Enkele weken later, midden in den nacht, werd dokter Van der Muijt
plotseling opgebeld. Hij trok zijn raam open, zag, in de duisternis, een
vage gestalte vóór zijn deur.
"Wie ès er doar?" vroeg hij.
"Ik, menier den dokteur," antwoordde een geagiteerde stem.
"Wie, ik?"
"De sefeur** van menier Vitàl. Medàm zen mij vroagen of ge toch sitoe**
zoedt wille komen. Menier es al mee ne kier zeu schrikkelijk verslecht."
"Zeu!" riep de dokter haast schrikkend. "Wee meniere da g' om mij
gekomen zijt?"
"'K 'n zoe 't nie keune zeggen, menier den docteur; 'k 'n hè hem zelve
nie gezien."
"'t Es goed; zegt da 'k sebiet** zal komen."
Hij sloot het raam, hoorde 't chauffeurtje haastig in de holklinkende
straat vertrekken, stak licht op en kleedde zich haastig aan.
"Hè-je da g'heurd?" vroeg hij aan zijn vrouw, die half wakker, maar
zwaar slaperig nog, met het gezicht naar den muur lag.
"Van watte?" brabbelde zij met dikke tong.
"M'sieu Vitàl. 'k Vreeze dat 't einde es."
"Zeu....!" keerde zij zich plotseling, helder wakker, met groote oogen
van verbazing, om.
De dokter was klaar; hij voelde of hij den huissleutel mee had, raadde
haar aan maar door te slapen.
"Kom zeu gauwe meugelijk weer om mij te vertellen," drong zij aan.
"Bon."--En hij was de deur uit.
* * * * *
Hij zag van verre licht in het "Kasteelken" en 't chauffeurtje stond hem
in de duisternis op de stoep af te wachten.
"Ge kent de wig, e-woar menier den docteur?" fluisterde hij.
De dokter was al de trap op. Boven ging een deur open en Eleken, in
hoogzwangeren toestand van haar derde kind, trad hem schreiend tegemoet.
"O, menier den docteur, 't es schrikkelijk," snikte zij: "Moeder,
't meissen en de schoolmiestesse zijn d'r bij, maar ze 'n kennen hem hoast
nie mier miester. 't Zit nou amoal in zijn heufd. Hij es compleet lijk
zot. Hij mient dat er ratten op zijn bedde leupen, en da z' in zijn
keele sprijngen. O, heurt hem! heurt hem!"
Ernstig-wenkbrauwfronsend trad de dokter binnen.
De kamer was in schemerduister.
"Lucht**, mier lucht," sprak stil de dokter.
De keukenmeid vloog naar een tafeltje, draaide de lamp wat hooger op.
Een rauwe, schorre kreet weergalmde. De dokter kwam om den hoek van
't bed waarin meneer Vitàl lag te wringen en te woelen, met inspanning door
de oude schoolmeesteres en moeder Lie onder bedwang gehouden.
"Roept de knecht boven," beval de dokter.
Nathalie holde naar de trapleuning, terwijl de dokter moeder Lie en de
schoolmeesteres ter hulp kwam.
Hijgend, blazend, zweetend, met om de beurt wild-draaiende en dan plots
weer als dood dichtvallende oogen, stootte meneer Vitàl voortdurend
rauwe, schorre klanken uit, machteloos zijn lichaam wringend om aan de
drukking der knellende handen en armen te ontsnappen. Hij schopte en
spartelde, hij spuwde en blies als een woedende kat, hij knarsetandde en
walgde en spuwde dan opnieuw alsof hij braakte, terwijl zijn heesche,
schorre keel af en toe duidelijker klanken brulde:
"Pouah! de ratten! Op mijn bedde! op mijn handen! in mijn keele! Pfoe!
pfoe! pfoe! Sloa ze deud! Sloa ze deud! Pfoe! foe! foe!..."
"Vasthouên! vasthouên! Nie loslaten!" hijgde de dokter tot het
chauffeurtje dat ook ter hulp was toegesneld.
"Och Hiere, menier de docteur, wa ès da toch? Wa hèt hij toch? 't Wordt
hoe langer hoe irger!" snikte Eleken.
Maar de dokter had geen tijd om zich met haar te bemoeien.
"Gij euk hier, helpe vasthouen!" riep hij gebiedend tot de keukenmeid,
die als versteend van schrik tegen de tafel stond. En toen zij met hun
vieren den steeds heesch-brieschenden, walgenden, spuwenden patiënt
eindelijk flink onder bedwang hadden, vloog hij naar de deur, het
huilend Eleken van zich afwerend, nog eens met nadruk gebiedend, dat ze
hem geen oogenblik los mochten laten, voor hij met het noodige, dat hij
thuis ging halen, terugkwam.
* * * * *