„Ge zijt mij welkom,” sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk, „

VAN SLAAF TOT VORST.

HISTORISCH ROMANTISCHE SCHETS

UIT DE

GESCHIEDENIS VAN JAVA

DOOR

MELATI VAN JAVA.

CULEMBORG,

BLOM & OLIVIERSE.

1887.

AAN

DEN BEROEMDEN DICHTER

VAN

„IN ’T HARTE VAN JAVA”

W. J. HOFDIJK.

INHOUD.

EERSTE GEDEELTE.

Bladz.

I. In het dal van Tji-Kendoel 1

II. Pangeran Poerbaya 12

III. Radhen Goesik Koesoema 18

IV. Vaandrig Kuffeler 29

V. Op bedevaart 36

VI. Poerbaya’s kris 47

VII. Het wapen van den grijsaard 52

TWEEDE GEDEELTE.

I. Het steekspel 70

II. In de Kapatyan 81

III. Op den berg Lawoe 91

IV. Een huwelijk in den kraton 102

V. Het verhaal van den dwerg 109

VI. Commissaris Tak 124

VII. Verraad 133

VIII. Amok! 141

DERDE GEDEELTE.

I. Amstelvreugd 149

II. Robert van Reijn 158

III. Oom en neef 167

IV. Een stem uit het graf 174

VIERDE GEDEELTE

I. De Koningin van het Oosten 1

II. Voornelust 12

III. Een visite op Batavia 23

IV. In den maneschijn 37

V. Johan van Hoorn 44

VI. Wederzien 56

VII. Markus en Digna 67

VIJFDE GEDEELTE.

I. De vluchtende keizer 80

II. In den kraton van Kediri 91

III. Vader en zonen 104

IV. Een moeilijke zending 115

V. Maagdenroof 125

VI. In Tosari 138

VII. Banjoe Biroe 148

VIII. Het vorstelijke gezin 157

ZESDE GEDEELTE.

I. De rechtspraak 169

II. Vader en zoon 182

III. De gunsteling des vorsten 194

IV. De verzoeking 204

V. De wapenschouwing 220

VI. Voor Bangil 231

VII. Soerapati’s dood 236

VIII. De wraak op den doode 248

IX. Vereenigd. 251

EERSTE GEDEELTE.

I.

IN HET DAL VAN TJI-KENDOEL.

Het jaar 1684 was nog slechts enkele weken oud.

De laatste schaduwen van den dag vielen neer op het rotsachtige dal,

waardoor de Tji-Kendoel, een kleine rivier, die aan den voet van den

Preangerreus, den Gedeh, ontspringt—haar wateren wringt; de hooge

bergtoppen alleen schitterden nog in kopergloed; maar in het dal

heerschte reeds duisternis. Bij het verdwijnen der zon stak een hevige

wind op, die de rotswanden deed daveren en dikke, zwarte wolken in

onstuimige vaart door het luchtruim joeg; nu eens bleven zij rusten op

de gekartelde ribben en ruggen van den berg, dan verduisterden zij het

stuk met sterren bezaaiden hemel dat het dal overspande; het werd daar

duisterder en duisterder, de laatste zonnestralen, die de wolkenmassa’s

nog vermochten te doorboren, verglommen in dreigend zwart. Met nog

donkerder schaduwen daar in zijn breede lendenen, waar de kraters en

afgronden gaapten, stond de bergreus te midden van de lagere toppen,

als een koning tusschen zijn hofhouding.

Geen wonder, dat de bewoners van den omtrek in hem het versteende beeld

vereerden van den laatsten vorst, die over het roemvolle koninkrijk van

Pandjajaran had geregeerd, de vorst, die eenmaal weer tot het leven zou

terugkeeren om aan zijn rijk de verdwenen grootheid terug te geven;

daar verheft zich immers de Pangerango zijn bedehuis, ginds steekt zijn

paleis de hemelhooge tinnen opwaarts, hier op de kratervlakte bevindt

zich zijn wapenplein, de bosschen aan zijn voet, dat is het statiekleed

waarop zijn koninginnen rusten.

Soms echter zijn er oogenblikken dat de geheele ontzagwekkende massa

voor het oog verdwijnt en zich schijnt op te lossen in den donkeren

nacht; dan alleen als de wolken vaneenscheuren, werpen de sterren hun

valen glans naar omlaag. Dat licht glijdt zachtkens over het graniet

van den Gedeh en een spottende geest, der duisternis gelijk, grijnst de

reus in het verschiet; donderslagen vermengen zich met het doffe

gerommel dat uit zijn ingewanden opstijgt als een ontzettende

schaterlach; nu en dan krijscht een nachtvogel of beantwoordt het

brullen van een verscheurend dier dat zich een prooi bemachtigde, den

wanhoopskreet van zijn slachtoffer.

Dat zijn de geluiden die in het dal weergalmen en zich vermengen met

het klotsen, murmelen, bruisen, borrelen, waarmede het water zijn

diepe, steenen bedding schuurt.

Het zijn echter geen kale rotsen, die hier den Tji-Kendoel insluiten,

een ruig, woest tapijt bedekt hen bijna geheel; een verwarring van

wortels, doornen, mos en hoog gras strekt zich voeten hoog uit van

rotspunt tot rotspunt. Als spinnewebben grijpen de luchttakken in

elkander, bloemenslingers wringen zich in spiralen naar omlaag of

bedekken als netwerk de varens, die zij onder hare verraderlijke

liefkoozingen dreigen te verstikken. Nu is alles een donkere, doornige

massa, de kleuren slapen; overdag leeft en schittert dat alles met alle

tinten van den regenboog in oogverblindenden glans.

Die woeste plantengroei is hier en daar onder den voet getreden;

tusschen de rotsen en de struiken kronkelt zich een pad, nu eens lager

dan weer hooger, soms hangend tegen de oevers, dan weer zwevend in de

lucht; een roodachtig licht flikkert in den stormwind, verschijnt op

een der hoogten, werpt zijn gloed over de spookachtige stengels van de

aloës en cactussen, over de trillende orchideeën en daalt neer in de

diepe bedding, waar het roodachtige glansen in het bruisende water

toovert.

’t Komt van een fakkel, die de avondwandeling van twee mannen verlicht;

bij het schijnsel van het dansende vuur nemen hun bruine gelaatstrekken

een warme bronskleur aan, want zij zijn beiden donker, inboorlingen

blijkbaar, hoewel hun kleeding aanmerkelijk van die hunner landgenooten

verschilt.

Een gesloten geel wambuis omsluit de welgevormde krachtige gestalte van

den jongste; hij is groot voor een inlander en kloek gebouwd; een

kleurige hoofddoek bedekt als een tulband zijn korte lokken, daaronder

komen zijn koen geteekende trekken, zijn donkere, diepliggende oogen,

zijn vastberadenheid teekenende, zwaar geknevelde lippen scherp uit;

een korte sarong valt af tot over zijn knieën; een Europeesche buks

hangt in een bandelier van zijn schouders, om het middel draagt hij

echter den draagband, waaraan de schede der Javaansche kris hangt. De

kris zelf houdt hij in zijn hand en slaat daarmede de takken en

slingers weg, die hem het pad konden versperren. De fakkel wordt door

zijn gezel gedragen, een man, die wellicht in Europa nog slechts even

den middelbaren leeftijd kon hebben overschreden, hier echter reeds

bijna voor grijsaard moest doorgaan. Hij is kleiner dan zijn kameraad,

zijn kleine, sluwe oogen knippen telkens toe, zijn slappe trekken

hebben het leelijke type aan oude Javanen eigen, zijn lippen zijn

gebarsten en gespleten door het gebruik van sirih en gambir [1]; zijn

neus is plat en zijn wangbeenderen steken ver uit; over zijn javaansche

kleeding draagt hij een opengeslagen lang jak, de kabaya, maar in

vlugheid en behendigheid geeft hij zijn veel jeugdiger makker niets

toe; in zijn rechterhand houdt hij een lans.

„Nu zullen wij de plek haast naderen, gelooft ge niet, Vader,” vraagt

de jongere.

„’t Is ons gezegd, daar waar de Tji-Kendoel tusschen het steenen

bruidspaar, de Penganten-rotsen, benauwd wordt, moet zich een grot

bevinden, die den vluchtenden prins herbergt.”

„Ik hoop dat uw raad goed zal blijken, Kiai; slechts op uw aandringen

heb ik mijn soldaten verlaten om alleen den Pangeran te gaan spreken.”

„Mijn Zoon! moge de uitkomst u leeren dat de taal van den grijsaard een

taal van wijsheid is; spreek met den Pangeran, spiegel hem de

voordeelen voor die zijn onderwerping hem zal aanbrengen; spoedig

verschijnt hij in uw kamp met zijn getrouwen en geeft u zijn wapens

over.”

„’t Zou een groote overwinning voor mij wezen.”

„Die de blanke mannen u rijkelijk zullen vergelden.”

„Ge zegt dat spottend, Kiai!”

„Men zal u naar Batavia zenden....”

„Dat nimmer; ik keer niet terug naar Batavia, of het moest zijn uit

vrije beweging, als geen gevaar mij dreigt. Maar welk gevaar zou ik

vreezen? Heb ik dan geen vrede gesloten met de Edele Compagnie?”

„Een vrede als de tijger sluit met het hert, dat zijn klauwen

ontvluchtte; zoolang het rappe dier buiten zijn bereik is, belooft de

tijger gaarne barmhartigheid, maar is het eenmaal in zijn nabijheid,

wee het al te vertrouwende hert!”

„Vader! uw achterdocht is te groot! Ik vertrouw de blanke mannen, ik

heb hun vergiffenis aangenomen, ik draag hun wapens, ik volvoer hun

last, Allah weet met welken ijver en trouw. Waarom zou ik hun gramschap

vreezen?”

„Mijn Zoon, eer zult gij aan die rivier onder uw voeten gelasten terug

te keeren naar den berg, waaruit zij ontsprong, dan dat gij uit de ziel

van die blanke menschen de herinnering zult uitwisschen van de

beleedigingen hun door een slaaf aangedaan.”

„Een slaaf!”

„Dat zijt ge nog steeds, Sie Oentoeng! Hier gebiedt gij over honderden;

ginds in Jacatra zijt gij slechts een slaaf, een gevluchte slaaf. En uw

meester....”

„Mijn meester, zal hij tegen mij, als ik Pangeran Poerbaya tot

onderwerping breng, langer wrok koesteren?...”

„Hij zal u zijn dochter geven tot wettige vrouw!” sprak de andere met

een spotlach.

De opgeheven kris, die zoo juist een tak orchideeën door midden had

gesneden, zonk neer; de groote oogen van den jongen man vlamden op,

zijn neusvleugels trilden.

„En waarom zou hij dat niet doen, Kiai? Ben ik minder dan de bleeke

mannen, die lager rang in het leger bekleeden dan ik? Waarom zou hij

zich schamen mij openlijk te geven wat toch reeds het mijne is, want

Nonna Suzanna is mijn vrouw. Zij zal mijn vrouw blijven, mijn eenige!

Denkt de Edele Heer omdat mijn kleur donker is, dat ik zijn dochter

niet kan liefhebben en trouw zijn, zooals geen zijner blanke vrienden

het zou wezen?”

„’t Zal u niet baten, mijn Zoon! Eer neemt gindsche berg weer de

gestalte aan van den machtigen koning, dan dat een blanke man zijn

dochter uithuwelijkt aan een slaaf.”

„Maar ik ben geen slaaf meer, ik ben officier in dienst der Edele

Compagnie; ik wil de gelijke worden van de Hollanders in alles, zelfs

in hun godsdienst zoo ’t zijn moet.”

„Ge zoudt den Profeet verlaten, Sie Oentoeng!”

„Zooals ik eenmaal Batoro Shiwa verliet; ge weet dat ik Balinees en

Hindoe ben en dus nooit anders dan met de lippen uw Profeet heb

vereerd. De godsdienst van Suzanna trok mij aan, meer dan de uwe Kiai,

ik zou dien gaarne omhelzen als ik aan haar uitgehuwelijkt mocht worden

in haar tempel.”

„Hebt ge ooit den kalong en de duif zien paren, mijn Zoon? Nimmer, niet

waar? Evenmin zal wit en zwart ooit één worden in den tempel der

blanken!”

„En onze donkere vrouwen dan? Die versmaadt de blanke niet; zoude ik,

hun gelijke in dapperheid en kracht, haar die mij liefheeft niet

volgens haar wetten de mijne mogen noemen?”

„Geen wetten of adats gebruikt de Christen als hij een dochter van Java

tot vrouw neemt.”

„Ik heb Suzanna volgens de gebruiken van mijn land gehuwd.”

„Daarom liet haar vader u opsluiten in afwachting dat gij doodgegeeseld

zoudt worden.”

„Dien smaad ben ik ontkomen; nooit anders had ik mijn kris opgeheven

tegen Suzanna’s volk, maar toen, ge weet zelf Kiai, in welken toestand

ik was. Mijn meester, die mij met vriendschaps- en gunstbewijzen had

overladen, als ware ik zijn eigen kind geweest, overstelpte mij met

zijn toorn; in de gevangenis moest ik mijn lot wachten.”

„Een vreeselijk lot; ik was er ook opgesloten omdat ik een kostbare

Japansche vaas van mijn meesteres gebroken had. Gij echter, slaaf als

ik, hebt het geluk van de dochter uws meesters gebroken.”

„Omdat zij er mij den moed toe gaf; helaas! hoe zal ’t haar gegaan zijn

na de vreeselijke ontdekking?”

„Niet erger dan u, Sie Oentoeng. Maar ongelukkiger dan gij zal zij zich

niet hebben kunnen ontworstelen aan haar bestemming.”

„Ik heb Ardjo naar Batavia gestuurd; hij is listig en zal vermomd het

erf van Toewan Moor binnendringen, Suzanna spreken en haar zeggen, dat

ik weldra zal terugkomen, vrij en begenadigd, om openlijk haar hand te

vragen.”

„Uw hoop gelijkt de lucht, zie daar de sterren schitteren, wacht een

oogenblik, de zwarte wolk nadert en dan blijft niets meer van hen over.

Zoo zal het ook gaan met uwe verwachting, mijn zoon!”

„Maar, Vader, zal ik dan geen belooning kunnen vragen na de

onderwerping van den Pangeran? Heeft kapitein Jonker, een Ambonnees

zooals ik, een kind van Bali, na Troeno-Djojo’s val de schoone keizerin

Mahera niet tot belooning ontvangen voor zijn diensten der Compagnie

bewezen?”

„Mahera was Troeno-Djojo’s weduwe, en de bruid die gij verlangt is een

blanke. Mijn Zoon, ge weet hoe innig ik mij aan u verknocht voel,

hoeveel dank ben ik u niet verschuldigd! Gij hebt mij verlost uit de

gevangenis, die ik weigerde te verlaten. Toen gij de wacht had

neergeveld en met hun wapenen de gevangenen verrijktet, kwaamt ge terug

en trotseerdet nieuwe gevaren om mij te bevrijden. Dat vergeet Kiai

Hemboong nooit. Ik zal u vergezellen als een vader zijn zoon, maar

geloof mijn woord! Reeds eens zooveel malen als na uw geboorte,

wisselde de kokospalm zijn ringen tijdens mijn leven; ik heb veel

gezien in het huis der blanken, waar ik jarenlang slaaf was. Zij zijn

hier gekomen als onze meesters; hun doel is de kinderen van den Islam

te overheerschen, nooit echter zullen zij ons toestaan hun gelijken te

worden. De minste hunner acht zich verheven boven onze prinsen. Zij

willen onze diensten aannemen, maar hebben wij hen gediend, dan werpen

zij ons weg als de pitten van den lansep, dan zijn we hun bitter

geworden; zij kunnen ons niet langer gebruiken.”

„Ge raadt me dus af de Compagnie te dienen?”

„Ik heb ’t u afgeraden, toen kapitein Ruijs u met schoone beloften

vleide, zijn vergiffenis aan te nemen. Maar nu gij eenmaal hem trouw

gezworen hebt, zal ik zooveel ik kan u in alle moeilijkheden bijstaan.

Ik zal u vergezellen naar Pangeran Poerbaya en naar Batavia zoo het

zijn moet, Sie Oentoeng!”

„Noem mij niet langer met dien naam, Kiai. ’t Is de naam der slavernij,

mij door mijn meester geschonken; nu ben ik officier der Edele

Compagnie, en draag voortaan den naam, die mij toekomt, Soerapati.”

Een geritsel in de struiken deed hen stilstaan. Soerapati nam de fakkel

uit de handen van Kiai Hemboong en liet haar gloeiende stralen vallen

in de richting vanwaar het geluid voortkwam.

Een ineengedoken gestalte zat op eenigen afstand verborgen in het

kreupelhout.

„Wie zijt ge?” vroeg hij met dreigende stem.

De gestalte bewoog zich kruipend voorwaarts.

„Ampon, ampon!” [2] kreunde hij zacht, „ik kwam hier kruiden zoeken,

die bij het licht der sterren moeten geplukt worden, ik ben een arm

man. Laat mij in vrede!”

Nu eerst zag Soerapati dat de kleine ineengedrongen gestalte het van

nature was; een onevenredig groot hoofd, met oudelijke trekken door een

kolossalen tulband omwonden, wiegelde op een kinderlichaam, welks

lengte nog geen tien jaar verried; zijn kleeding was echter van fijne

stof en een miniatuurkris, rijk met goud en diamanten versierd,

fonkelde in den gloed van de toorts; met een instinctmatige beweging

bracht hij de kleine handen aan het schitterende gevest.

Soerapati lachte.

„Kleine worm, denkt ge dat je mooie kris mijn oogen bedwelmt? Kom hier,

en zeg me wat ge daar uitvoert en waar ge t’huis hoort.”

Met een forschen ruk greep hij hem bij de schouders en trok hem voor

zich op het steile pad.

„’t Is de dwerg van den Pangeran!” fluisterde Kiai Hemboong zijn jongen

vriend toe.

„Is het waar, behoort gij tot het gevolg van den edelen Pangeran van

Bantam?” vroeg Soerapati.

„Och ja, heer! ik was reeds bij hem, toen hij daarginds in Bantam,

vóórdat de onzalige krijg uitbrak, zijn hofhouding hield. Ik heb hem

altijd vergezeld, in storm en bij zonneschijn, nadat hij op raad van

den ellendigen hadji Sheik Yoesoef opstand verwekte tegen zijn

broeder.”

„En waar is hij nu?”

„Heer, sla mij met uw kris het hoofd af, niemand zal morgen meer vragen

naar den kleinen Boeloe Koedoer, maar verg niet van mij dat ik mijn

meester verraad.”

Spotlachend tilde Soerapati den kleinen man omhoog.

„Mijn kris is te goed om je hoofd af te slaan, het eenige dat groot

genoeg is aan je lijf; maar je achterdocht staat je leelijk. Ik zal

geen haar van je meester’s hoofd krenken, integendeel, ik kom hem een

goede tijding brengen.”

„Hij heeft de goede tijdingen al afgeleerd.”

„Welnu, ik zal ze hem weer gemeenzaam maken, zeg mij waar hij huist! Of

liever, zeg mij niets, als ik het niet wist, zou ik geen urenlang door

het bosch gekropen hebben om hem te bezoeken.”

„Gij wilt hem bezoeken, gij komt hem tijding brengen uit Soenda

Kalappa?” [3]

„Misschien!”

Het mannetje sloeg in de handen.

„Zet me neer op den grond, ik zal u vóórgaan naar zijn verblijf, zijn

dalem!” voegde hij er spottend achter.

Soerapati wisselde een blik met zijn gezel.

„Volg den dwerg, mijn zoon!” sprak de Kiai, „hij zal ons den kortsten

en zekersten weg wijzen.”

„Voort dan Boeloe Kidoer! En waag het niet ons op een dwaalspoor te

brengen; hier staan twee krissen, een lans en een geweer gereed om je

lichaam meer wonden toe te brengen dan het bevatten kan.”

„Ik zal vlug zijn als de kantjil [4] en oogen hebben als de wilde kat,

die zelfs in het donker ziet,” verzekerde de dwerg.

Inderdaad wist hij met de behendigheid van den eekhoorn door de

struiken te dringen, zelfs daar, waar deze het ondoordringbaarst

schenen, de steilste rotsblokken over te klauteren, in de nauwste

bergpassen te kruipen.

Een vurige gloed vertoonde zich plotseling onder de voeten van het

drietal; men zag donkere gestalten heen en weer gaan, mannen, vrouwen

en kinderen ineengedoken zitten onder de overhangende rotsen, of rondom

het houtvuur, dat in het midden van de kleine bergvlakte aangelegd was.

Het was goed, dat deze vlammen den omtrek verlichtten, want een booze

windvlaag blies de fakkel uit; de wolken pakten zich dreigend samen en

groote droppels vielen met een kracht, als waren het hagelsteenen,

kletterend tegen de rotsen.

„Daar troont de machtige prins van Bantam,” sprak de dwerg, die,

schrijlings gezeten op een rotspunt, grijnslachend op het kamp wees en

plotseling de hand opheffend, riep hij uit:

„Maar gij, gij zult eens machtig worden, gij zult grooter wezen dan de

hooge Sultan Hadji van Bantam; zelfs de keizer zal u vreezen, als gij

slechts de ngempoel [5] onthoudt, die u over uw vijanden zal doen

zegevieren.”

„En welke is die ngempoel?” vroeg Soerapati.

„Ik zal ze u toefluisteren; de Pangeran zou mij een gouden draagband

geven als ik ze hem zeide, maar hem helpt de ngempoel toch niet meer.

Allah heeft hem verlaten, sinds de verraderlijke Sheik Yoesoef het

heilige graf daarginds aan den voet van den Salak beroofde. ’t Zal

krachteloos wezen in zijn mond, maar gij zult er een kroon mee winnen,

geen Hollander is bestand tegen dien ngempoel!”

„Houd dan je tooverwoorden op je tong en misbruik ze niet door ze aan

de lucht over te geven! Ik ben in dienst der Hollanders en wil hen niet

bestrijden, noch door mijn zwaard, noch door een tooverwoord.”

„Hebt ge ooit gehoord dat de kidang [6] zich toevertrouwde aan den

jakhals, zoo mag ook de zoon van Mahomed zich niet inlaten met de

Christenhonden, ik heb het mijn meester gezegd, maar als de vrouwen

spreken dan moeten wij mannen zwijgen! Wilt ge de ngempoel hooren?”

„Neen! wijs me liever den weg naar beneden naar den prins!”

„Fluister het mij in,” sprak Kiai Hemboong, „ik zal het hem zeggen als

de tijd gekomen is.”

Het oude gelaat van den Kiai boog zich neder tot den dwerg, die in zijn

oorschelp zijn antwoord deed vallen, als ware hij bevreesd dat een

weerklank weg zou stuiven in de lucht.

„U mag ik het niet zeggen, maar de dag nadert dat hijzelf er mij naar

vragen zal. Ik zie het, de mata-hari blinkt op zijn hoofd, daar zal

eens een kroon op rusten. Ik verlaat den Pangeran en wil hem volgen.”

II.

PANGERAN POERBAYA.

Pangeran Poerbaya omgeven door zijn beide liefste vrouwen en kinderen

had een toevlucht gezocht in een vrij ondiepe bergkloof, tegen den

steeds feller neervallenden regen; mismoedig zat de vluchtende prins op

de kleine mat, het eenige teeken nog zijner waardigheid, zijn sirihdoos

stond onaangeroerd te zijner zijde, een kleine olielamp was in een hoek

der rots geplaatst en verlichtte met haar flauw licht het vorstelijk

gezin; rechts zat zijn oudste vrouw Radhen Sepoe, die zacht snikkende

aan haar leed lucht gaf.

„Daarvoor had ik mijn schoon land niet verlaten,” klaagde zij, „om

maanden lang zulk een leven te leiden. Mijn minste slaven zouden niet

met mijn lot willen ruilen. Wat hebt gij gewonnen Heer! door u te meten

met de Hollanders? Zij zijn almachtig. Sedert dat zij op Java geland

zijn is het met de macht van den bruinen man gedaan. Evengoed kunt gij

strijd voeren met den Gedeh, als te hopen dat gij ’t van hen zult

winnen!”

„Schrei niet meer, vrouw!” sprak de prins deemoedig, „uw tranen

doorweeken mijn hart meer dan de regendroppels mijn kleederen

bevochtigen. Zij hebben mijn moed verdreven; als de Edele Compagnie mij

vergiffenis schenkt, zal ik bereid zijn mij over te geven aan haar

edelmoedigheid.”

Luide snikken weêrklonken in de grot, de beide Radhen Ajoe’s en haar

dochters weenden, en de slavinnen volgden het voorbeeld harer

meesteressen.

„Wat zal ons lot wezen onder de Kafirs,” [7] vroeg de tweede gemalin.

„Zwijg!” beval de favorite, „alles zal beter wezen dan dat leven in de

bosschen, dat zwerven in holen en spleten. Storm en regen zijn nu onze

vijanden; de blanke mannen zullen genadiger wezen.”

„Waarom vluchten wij niet naar Karta-Soera, waar mijn oom de

Rijksbestierder van Mataram woont?” vroeg de andere weer.

„Zoek den weg tusschen de wapenen van de Hollanders!” sprak de

Pangeran, „en wat zal het u baten? De keizer heeft vrede en

bondgenootschap gesloten met de gevreesde vreemdelingen.”

„Vloek over hen!” riep de tweede Radhen Ajoe uit, „niets als onheil kan

uit zulk een verbond voortkomen. En u Sepoe, het zal u berouwen onzen

heer zulk een laffen raad te hebben gegeven.”

Angstig zag de prins zijn beide vrouwen aan; hij wist wat een twist

tusschen haar te beduiden had en wilde deze zoo goed hij kon in deze

enge ruimte voorkomen; wellicht ware hem dit niet gemakkelijk gevallen,

als niet plotseling het kaboutermannetje zoo onverwachts als steeg hij

uit den grond op, in de grot verschenen was.

„Vader,” zoo begon hij, „de kalongs [8] hebben mij een mooi sprookje

verteld. Wilt ge het hooren?”

„Spreek, mijn jongen! Alles is beter te hooren dan het woeden van den

storm, het kletteren van den regen of het twisten der vrouwen.”

„Zij kwamen van verre, van daar waar de zee de rotsen bespringt, daar

zagen zij op het rotsachtige strand een troep wilde vossen zich

vergasten aan het malsche vleesch der schildpadden, die zoo juist uit

de zee waren opgestegen, maar de buit was te klein voor den

vraatzuchtigen troep; huilend en jankend vielen zij elkander aan en

riepen om hulp. Eensklaps verscheen de koningstijger, langzaam met

loerende oogen en met statigen gang gevolgd door zijn tijgerin en zijn

jongen, als de rechter, die beslissen moet. Hij deed een sprong en

weldra bleef op het strand niets over dan het bloed van de schildpadden

vermengd met de beenderen der vossen.”

„Dat is ons lot, prins!” riep de jonge Radhen Goesik uit, „Boeloe heeft

gelijk, zoo zal het gaan met alle Javaansche vorsten. Zij strijden met

elkander om hun eigen land, roepen den steun aan van den vreemdeling en

deze vernietigt hen alle om in hun plaats te heerschen.”

„De tijger heeft uw roep gehoord, hij komt nader, hij zal u een plaats

aanbieden in het hol dat hij zich in Soenda Kalappa gebouwd heeft.”

„Allah zij gedankt, we zullen ten minste een dak boven het hoofd

hebben!” zuchtte Radhen Sepoe.

„Het dak eener gevangenis,” voegde de jongere er spottend achter. Met

vlammende blikken wendde Radhen Sepoe haar blikken op haar

mededingster.

„Zwijg, vrouw! Genoeg rampen hebt gij over onzen Heer gebracht. Zonder

uw heilloozen invloed zou hij nimmer tegen zijn broeder den wettigen

Sultan van Bantam opgestaan zijn; nimmer had hij de zijde van zijn

vader gekozen in den strijd tegen de Compagnie, zoo gij niet gevlamd

hadt op het bezit der kroon!”

„Stil, ik bid u, stil!” suste de prins en zich tot den dwerg wendend

vroeg hij: „Welke boodschap brengt ge mij?”

„De boodschap zullen ze u zelf brengen. Zal ik ze roepen, vadertje!

maar laat eerst die beide perkoetoets [9] van u ophouden met haar

gekir! Ze mochten eens bang worden haar mee op te nemen in de kooi.”

„Ik wil ze ontvangen!”

De dwerg liet een scherp gefluit hooren en bijna onmiddellijk

verschenen Soerapati en Kiai Hemboong in de grot. Beiden bogen zich ter

aarde om den prins hun hormat (eerbied) te bewijzen.

„Ge zijt mij welkom,” sprak Pangeran Poerbaya vriendelijk, „brengt ge

mij de vergiffenis der Edele Compagnie, mijn vader heeft ze ontvangen

evenals mijn geestelijke raadsman, de eerwaardige Sheik Yoesoef, ik ook

ben niet ongenegen ze aan te nemen!”

„Stel uw voorwaarden, edele Prins! De Compagnie zal zich genadig en

goed jegens u toonen als tegen al haar vijanden die vol oprecht berouw

tot haar terugkeeren.”

„Berouw kan er eerst zijn na schuld,” mompelde Radhen Goesik duidelijk

hoorbaar.

„Het past den vrouwen te zwijgen in den raad der mannen,” vermaande

haar echtgenoot zacht maar vastberaden en ging voort tot de afgezanten.

„Mijn voorwaarden zegt ge, maar toon mij eerst uw volmacht en zeg mij,

wie ge zijt! Ik verheug mij, dat ik mijn wapenen zal mogen afgeven aan

een zoon van mijn volk, die een hoogen rang in het leger der Hollanders

bekleedt.”

„Ik ben geboren in Bali en heb ook nog kort geleden de

vergevingsgezindheid der dappere Hollanders ondervonden. Mijn vader was

bloedverwant van een onafhankelijk vorst, maar reeds jong werd ik uit

mijn land ontvoerd en naar Batavia als slaaf geleid; een voornaam

Hollander kocht mij daar en ik had het goed bij de blanke mannen. Ik

leerde ze liefhebben, mijn meester had zijn vrouw sinds eenige jaren

begraven; hij had slechts één dochter met wie ik omging als ware zij

mijn zuster. Later veranderde onze genegenheid in liefde; we zwoeren

elkander trouw, hier deze grijsaard hoorde onzen eed. Helaas! toen onze

verbintenis ontdekt werd, begreep ik te laat dat het niet goed is voor

den nacht zich te paren aan den dag; de storm stak boven onze hoofden

op. Ik werd gevangen gezet, mijn arme vrouw in een verwijderd landgoed

haars vaders op een eiland gezonden. Door kracht van wapens ben ik mijn

gevangenis ontvlucht, ontvluchte slaven, vogelvrijen, zwervende

krijgers van den verslagen Sultan uw vader, aanhangers van

Troeno-Djojo, den dapperen Madurees schaarden zich rondom mij. We

zwierven rond in deze ontoegankelijke wouden en verborgen ons in de

holen, levend van den schralen buit, die onze wapenen ons bezorgden,

totdat een patrouille Europeesche soldaten ons vervolgde. Kapitein

Ruijs, hun hoofdman, bood mij en de mijnen vergiffenis aan. Wij

aarzelden maar wij waren het zwervende leven moede; mijn hart verlangde

naar mijn vrouw terug en dus gaf ik mij over aan den kapitein, dien ik

van dat oogenblik trouw diende en hoop te dienen tot mijn laatste ure!

Soerapati is mijn naam en hier hebt ge mijn volmacht.”

De dwerg was achter de vrouwen geslopen en fluisterde Radhen Goesik in:

„Onthoudt dien naam, gij zult er meer van hooren.”

Knielend bood hij het in zijden omslag gewikkelde stuk den prins aan,

die het tot teeken van eerbied aan zijn hoofd bracht, de zijde

loswikkelde en toen het geschrevene inzag.

„De Edele Compagnie biedt mij bij monde van kapitein Ruijs en luitenant

Soerapati, vergiffenis aan voor mij en mijn getrouwe dienaren, mijn

vrouwen en kinderen, onder voorwaarde dat ik mijn wapenen overgeef,

zweer ze nimmer tegen de Hollanders op te heffen en mij naar Batavia

begeef.”

„Ik hoor dat mijn geestelijke vader Sheik Yoesoef niettegenstaande de

ernstige beloften der Compagnie ingescheept werd om naar een

verafgelegen land gevoerd te worden. Is dat waar? Ik wil mijn

geboortegrond niet verlaten, liever sterf ik hier in de wildernis.”

„Dat lot behoeft gij niet te vreezen, edele prins! Sheik Yoesoef was

der Compagnie bekend als een eerzuchtig, ontrouw man, die slechts door

den nood gedreven, zich onderwierp, maar zijn hart sprak een andere

taal dan zijn lippen. Hij droomde een tweede Kadjoran te worden, die

het rijk van Mataram in zijn grondvesten schokte en den dapperen vorst

Troeno-Djojo aanhitste tot den opstand, die zoovelen het leven moest

kosten. U echter, eerbiedwaardige Vorst, wacht een paleis binnen de

veste van Batavia, waar een stoet, uw geboorte en staat waardig, u zal

omgeven.”

„De Compagnie belooft mij een jaargeld. Zij is edelmoedig, ge hebt

gelijk! Mijn broeder, de Sultan Hadji van Bantam, zou zich niet zoo

genadig jegens mij toonen als ik mij aan zijn voeten kwam werpen om

vergiffenis!”

„Gij neemt dus haar voorwaarden aan?”

„Uit geheel mijn ziel. Ik zal haar trouw zweren!”

„Welnu dan, Prins! Vergun uw dienaar weer te keeren naar zijn mannen,

zij zijn daarginds gelegerd in de vlakte, waar de Tji-Kendoel het

steenen graf van den Gedeh verlaat; mijn doel was alleen u oprecht te

spreken en te waarschuwen; ik verwacht u morgen in mijn legerkamp en

dan zal ik met mijn manschappen u een vrijgeleide aanbieden naar het

naaste fort.”

„Uw woorden zijn wijzer dan uw jaren beloven, mijn Zoon! Het is een

goed teeken als men zich eerbiedig en barmhartig toont jegens den

overwonneling; dan zal men later ook verdienen hoog in aanzien te

stijgen, maar keer van nacht niet meer terug naar uw leger; hoor, de

wind is ruw en boos, de steile bergpaden zullen glad en gevaarlijk

zijn. Uw fakkel zal door den regen uitgedoofd worden, blijf ons den

tijd verkorten door uw verhalen, want de slaap zal dezen nacht wel onze

oogleden vluchten. Andere gastvrijheid dan deze grot kan ik u niet

bieden.”

„Sta mij toe, prins, dat ik terugkeere; de kudde verstrooit als de

herder ontbreekt, zoo durf ik ook niet langer mijn mannen alleen laten

in de wildernis. Ik ken alle paden van het woud; ik heb ze doorkruist

bij andere stormen; vervolgd en opgejaagd als de wilde ever door de

jagers, heb ik de rivieren doorwaad, de rotsblokken overgeklommen.

Waarom zou ik nu vreezen? Verwaardig u dan, edele prins, morgen tot mij

te komen. Ik zal mijn gevangene behandelen zooals het den zoon en

broeder van vorsten toekomt.”

En zich diep buigend voor den vorst en de prinsessen verliet Soerapati

de spelonk.

„Zijn woorden zijn als de honing, die den smaak verzoet na het gebruik

van den bitteren drank,” sprak Radhen Goesik met een zweem van

opgeruimdheid in de stem.

III.

RADHEN GOESIK KOESOEMA.

Een heerlijke morgen was op den stormachtigen nacht gevolgd, vochtige

nevels hingen als doorzichtige sluiers over het aanschijn der bergen en

hulden deze in zacht smeltende tinten van rozerood, citroengeel,

amethyst of azuur. Die donkerder schaduwen, zich afteekenend tegen den

klaren achtergrond der lucht, verrieden nog maar alleen de

tegenwoordigheid der ontzagwekkende gevaarten.

De zon schoof zachtkens de sluiers weg, welke zich tusschen haar en de

aarde schoven, den bruidegom gelijk, die, hoe begeerig ook het gelaat

zijner bruid te aanschouwen, toch met eerbiedigen schroom haar

maagdelijke trekken onthult; stroomen goud en purper zond de

zonnekoning omlaag en tooide zijn geliefde met alle schatten, waarover

hij beschikken kon, en zij zag opwaarts naar hem met een glimlach vol

bekoorlijkheid en liefde, stralend van diamantengloed en paarlenglans.

Zelfs de kale wanden van den vulkaan glinsterden in de liefkoozingen

van het licht; aan zijn voet breidde zich een vlakte uit, begroeid met

het welige alang-alang. Een zee van zilver gelijk zoo schitterden de

millioenen regendruppels die haar golvende halmen overdekten, hier en

daar afgewisseld door de hemelsblauwe bloemen van den gentiaan.

Verstrooid tusschen de alang-alang doemen eilanden van groen op, waarin

de vuurroode bloemen der plosa gloeien in het nog schuine zonnelicht en

de malakaboom den knoestigen stam omhoog heft, waarmede hij zijn

fraaien fluweelachtigen bladerendos draagt, maar nog schooner is de

woudgordel die de helling bedekt, een woud van reusachtige

ramalasara’s, de koningen der bosschen, die hun breede kronen naar

links en rechts uitstrekken, onverschillig of zij andere boomen

daardoor in den groei verstikken, zelf omstrengeld door een wereld van

woekerplanten, die van het geheele bosch een samengepakte massa groen

maken. Tusschen dat groen schitteren de helle kleuren van de goudgele

bloemkronen der ipomea naast de paarsblauwe bloemen der argyreia, de

donkerroode vruchten der mordecca geven gloed aan het sombere loof; de

bamboe laat vol gratie aan den ingang haar ruischende takken neerhangen

als beproefde zij de fraaiste eerepoort voor het bosch te vormen en aan

den rand, waar het woud aan de graszee grenst, verheffen zich bevallige

groepen van kleine licualapalmen.

Aan gene zijde van het woud is de natuur nog woester, daar verheffen

zich de rotsachtige bergwanden, door niets getooid dan door een

oneindige verscheidenheid van klimplanten, die hun schaduw neerwerpen

op de kale muren en met hun ijle luchtwortels het gesteente omklemmen,

waar zij kunnen postvatten en een liefelijke sluier van groen en

bloemen doen neerdalen op het kale, dreigende rotswerk; reusachtige

vijgeboomen dringen zich door alle spleten en engten, ijverig het

voedsel zoekende dat voor hun bestaan noodig is.

Waar nog een plekje onbegroeid is, daar spreidt zich het schitterend

witte mos uit als een natuurlijk tapijt om de rotsblokken tegen de

aanhoudende werking der elementen te verdedigen.

In een woeste bergkloof klatert van weerszijden de val van een

neerstortenden stroom; met geweld breekt het rosse water zich door de

rotsen, het werpt zich aan de eene zijde van duizelingwekkende hoogte

in den afgrond en spreidt zich waaiervormig aan de andere uit over een

vooruitspringenden steen om verderop de Tji-Kendoelrivier te vormen die

zich tusschen een loofdak van varens omlaag spoedt; een smal voetpad

slingert zich door het woud naar boven tusschen twee vervaarlijke

rotspijlers, die volgens de overlevering der inlanders de

overblijfselen zijn van een poort, opgericht door een der machtige

vorsten van Pandjajaran. Hier borrelen verscheidene bronnen op, koude

en warme, half verscholen in het groen en zich slechts verradend door

hun eindeloos gemurmel en door den frisschen dauw, dien zij opzenden,

en waarmede zij de varens en klimplanten in hun beddingen verfrisschen.

Weldra houdt het bosch op, een uitgestrekt veld van puin en steenen

wijst de plaats aan, verwoest door de uitbarstingen van den nog steeds

geweldigen vulkaan; van hier uit vermeit het oog zich in de

onvergelijkelijke schoone natuur aan de helling en op de vlakte; aan

den gezichteinder verheffen zich, losgewikkeld uit hun waden van wolken

en dampen, de talrijke toppen van het Gedehgebergte, zich aansluitend

aan den niet minder ontzagwekkenden Salak, stralend in zijn groen

omkleedsel; dicht bij het maagdelijke woud, verderop de graszee en

eindelijk het bebouwde land, opnieuw begrensd door andere heuvels en

bergen, andere wouden en bosschen en over alles het schitterend Oog van

den Dag steeds hooger en hooger klimmend als een vorst, die zijn

zegetocht begint en alle vijanden bij zijn nadering op de vlucht jaagt.

Op dit punt stond Soerapati alleen en onvergezeld; met de armen over de

borst gekruist zag hij neer op het schitterend schouwspel aan zijn

voeten, of hief den blik op naar de bron van licht en gloed, die zich

daarover uitstortte.

Verre van daar zweefden zijn gedachten; hij begroette die zon juichend

en jubelend als de oorsprong van licht en leven op deze schoone aarde,

als het beeld van den God over wien hij zich herinnerde dat zijn

christenbruid hem verhaald had, die gebood over alle natuurmachten, die

bergen en dalen uit den bajert had te voorschijn geroepen door zijn

machtig woord, die ze bekleed had met deze weelde van planten en

bloemen, die de wateren deed stroomen en stem gaf aan de vogelen, die

sprak in het rommelen van den donder, in het bulderen der vulkanen,

maar ook in het ruischen van het koeltje, in het murmelen der beek.

Hij herinnerde zich die lessen, welke hij opgevangen had van Suzanna’s

reine lippen, en waarvan hij de bevestiging las in den zoeten blik

harer hemelsblauwe oogen, want ook die waren voortgekomen uit de hand

van dienzelfden grooten, oneindig goeden Schepper.

En misschien onbewust bracht hij hulde aan den Heer dien Suzanna

aanbad, grooter dan de Allah, dien men hem had opgedrongen, machtiger

dan Shiwa den vernieler, dien zijn voorouders vereerden. Hij gaf zich

wellicht geen rekenschap van het gevoel dat zijn ziel overstroomde,

maar het was een nieuw leven vol kracht en moed dat al zijn aderen

doortrilde. Het frissche morgenuur, het schitterende zonnelicht na de

verschrikkingen van den nacht, deden hem aan zijn toekomst denken

zooals zij hem thans toescheen; het verleden met zijn slavernij en

opstand was geëindigd. Hij had zijn doel bereikt, de vluchtende prins

gaf zich aan hem over, hij zou hem naar Batavia voeren; wellicht

ontving hij daar den kapiteinsrang, alle zonden en misdaden van Sie

Oentoeng, den voortvluchtigen slaaf waren immers vergeven. ’t Was

Soerapati, officier der machtige Compagnie, die zegevierend naar

Batavia terugkeerde, die zijn ouden meester, wiens genegenheid voor hem

toch zeker niet geheel ten onder was gegaan, moedig onder de oogen

durfde zien om hem de hand zijner dochter te vragen.

En dan? Dan, ja dan zou hij Suzanna de zijne mogen noemen.

Zij zou hem leeren den Hollanders gelijk te worden; hij kende hun taal

reeds, hij waardeerde hun beschaving, het was zijn hoogste eerzucht hen

te dienen en daardoor het recht te hebben hen hoe langer hoe meer nabij

te komen, want hij had lang genoeg en van jongs af in hun omgeving

verkeerd om in hen een hooger, edeler ras, dan dat, waartoe hij

behoorde, te erkennen. De liefde van Suzanna had hem tot haar

opgeheven; zoolang hij die bezat voelde hij zich krachtig en moedig om

haar ter zijde te blijven.

Deze gedachten vervulden zijn ziel met hun rooskleurigen glans; door de

opvoeding, die hij bij zijn meester den Raad van Indië Moor ontvangen

had, bezat hij een gedachtenwereld geheel verschillend van die, waarin

zijn landgenooten plachten te verkeeren; zijn gezichtskring had zich

uitgebreid; zijn neigingen en wenschen hadden een andere richting

genomen. Hij beoordeelde alles van een ander standpunt dan zij;

tusschen hem en zijn makkers gaapte een kloof, die nauwelijks zichtbaar

was in de dagen als gemeenschappelijk gevaar en een zelfde vrees hen

verbonden, maar die nu telkens dreigde, nu hij zich met hart en ziel

aan de Hollanders verbonden had, terwijl zij slechts uit

noodzakelijkheid die vergiffenis aangenomen hadden en zich morrend

bogen onder het juk der vreemde meesters.

Soerapati bezat groot overwicht over zijn mannen; hij was nog steeds

hun opperhoofd, al droeg hij de uniform der Compagnie; hij had de

meesten hunner van kerker en dood gered, zij waren hem trouw gevolgd in

de wildernis en in het kamp des vreemdelings, even trouw in den opstand

tegen het gezag, als in de onderwerping, maar hij zag genoeg in met

welken tegenzin. Geen liever gebod zouden zij van hem ontvangen dan dat

van hun wapens te keeren tegen de nieuwe meesters; telkens moest hij

tusschenbeide treden om twisten tusschen zijn Balineezen en de

Europeesche soldaten te bedaren; zijn taak was moeilijk, maar hij

hoopte ze trouw te vervullen en dan tot belooning de volledige

vergiffenis der Compagnie, de hand zijner blanke bruid te verwerven.

Geen schooner toekomst zou voor Java kunnen aanbreken, meende hij, dan

als beide volkeren zich vereenigden, zooals eenmaal de Islam den ouden

Hindoegodsdienst in zich had opgenomen. Nog schitterender zou nu de

overwinning zijn, dan eerst zou Java machtig worden, machtig en één in

de stoffelijke en geestelijke belangen van staatkunde en godsdienst. Er

zouden geen overheerschers meer zijn en geen verdrukten; aan de

vreeselijke willekeur der inlandsche hoven, de domme verdrukking, de

noodelooze wreedheid zou paal en perk gesteld worden en schoon als de

morgen breidde zich een schitterende, heerlijke toekomst over Java uit,

die hij zou helpen stichten door zijn trouwe hulp en medewerking den

Hollanders aangeboden.

Dat waren de droomen die Soerapati’s geest vervulden, de vizioenen die

hij aanschouwde in de eerste gulden glorie der morgenzon, toen hij op

de hoogte toefde terwijl het landschap zijn geuren en glansen ten hemel

opzond als een ontzaggelijk dankoffer.

Een behoedzame stap deed zich hooren op de steenen, die hier den grond

bedekten; hij zag om en bemerkte dat een vrouw hem naderde; zij droeg

den sarong om het middel, vastgemaakt door een gouden band; deze sarong

was van fijne soort, diamanten steenen schitterden in haar ooren en een

geelzijden sikepan of baatje viel van haar schouders, die ten

overvloede nog door een roode slendang (sjerp) versierd waren. Haar

gelaat had de zachtgele kleur, Javaanschen vrouwen van hoogen rang

eigen; voor haar landaard waren haar trekken fijn en regelmatig, eenige

bloemen waren koket in haar dikke, glanzende lokken gestoken; haar gang

had de achtelooze onzekerheid, die bij dat nationale gewaad zoo

bekoorlijk schijnt, maar in Europeesche kleederen belachelijk en

onbehagelijk wordt.

„Allah schenke u een gelukkigen dag, gevolgd door een lang, gezegend

leven!” zeide zij halfluid en sloeg de groote, donkere oogen schuchter

neder.

Soerapati zag haar aan.

„Ik dank u voor dien goeden wensch, zuster!” sprak hij hoffelijk, „en

ik hoop, dat hij ook bij u in vervulling moge komen.”

„Bij mij zal hij zeker waarheid worden, zoo het u behaagt.”

„Mij behagen! Zeg mij, zuster, waardoor ik u zulk een goede gave als

een lang gezegend leven is, kan schenken.”

Zij naderde hem wat meer en sloeg nu de oogen op naar zijn gelaat.

„Herkent ge mij niet, Heer?” vroeg zij.

„Het voorrecht u te zien was mij nog niet eer gegund, Vrouwe!”

antwoordde Soerapati, „maar dat zie ik genoeg, gij zijt van edel

geslacht; waarom zwerft ge dan alleen hier door het woud en verwondt

gij uwe teedere voeten aan de scherpe steenen? Dit is geen plaats,

geschikt voor een jonge, schoone vrouw als gij, vergun dat ik het u

zegge!”

„Gij hebt gelijk Heer, en ik zou mij met mijn dienares, die mij ginds

aan de bronnen wacht, hier niet begeven hebben, als geen gewichtige

belangen het mij ten plicht stelden. Ik moet u spreken, en koos daarom

dit vroege morgenuur, onder voorwendsel van mij te gaan baden in het

woud. Wilt ge mij hooren?”

„Spreek, edele Vrouw! Uw woorden klinken mij in de ooren zoo zoet als

het gezang van de kaso, den zanger onzer bosschen! Als ge mij iets

vraagt, dat ik u kan toestaan, ik zweer u bij mijn kris, ik zal het u

verkrijgen!”

De jonge vrouw wierp zich voor zijn voeten en zag hem smeekend aan.

„Sta op, als ge wilt dat ik u hoore!” zeide Soerapati, „in deze houding

wil ik u niet zien. Het past u niet u te vernederen voor een

eenvoudigen man als ik.”

„De smeekende moet in ootmoedige houding spreken tot hem, van wien haar

eenig heil afhangt, dat is altijd passende gewoonte geweest. Gij

herkent mij niet, Heer, maar uw gelaat en gestalte zijn in mijn ziel

gedrukt, zooals de heiligen hun voetstappen achterlieten in den kouden

steen, welken zij eenmaal betreden hebben. Ik ben Radhen Goesik

Koesoema, de tweede vrouw van den eenmaal zoo machtigen en nu

vluchtenden Pangeran Poerbaya. Gisteravond zag ik u bij mijn heer, ik

hoorde dat gij een taal vol wijsheid spraakt en daarom kom ik van u

hulp en steun vragen.”

„Voor uw echtgenoot?”

„Neen, voor mijzelf. Gij hebt goed gezien, ik ben van hoog en edel

geslacht; de Solosche prins Amirang Koesoemo Rijksbestuurder van het

keizerrijk Mataram is mijn pleegvader. De Pangeran Poerbaya verkreeg

mijn hand, maar hij heeft mij nooit liefgehad, de Tjeribonsche prinses

Sepoe is zijn lievelingsvrouw, de moeder van zijn zoons, toch ben ik

hem gevolgd, toen hij door het ongeluk zijner wapenen gedwongen was te

vluchten. Ik heb de verbanning en zijn zwervend leven met hem gedeeld;

maanden lang leden wij honger en dorst, vermoeienis en hitte, slechts

door de vochtigheid van den regen afgewisseld, in deze wildernissen en

toch heb ik mijn Heer en gemaal tot het laatste aangeraden moed te

houden en zich niet te onderwerpen. ’t Mocht niet baten, hij zal nu

gaan kruipen voor de blanke mannen, hij zal u zijn wapens overgeven en

dan de rijst der overwinnaars gaan eten. O schande!”

„Vrees niet prinses! het juk der meesters is niet zwaar!”

„Schande is altijd zwaar! Ik, de dochter van prinsen, ik wil het niet

dragen, liever verlaat ik mijn al te zwakken gemaal, en keer terug naar

mijn vader, die de poorten van zijn huis voor mij heeft opengezet en

daarom wil ik u de gunst vragen, laat mij niet vertrekken naar Batavia,

breng mij terug naar mijn vaderland!”

„Maar edele Vrouw, hoe zal ik u die gunst verkrijgen als uw echtgenoot

het niet verlangt? De Prins is thans uw Heer en Meester, gij moogt hem

niet verlaten, dan als hij u verlof er toe geeft.”

„Ik heb den Bantamschen prins gehuwd en niet den huurling der

Hollanders; hij zal mij dat verlof niet geven, want hij heeft mij lief,

zooals men een kind liefkoost om zijn aanvalligheid, maar wier woorden

men als kindertaal glimlachend aanhoort. O Heer, laat mij niet gaan

naar Batavia, laat mij niet kwijnen in gevangenschap, hoe verguld de

ketenen ook zijn, het blijven ketenen. Daar straks hebt ge mijne stem

vergeleken met die der kaso. Welnu, wat zal het lot van het vogeltje

zijn, als gij het in een kooi, hoe sierlijk ook, wegsluit; het zal

verkwijnen van heimwee naar zijn bergen en bosschen. Zoo zal ’t ook mij

gaan, als ik ’s prinsen gevangenschap deelen moet. Gij zelf, gij weet

wat het is vrijheid te missen; de rijst der slavernij smaakt hard en

bitter, het kost moeite haar te eten, zij benauwt de keel en ontneemt

ons de adem! Laat mij ’s prinsen lot niet deelen! Ik smeek het u, bij

haar die ge bemint, zooals elke vrouw verlangen moet bemind te worden!”

Haar stem klonk zoet en vleiend, haar schoone oogen waren smeekend op

hem gericht. ’t Kon niet anders of de Balinees moest getroffen worden

door de dringende bede der vorstendochter.

„Maar begrijpt ge niet,” vroeg hij, „dat elke poging door mij gewaagd,

den prins als verraad zal voorkomen? Ik kan toch niet willekeurig u

uitsluiten van het vrijgeleide, dat ik den Pangeran en zijn gezin zal

schenken.”

„Ik begrijp slechts één ding! Gij kunt me redden, gij alléén! Het hoe

daarnaar vraag ik niet. O,” ging zij half fluisterend voort, „als ge

mij wildet toestaan u te beloonen, hoe zou ik u helpen op de baan, die

gij inslaan moet, want gij zijt bestemd tot groote dingen. Boeloe

Kidoer, de dwerg, die kennis bezit van de toekomende dingen, heeft u in

zijn droom gezien, met een kroon op het hoofd, schitterend als de zon.

Indien uw hart niet verknocht was aan de blanken, ik zou u tot roem en

aanzien brengen. Mijn vader is almachtig in ’s keizers rijk, ik ben

zijn liefste dochter; hij weet moed en verstand te waardeeren, hij zou

u overladen met eerbewijzingen, hij zou u doen klimmen tot hooger

eerepost dan ge ooit bereiken kondet in dienst der blanken. Als ge hen

verlaat en mij brengt naar Karta-Soera, dan zal geen loon te groot voor

u wezen.”

Soerapati glimlachte medelijdend.

„Ge spreekt als een echte vrouw, prinses! en daarom vergeef ik de

zwakheid uwer rede; ik dien nu de Hollanders en geen macht ter wereld

zal mij kunnen bewegen hen ontrouw te worden. Vraag den prins verlof,

terug te keeren naar uw vaderland en ik zal zorg dragen, dat uw wensch

vervuld wordt, dat zweer ik u!”

„Is dat het eenige,” vroeg zij en tranen sprongen haar in de oogen,

„het eenige, wat ge voor mij doen kunt?”

„Helaas! Niets anders, edele vrouwe en zoo ik u een raad schenken mag:

de zon is reeds hoog in de lucht; keer terug naar den prins uw gemaal,

spoedig zal ik u volgen. Hij mag niet weten, dat ik u hier gesproken

heb; en uw aanwezigheid verraadt mij, dat hij nabij is. Ik beloof u

mijn steun als gij uw gemaal het verlof wilt vragen terug te keeren

naar uw vaderland.”

„Dankbaar neem ik dien steun aan als gij mij niets anders geven wilt!”

antwoordde Koesoema en groette hem uit de hoogte. Zij keerde zich om en

verdween in het bosch.

„Zij is schoon,” dacht Soerapati, „maar de blonde dochters der

Hollanders zijn veel schooner.”

De prinses was intusschen naar de bron teruggekeerd, waar een slavin en

Boeloe Kidoer, de dwerg haar wachtten.

„Wat heeft hij u geantwoord?” vroeg de dwerg haar tegemoet waggelend.

Van Slaaf tot Vorst: Historisch Romantische Schets uit de Geschiedenis van Java · 第 1 / 30 段