XXVI.

Enkele weken later, midden in den nacht, werd dokter Van der Muijt

plotseling opgebeld. Hij trok zijn raam open, zag, in de duisternis, een

vage gestalte vóór zijn deur.

"Wie ès er doar?" vroeg hij.

"Ik, menier den dokteur," antwoordde een geagiteerde stem.

"Wie, ik?"

"De sefeur** van menier Vitàl. Medàm zen mij vroagen of ge toch sitoe**

zoedt wille komen. Menier es al mee ne kier zeu schrikkelijk verslecht."

"Zeu!" riep de dokter haast schrikkend. "Wee meniere da g' om mij

gekomen zijt?"

"'K 'n zoe 't nie keune zeggen, menier den docteur; 'k 'n hè hem zelve

nie gezien."

"'t Es goed; zegt da 'k sebiet** zal komen."

Hij sloot het raam, hoorde 't chauffeurtje haastig in de holklinkende

straat vertrekken, stak licht op en kleedde zich haastig aan.

"Hè-je da g'heurd?" vroeg hij aan zijn vrouw, die half wakker, maar

zwaar slaperig nog, met het gezicht naar den muur lag.

"Van watte?" brabbelde zij met dikke tong.

"M'sieu Vitàl. 'k Vreeze dat 't einde es."

"Zeu....!" keerde zij zich plotseling, helder wakker, met groote oogen

van verbazing, om.

De dokter was klaar; hij voelde of hij den huissleutel mee had, raadde

haar aan maar door te slapen.

"Kom zeu gauwe meugelijk weer om mij te vertellen," drong zij aan.

"Bon."--En hij was de deur uit.

* * * * *

Hij zag van verre licht in het "Kasteelken" en 't chauffeurtje stond hem

in de duisternis op de stoep af te wachten.

"Ge kent de wig, e-woar menier den docteur?" fluisterde hij.

De dokter was al de trap op. Boven ging een deur open en Eleken, in

hoogzwangeren toestand van haar derde kind, trad hem schreiend tegemoet.

"O, menier den docteur, 't es schrikkelijk," snikte zij: "Moeder,

't meissen en de schoolmiestesse zijn d'r bij, maar ze 'n kennen hem hoast

nie mier miester. 't Zit nou amoal in zijn heufd. Hij es compleet lijk

zot. Hij mient dat er ratten op zijn bedde leupen, en da z' in zijn

keele sprijngen. O, heurt hem! heurt hem!"

Ernstig-wenkbrauwfronsend trad de dokter binnen.

De kamer was in schemerduister.

"Lucht**, mier lucht," sprak stil de dokter.

De keukenmeid vloog naar een tafeltje, draaide de lamp wat hooger op.

Een rauwe, schorre kreet weergalmde. De dokter kwam om den hoek van

't bed waarin meneer Vitàl lag te wringen en te woelen, met inspanning door

de oude schoolmeesteres en moeder Lie onder bedwang gehouden.

"Roept de knecht boven," beval de dokter.

Nathalie holde naar de trapleuning, terwijl de dokter moeder Lie en de

schoolmeesteres ter hulp kwam.

Hijgend, blazend, zweetend, met om de beurt wild-draaiende en dan plots

weer als dood dichtvallende oogen, stootte meneer Vitàl voortdurend

rauwe, schorre klanken uit, machteloos zijn lichaam wringend om aan de

drukking der knellende handen en armen te ontsnappen. Hij schopte en

spartelde, hij spuwde en blies als een woedende kat, hij knarsetandde en

walgde en spuwde dan opnieuw alsof hij braakte, terwijl zijn heesche,

schorre keel af en toe duidelijker klanken brulde:

"Pouah! de ratten! Op mijn bedde! op mijn handen! in mijn keele! Pfoe!

pfoe! pfoe! Sloa ze deud! Sloa ze deud! Pfoe! foe! foe!..."

"Vasthouên! vasthouên! Nie loslaten!" hijgde de dokter tot het

chauffeurtje dat ook ter hulp was toegesneld.

"Och Hiere, menier de docteur, wa ès da toch? Wa hèt hij toch? 't Wordt

hoe langer hoe irger!" snikte Eleken.

Maar de dokter had geen tijd om zich met haar te bemoeien.

"Gij euk hier, helpe vasthouen!" riep hij gebiedend tot de keukenmeid,

die als versteend van schrik tegen de tafel stond. En toen zij met hun

vieren den steeds heesch-brieschenden, walgenden, spuwenden patiënt

eindelijk flink onder bedwang hadden, vloog hij naar de deur, het

huilend Eleken van zich afwerend, nog eens met nadruk gebiedend, dat ze

hem geen oogenblik los mochten laten, voor hij met het noodige, dat hij

thuis ging halen, terugkwam.

* * * * *

't Bolleken · 第 33 / 36 题