3. Vandaar dat ik het nut weet van Wu Wei.

Hoofdstuk XLVII.

1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn

venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.

2. Hoe verder men uitgaat, hoe verder men wordt voortgedreven, hoe meer

men weet hoe minder men weet.

3. Daarom de Wijze weet zonder iets te doen, noemt de dingen zonder te

zien, en volmaakt zich zonder actie.

Hoofdstuk LXXVI.

1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is

hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij

soepel en teer, als zij sterven zijn zij droog en schraal.

2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en

zwakheid zijn de volgelingen van het leven.

3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk

is wordt hij omgehakt.

4. Wat sterk en groot is is inferieur, wat zacht en zwak is is

superieur.

Hoofdstuk LXXVIII.

1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is

er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er

niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke

overwint het sterke.

Hoofdstuk LXXXI.

De Geest van China · 第 34 / 48 题