Eenige dagen verliepen. Groot was in 't dorp de opschudding en de
vreemdste verhalen gingen rond. Meneer Vitàl lag in de "moersessen" (1)
en had de "kamezool-de-fors" (2) aan, werd verteld. Dag en nacht lag hij
te schreeuwen en te brullen dat men hem groote ratten in de keel stopte
om hem te doen stikken. Iederen avond hoopten zich stille groepjes samen
bij het hek om het akelig geluid te hooren.