Hoofdstuk XLVII.
1. Zonder mijn deur uit te gaan ken ik de wereld, zonder uit mijn
venster te kijken zie ik den Weg des Hemels.
2. Hoe verder men uitgaat, hoe verder men wordt voortgedreven, hoe meer
men weet hoe minder men weet.
3. Daarom de Wijze weet zonder iets te doen, noemt de dingen zonder te
zien, en volmaakt zich zonder actie.
Hoofdstuk LXXVI.
1. Als de mensch geboren wordt is hij zacht en zwak, als hij sterft is
hij stijf en sterk. Als het gras en de boomen geboren worden zijn zij
soepel en teer, als zij sterven zijn zij droog en schraal.
2. Stijfheid en sterkte zijn de volgelingen van den dood, zachtheid en
zwakheid zijn de volgelingen van het leven.
3. Daarom, als een leger sterk is overwint het niet, als de boom sterk
is wordt hij omgehakt.
4. Wat sterk en groot is is inferieur, wat zacht en zwak is is
superieur.
Hoofdstuk LXXVIII.
1. Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water, en toch is
er niets, dat het overtreft in het breken van wat hard is. Daarom is er
niets, dat water evenaart. Het zachte overwint het harde, het zwakke
overwint het sterke.
Hoofdstuk LXXXI.