van den dwerg
luisteren?”
„Ach, ’t zal niet baten, Boeloe! De blanke vrouw vervult zijn hart, hoe
zal ik daar plaats vinden?”
„De eene berg kan daar niet komen, waar reeds sinds eeuwen de andere
staat, maar niets gemakkelijker voor de vrouw, die bemint dan de plaats
eener andere in te nemen, die afwezig is!”
„Ware zij mijn landgenoot, ik zou haar niet vreezen, dwerg, maar zij is
een blanke, en die vrouwen met haar blauwe oogen en geel haar hebben
meer macht dan wij.”
„We zullen zien, wie sterker is!” grinnikte de dwerg.
IV.
VAANDRIG KUFFELER.
Pangeran Poerbaya met al zijn volgelingen had zijn tenten laten opslaan
in de vlakte tegenover Soerapati’s kamp. Hij had den Balineeschen
luitenant bij zich ontboden en besprak met hem nogmaals breedvoerig en
nauwkeurig de voorwaarden zijner overgave.
„En neemt ge uw vrouwen en slavinnen mede naar Jacatra?” vroeg
Soerapati om hem over zijn plannen ten opzichte van Radhen Goesik te
peilen.
„Waarom zoude ik niet?” vroeg de prins met zijn zwaarmoedigen glimlach.
„Wat zou mijn ballingschap bitter en zwaar wezen, als ik het gezelschap
moest derven van haar, die mij ter zijde stonden in voor- en
tegenspoed? Met wie zou ik beter over mijn vroegere dagen van geluk
kunnen spreken en over mijn bitteren rampspoed dan met mijn trouwe
gemalinnen?”
„En zijn ze ook bereid de ballingschap met u te deelen?”
„Moeten zij dat niet?” hernam hij volgens zijn gewoonte, een vraag
altijd met een vraag beantwoordend. „Is de wil van haar gemaal en
meester dan niet haar hoogste wet?”
„Uwe vrouwen zijn van hooge geboorte, naar ik verneem?”
„Is de mijne dan ook niet hoog? ’t Is waar, mijn Radhen Ayoe is de
zuster van den Tjeribonschen Sultan, en mijn jonge vrouw is de dochter
van Mataram’s rijksbestuurder maar al ben ik ook gevangen, ik blijf
toch de zoon en broeder der Bantamsche prinsen, en ik ben er van
overtuigd, dat de Edele Compagnie dien rang niet vergeten zal.”
Blijkbaar lag de gedachte van zijn lievelingsvrouw te scheiden verre
van ’s prinsen geest, en Soerapati wanhoopte er aan Radhen Goesik op
deze wijze behulpzaam te zijn; hij bracht het gesprek dus weer op
gewichtiger zaken en de prins wees hem op de wapenen van hem zelf en
zijn volgelingen, die samengebonden in een hoek der hut lagen.
„Zoodra ge mij den pardonbrief der Compagnie overhandigt, zal ik u de
wapens overgeven, dan zijn wij uw gevangenen, en hangen van uw
edelmoedigheid af.”
„Waarop ge niet tevergeefs zult vertrouwen, edele prins! Ik heb naar
kapitein Ruijs in de vesting Tandjong Poera het bericht gezonden van uw
onderwerping, en hoop dus weldra den brief te ontvangen.”
Een der manschappen van Soerapati verscheen aan den ingang der tent en
wenkte zijn meester naderbij te komen. De luitenant stond op en vroeg
wat hij te zeggen had.
„Heer!” sprak de man half luid, „er is een troepje Hollandsche soldaten
in aantocht!”
„Dat kan het antwoord van kapitein Ruijs nog niet wezen!” zeide
Soerapati verbaasd. „Vergun mij, prins, dat ik ga zien wat die mannen
hier voert.”
Inderdaad naderden een veertigtal Hollandsche soldaten en kleurlingen
onder bevel van een vaandrig het kamp. Kiai Hemboong stond naast
Soerapati en schudde het hoofd.
„Dat beduidt niets goeds,” zeide hij. „Van morgen heb ik driemaal het
geroep van den uil gehoord; de zon is van morgen in vollen glans
opgegaan, en zie nu eens hoe duister de wolken zijn, die haar
bedekken.”
De vaandrig kwam nader en zoodra hij de Balineezen zag, die hier en
daar in groepjes met de volgelingen van den prins zaten of stonden te
praten, vroeg hij op hoogen toon rondziende:
„Wie uwer is Sie Oentoeng, of anders gezegd Soerapati!”
„Als gij den luitenant Soerapati zoekt, dan ben ik het, vaandrig!”
sprak de Balinees met van ingehouden toorn trillende stem; zijn oogen
fonkelden van verontwaardiging en zijn handen sloten zich krampachtig
inéén, maar toch ging hij oogenschijnlijk kalm, zijn mindere in rang te
gemoet, die hem op zulk een minachtende wijze durfde behandelen.
„Ja, ik moest je spreken,” sprak de vaandrig met een hinderlijke
zelfgenoegzaamheid, „waar kan dat onder vier oogen gebeuren?”
„Hier is mijn tent, daar kan ik u te woord staan, indien gij eerst
zeggen wilt wie ge zijt, en uit wiens naam gij komt.”
„Ik ben de vaandrig Kuffeler, en ik kom uit naam der Hooge Regeering
van Batavia den Pangeran Poerbaya zijn vergiffenisbrief brengen, en
tevens u gelasten, dat gij naar de hoofdstad terugkeert om u te
verantwoorden over hetgeen men u daar ten laste heeft gelegd.”
Naast den ouden Kiai Hemboong stond de dwerg, die hem met zijn
leelijken grijns veelbeteekenend aanstaarde.
Soerapati werd zoo bleek als zijn donkere huidskleur het toestond; hij
zag den vaandrig als van den donder getroffen aan; geen woorden kon hij
vinden om aan zijn verbazing en ontroering lucht te geven.
„Ge vergist u,” sprak hij eindelijk zoo kalm mogelijk, „dit kan uw
opdracht niet zijn; want de Heer Kapitein Ruijs heeft mij belast den
Pangeran tot onderwerping te brengen en daarna een vrijgeleide naar het
fort Tandjong Poera te schenken. Hoe is het mogelijk, dat gij dan met
dezelfde boodschap hier verschijnt?”
„Zoo gij mijn woorden van onwaarheid verdenkt, zie dan de stukken in,
die ik bij mij draag; ge kunt u overtuigen met uw eigen oogen of ik
leugens zeg. Waarlijk, die twijfel staat u fraai, man!”
„Hier is mijn tent,” zeide Soerapati, „de lucht wordt donker, het zal
boos weer worden, daar zijt ge ten minste veilig.”
Zonder op de beleefdheid, waarmede Soerapati deze woorden uitsprak,
eenige acht te slaan, ging de vaandrig hem voor naar de tent en gaf hem
zijn instructie-brieven over.
Intusschen stonden Kiai Hemboong en de dwerg geheimzinnig met elkander
te fluisteren, zich onder de takken van een pisangboom zooveel mogelijk
tegen de druipende waterstralen beveiligend.
„Hoort ge vader!” sprak de dwerg, „hoe uw lievelingszoon behandeld
wordt door zijn vrienden de Hollanders? Zal nu eindelijk zijn hart niet
wakker worden, en hij hun zijde niet verlaten?”
Zuchtend haalde Kiai Hemboong de schouders op.
„Hij zal hen blijven dienen, zoolang de blanke vrouw daarginds in
Soenda Kalappa zijn hart nog gevangen houdt. Alles zal hij verdragen,
liever dan de Hollanders te beleedigen, wanneer bij hem nog de hoop
leeft haar terug te krijgen.”
„En heeft die hoop recht tot leven?”
Kiai Hemboong zag met zijn listige oogen den dwerg aan.
„De verliefde hoopt nog als alle hoop vervlogen is, maar hij, wiens
hart niet gewond is, ziet scherper. Wat baat het echter of een ander
ziet, waar hij vrijwillig blind wil zijn?”
„Men kan hem de oogen openen. Ik ken een vrouw, die ziek van liefde is
om uw pleegzoon, een vrouw van ons volk, een hooge, aanzienlijke vrouw.
Als hij haar geleiden wil naar Karta-Soera, dan zal zij hem de
bescherming verkrijgen des keizers, zij zal zich gelukkig rekenen hem
haar hand te geven, dan zal hij de eerste stappen gedaan hebben op den
weg, die hem voeren moet naar de oppermacht, welke hem bestemd is.”
„Het zijn goede zaken, waarvan uw lippen spreken, dwerg, maar hoe
zullen wij ze doen dringen in de ooren van mijn pleegzoon? Wij moeten
de wond, die de Hollanders in zijn ziel slaan openhouden en vergrooten,
misschien zal dan eenmaal zijn liefde voor hen in haat veranderen.”
„Maar de blanke vrouw?”
Kiai Hemboong dacht na; de regen werd hoe langer hoe heviger, de
woudreuzen bogen onder het geweld van den storm heen en weder als waren
het dunne rieten stammen, de grond was een borrelende massa water
geworden door de telkens heviger neervallende reusachtig groote
droppels, die zich bij de anderen voegden, welke reeds een moeras
geworden schenen; een sterke lucht steeg uit de vochtige struiken en
het natte gras van het woud op en de helderheid van den dag had voor
schemering plaats gemaakt. Alles zocht een goed heenkomen, maar de
grijsaard en de dwerg bekommerden zich niet om de woede van het
opgezweepte woud en van de dreigende wolken.
„Wij zullen haar macht breken,” sprak de Kiai op beteekenisvollen toon.
„Soerapati heeft een zijner mannen naar Batavia gezonden om haar mee te
deelen, dat hij vrede gesloten heeft met de Compagnie en weldra haar
als zijn wettige vrouw hoopt te erkennen.”
De dwerg knikte met zijn groot zwaar hoofd.
„Ge zijt listig Kiai, uw wijsheid heeft met uw jaren gelijken tred
gehouden; gij weet wat de beste wijze is om de herinnering aan het
witte meisje, die scherp is als een doorn, uit zijn geest te rukken, en
heeft hij haar vergeten, dan zal het mijn meesteres gemakkelijk vallen
zijn hart te winnen.”
Langzamerhand werden de regendroppels schaarscher en minder hevig, het
bosch kwam tot kalmte, het zwaaide zijn natte takken als afgemat heen
en weer; in duizenden beekjes stroomde het water naar omlaag, de wolken
braken en een valschen glimlach gelijk zond de zon haar omfloerste
stralen over het nog dampende woud.
Soerapati en de vaandrig verschenen aan den ingang der tent.
„Ik kan u niets bepaalds antwoorden,” sprak de eerste; „mijn
instructiën zijn even duidelijk als de uwe. Kapitein Ruijs mijn chef
gaf ze mij, ik ben gebonden ze te gehoorzamen, en nu er tweespalt
schijnt te wezen, kan ik niets beter doen, dan mij aan de mijne te
houden. Ik ben in elk geval uw meerdere!”
De vaandrig lachte honend.
„Maar ik ben een Hollander!” sprak hij vol aanmatiging.
„Ik geloof dat de kleur hier geen verschil uitmaakt,” gaf de Balinees
altijd even hoffelijk ten antwoord, hoewel zijn bloed van
verontwaardiging kookte. „Alles berust op een misverstand. De Hooge
Regeering van Batavia heeft den pardonbrief rechtstreeks aan den Prins
willen doen zenden, terwijl ik meende dien door tusschenkomst van
kapitein Ruys te moeten vragen; zoo de brief er is, zal ik hem gaarne
den prins overhandigen.”
„Maar gij hebt niets te overhandigen, ’t is aan mij dat de Prins zich
moet overgeven.”
„In deze verwarring weet ik niets beters te doen dan mijn meester, den
Heer Kapitein, te laten vragen, hoe ik handelen moet, gehoorzamen aan
zijn mij reeds gegeven bevelen of naar u luisteren. Maar hoe kan dit
mogelijk wezen, het zou immers een groote onbillijkheid zijn indien ik,
die de onderhandelingen leidde, nu aan een ander de eer der overwinning
moest afstaan?”
„Voor een weggeloopen slaaf is uw eerzucht nog al groot. Ge begrijpt
toch dat de Compagnie niet dulden zal dat zulk een belangrijke opdracht
vervuld wordt door een man, die nog steeds vogelvrij is.”
„Dat ben ik niet meer,” verklaarde Soerapati fier, „wat er voorheen
gebeurd is, dat is vergeven. Ik ben nu in dienst der Compagnie zoo goed
als gij.”
„Wanneer dit zoo ware, waarom moet ik u dan oproepen naar Batavia om u
te verantwoorden?”
„Ik kan het niet gelooven, alles berust op misverstand en vergissingen;
wanneer kapitein Ruijs mijn boodschap ontvangt, zal alles zich
ophelderen. De Compagnie is rechtvaardig en eerlijk waarom zoude zij
mij wantrouwen; waarlijk, ik gaf er haar geen reden toe!”
„Spreek zoo luid niet, vriend!” hernam de vaandrig schamper, „de
Regeering zal weten, wat haar te doen staat, en waarom zij het doet.”
Soerapati antwoordde niet en vroeg bedaard of de vaandrig voor hem en
zijn soldaten tenten wilde opslaan; er was een open plaats daartoe
geschikt iets verder dan de vlakte, waarop de zijne en die van den
Bantamschen prins stonden.
„Ik zal mijn bevelen aan mijn mannen geven,” zei de vaandrig kortaf en
verliet hem zonder eenigen groet.
Ter prooi aan een hevigen toorn keerde Soerapati in zijn tent terug en
begon zijn brief aan kapitein Ruijs te schrijven.
„Zou het waar zijn,” vroeg hij zich telkens af, „wat de Kiai mij zoo
dikwijls herhaalt en wat mijn mannen mompelen? Zullen de Hollanders ons
nooit met zich zelf gelijkstellen; blijven ze ons altijd met wantrouwen
en geringschatting aanzien, omdat wij tot een minder menschenras
behooren? Dan had Suzanna zich niet aan mij vertrouwd, dan had zij mij
geen trouw gezworen.”
V.
OP BEDEVAART.
Radhen Goesik zocht vergeefs den slaap op het matje dat de weinig
prinselijke legerstede der vorstin uitmaakte, haar gedachten echter,
meer dan de schamele rustplaats, hielden haar wakker.
Een enkele blik op den Balineeschen slaaf, zooals hij dien avond in de
grot verschenen was met zijn krachtige, slanke gestalte geheel
verschillend van de inééngedrongen zwakke figuur des Pangerans, was
voldoende geweest om haar hart in liefde te ontvlammen voor hem in wien
zij reeds een onoverwinnelijken held vereerde.
Niet onduidelijk had zij hem haar gevoelens geopenbaard, doch hij was
er ongevoelig voor gebleven; de herinnering aan de blanke vrouw was een
schild, waarop alle pijlen Amor’s stomp schoten.
Bittere jaloezie vervulde Koesoema’s hart jegens die onbekende, nooit
geziene bruid, om wier wille hij zijn zaak afscheidde van die zijner
stamgenooten, aan wie hij zonder aarzelen zelfs de keizerskroon zou
willen opofferen, als hem die aangeboden werd; zij voelde zich
machteloos, zij de prinses tegenover den slaaf, zoolang zij haar
mededingster niet overwonnen had.
Zij werd hoe langer hoe onrustiger, de hartstocht tooverde haar
onophoudelijk den afwezige voor den geest, haar hoofd brandde, haar
polsen klopten hevig; of zij de oogen sloot, dan wel opende, altijd zag
zij hem terug, altijd hoorde zij zijn stem bevelend en streng tegen
zijn mannen, hoffelijk, vriendelijk, beschaafd als hij zich tot den
overwonnen prins of tot haar richtte.
O kon zij zijn liefde winnen, hoe gaarne bracht zij hem niet alles ten
offer, wanneer zij nog iets bezeten had; nu echter zou het haar hoogste
eerzucht zijn, het zwervend leven met hem te deelen, in afwachting dat
zij hem den weg opende naar roem en geluk, maar zij voelde, dat zij
niet te veel wagen mocht, uit vrees van het weinige, waarop zij zich
nog beroemde, te verliezen.
Tot geen prijs zou Soerapati een trouwelooze daad willen verrichten
tegen den ongelukkigen prins, die zich aan zijn edelmoedigheid overgaf;
al had zij ook de herinnering aan zijn blanke vrouw verdreven, al ware
het haar gelukt, zijn liefde te winnen, toch zou hij nooit er in
toestemmen haar aan haar gemaal te ontrooven, daarvoor kende zij hem
reeds genoeg, en ook daarom achtte en beminde zij hem des te meer.
Als zij zich aan hem opdrong, wie weet of hij haar niet aan den prins
zou verraden, en zij wist maar al te goed hoe streng de Javaansche
grooten de trouweloosheid hunner gemalinnen straften; neen, nergens was
er een uitweg, en haar liefde voelde zij bij het uur aangroeien, den
bergstroom gelijk, die met kracht zijn diepe bedding vult en dan over
zijn oevers heenstroomt.
Zij hield het niet langer vol en stond op; een gordijn van sarongs aan
elkander gevoegd, scheidde het gedeelte waar de vrouwen sliepen af, van
dat, hetwelk de mannen herbergde. Zachtkens schoof zij het weg en
fluisterde:
„Boeloe, slaap je?”
De dwerg rees ergens uit een hoekje op en kroop op handen en voeten
naar de plek, waar het hoofd der Radhen tusschen het gordijn verscheen.
„Wat verlangt mijn gebiedster?” vroeg hij schier onhoorbaar.
„Boeloe, ik wil den ouden man spreken, gij weet, wien ik bedoel; morgen
ochtend zal ik een offer brengen aan den heiligen Waringinboom, die
daar ginds aan het begin van den kampong Tjidoeran staat, zorg dat gij
er ook zijt met hem.”
„’t Zal geschieden zooals mijn meesteres verlangt,” antwoordde de
dwerg. Het zwakke licht der kleine plita (olielampje) belette dat de
prinses zijn gewonen grijns zag.
Toen de eerste stralen van den morgen in het bosch vielen en men uit de
verte het geluid hoorde van het rijststampen, dat zich met het gekraai
der hanen en het getjilp der vogels vermengde, ging de Pangeran naar
buiten om zijn eerste morgengebeden bij den rijzenden dag te brengen.
Radhen Goesik volgde hem en vroeg vleiend:
„Vergunt gij mij Heer! dezen morgen naar den heiligen boom op bedevaart
te gaan, om er aan de nagedachtenis van Sheik Oesin, die er eens leefde
en stierf, een offer van bloemen en vruchten te brengen? Wellicht
verkrijg ik dan van den Hemel dat een goede uitslag uwe
onderhandelingen bekroont.”
Met welgevallen zag de prins zijn jonge, schoone vrouw aan.
„Ga, lust mijner oogen!” sprak hij, „uw vroomheid is Allah welgevallig!
Maar neem twee mijner mannen mede; de boschwegen zijn onveilig, de
Balineezen van Soerapati en de soldaten van den Hollandschen luitenant
zwerven in het bosch rond. Licht doet uw schoonheid hen den eerbied
vergeten, dien zij mijn gemalin verschuldigd zijn.”
„Ik zal doen naar uw wensch,” antwoordde de prinses en weinige
oogenblikken later sloeg zij, vergezeld van een slavin die het offer
droeg en gevolgd door twee Bantammers, den weg in naar de heilige plek,
waar de dwerg en zijn oude vriend reeds aangekomen waren. In schijnbaar
vroom gebed verdiept, toefden zij onder den eerbiedwaardigen boom, die
op zich zelf een klein bosch vormde. Zijn dikke stam was door een
menigte andere stammen omringd, die eens luchtwortels waren geweest en
zich in den grond hadden vastgezet om op hunne beurt krachtige boomen
te worden, die als zuilen het ontzaggelijk breede loofdak hielpen
steunen, dat zich over een ruim grasperk uitspreidde.
Gemakkelijk was het te begrijpen, dat een kluizenaar jaren lang een
schuilplaats in dit woud van stammen en wortels had gevonden. Kleine
lampjes en nederige offeranden op den grond geplaatst verrieden de
heilige plek, waarheen ook Radhen Goesik hare schreden richtte.
Zij wierp zich op den grond, dien zij eerbiedig kuste en deed haar door
herhaalde hoofdbuigingen vergezeld gebed, maar zoo ooit dan was dit wel
een gebed waaraan de geest ontbrak, een zielloos woord, dat ontdaan van
zijn vleugels niet ten hemel vermocht op te stijgen; haar gedachten
verwijlden slechts bij het gesprek, dat haar zoo dadelijk wachtte.
Toen zij gedaan had, stonden allen op. Kiai Hemboong begroette de
vorstin, die genadig zijn groet aannam.
„Wij hebben denzelfden wensch gehad als gij, moedertje,” sprak de
dwerg, „vergunt gij ons in uw gevolg terug te keeren naar het kamp? ’t
Is waar, aan onze leelijke hoofden is zooveel niet verloren, maar toch
een mensch heeft lief wat hij bezit, zei de tjelleng [11] toen hij
weigerde zijn snijtanden te ruilen tegen het gewei van het hert.”
„Hoe grooter mijn gevolg is, hoe langer ik mij verbeelden kan nog
prinses te zijn,” antwoordde Radhen Goesik, „ik heb behoefte aan de
woorden van een oud en wijs man, Kiai, en het zal mij aangenaam wezen
uit uw mond goeden en heilzamen raad te ontvangen.”
Zij wenkte hem in haar nabijheid te blijven en ging zoo snel voort dat
er weldra eenige afstand tusschen hen en de overigen ontstond.
„Kiai,” zoo begon zij, „de dwerg heeft u ongetwijfeld verhaald dat het
’t geheime verlangen van mijn hart is terug te keeren naar mijn land,
naar het heerlijke Karta-Soera. Men zegt, dat gij alle macht bezit over
de ziel van uw zoon Soerapati, welnu, verkrijg van hem dat hij den
dienst der Hollanders ontvlucht om mij weg te voeren uit het land der
ballingschap.”
„Mijn macht over hem is slechts luttel, hooge Vrouwe, er is een ander
die zijn hart aan zich bindt, met koorden hechter dan de stevigste, die
uit de vezels van den kokospalm gevlochten worden. Zoolang die banden
niet verbroken zijn, behoort hij met hart en ziel aan de verraderlijke,
valsche vreemdelingen.”
„En kan de afstand, de tijd, die vezels niet ontrafelen?”
„Helaas! ik vrees van neen, prinses! Misschien zou er een middel
wezen...”
„En dat is?”
„Wat noch tijd, noch afwezigheid vermag, dat zal misschien mogelijk
zijn aan de leugen.”
„De leugen is een scherp wapen, snijdend als een goede kris, zoo zij
gehanteerd wordt door ervaren hand.”
„Ik hoop u te bewijzen, vorstin, dat de hand van uw dienaar beproefd en
zijn oog zeker is.”
„Hoe, ge wilt door een leugen trachten het hart van uw pleegzoon los te
maken van dat der blanke vrouw?”
„Ik zal het doen als mijn schoone meesteresse het mij gebiedt.”
Aan de listige stembuiging van den grijsaard begreep Radhen Goesik, dat
hij niets zou volbrengen als hem geen belooning werd aangeboden.
„Ik mis het recht u te bevelen, oude man!” sprak zij na een korte poos,
„ik kan u slechts verzoeken en mijn verzoek versterken door de hoop op
een schoone belooning. Zeg mij, wat ge wilt! Hebt ge geen dochter? Zij
zal mijn hofdame worden als ik teruggekeerd zal zijn in het rijk van
Mataram, of wilt ge liever dat ik aan uw zoon een vrouw beloof van
aanzien en rang?”
„Uw dienaar heeft geen kinderen, Prinses, niets dan de zoon van zijn
hart, die het niet is door zijn bloed. Zoo ik eenige belooning verlang,
dan moet het hem een vergoeding zijn voor hetgeen ik hem ga ontnemen.”
Radhen Goesik klemde de lippen op elkaar; in hevige gemoedsbeweging
golfde haar boezem op en neer, zij hield de oogen op den grond
gevestigd tot zij ze plotseling opsloeg en een blik, waaruit al het
vuur dat haar verteerde, gloeide, op den ouden man vestigde.
„Welke vergoeding ik hem schenken zal voor zijn blanke vrouw? Vraagt ge
dat? Mij zelf! is dat niet genoeg voor hem, den gevluchten slaaf? Maar
meer nog zal ik hem schenken, de bescherming mijns pleegvaders, den
machtigen rijksbestuurder van Mataram en dus ook de gunst des keizers.”
„Belooft ge mij dat, of liever weet gij, wat ge mij belooft? Zoo de
keizer den ontrouwen dienaar der Compagnie bescherming verleent,
verklaart zij hem den oorlog; zal men daartoe bereid zijn in Mataram?”
„De liefde van een vrouw vermag alles. Wanneer ik zijn gemalin ben, dan
vrees ik niets meer; veroorzaak een breuk tusschen hem en de Compagnie,
verbreek zijn vereeniging met de blanke vrouw en voor ’t overige sta ik
u borg.”
„De liefde eener vrouw overtreft den olifant in kracht, den eekhoorn in
behendigheid, de slang in list. Welnu prinses, ik zal vertrouwen op uw
woord en een afgrond graven tusschen hem en zijn vrienden. Maar bedenk,
ik doe het om uwentwille slechts; het geluk van mijn pleegzoon is mijn
eenig doel, hetzij hij ’t verwerft door zijn aansluiting bij de
Hollanders, hetzij door een vereeniging met u.”
„En ik zal hem schenken wat de geelharige hem nimmer bieden kan. Gij
kent haar,” riep zij plotseling uit met een van die snelle overgangen,
hartstochtelijken vrouwen eigen. „Gij hebt Nonna Moor meermalen gezien,
zeg mij dan, is zij waarlijk schoon, is de lansepkleur mijner wangen
niet bekoorlijker dan de bleeke, koude melatitint van haar huid?”
„Zij was schoon in de oogen van haar geliefde, en is dat niet
voldoende, prinses? Zij had hem lief en de liefde geeft een glans aan
het meest doffe voorwerp, schitterender dan de gouden verf, die ’s
keizers hoofd bedekt. Samen werden zij opgevoed; hij redde haar eenmaal
bij een speeltochtje, dat men op de reede van Batavia maakte, de storm
overviel het ranke bootje. Nonna Suzanna werd eruit geslingerd; Sie
Oentoeng, de slaaf, die haar zijde niet verliet, sprong haar na; met
het meisje in de armen zwom hij een half uur lang door de wilde golven;
dikwijls meende hij van uitputting weg te zinken in de diepte, soms
ontviel alle kracht zijn armen, maar hij versaagde niet. Eindelijk
bereikte hij de kust; het was een onherbergzame kale kust, daar bracht
hij haar bij visschers in veiligheid en keerde toen haastig naar
Batavia terug om den vader, die zijn dochter reeds voor dood beweende,
de tijding te brengen van haar redding.”
„En hij redde haar niet eens voor zich zelf!”
„De dankbaarheid van den Edelen Heer Moor kende geen grenzen; Sie
Oentoeng werd met geschenken overladen, het grootste geschenk echter
was Suzanna’s liefde; van dat oogenblik af schenen beiden slechts voor
elkander te leven. De Edele Heer was veel afwezig, hij had gewichtige
ambtsbezigheden en zijn dochter gunde hij alle vrijheid. Hoe kon hij
vermoeden dat zij, zijn oogappel, zijn juweel, zich zou vergeten om een
slaaf te beminnen, een zoon van het vervloekte bruine ras?”
„Is het dan waar wat men zegt, Kiai, verachten de Hollanders ons zoo
zeer?”