't Es** 't bolleken; hij hè dezelve ziekte as Nonkelken,
'n famieldeziekte**," meenden de menschen. Maar enkelen schimplachten bedekt:
"'t Gloazen bolleken, mee dzjenuiver in van binnen."
Toen lachten zij allen even gedempt, maar eenige vermanende stt's werden
gefluisterd en weer stonden zij met ingehouden adem te luisteren of ze
zijn rauw gebrul nog hoorden.--De avonden waren frisch en rein, de volle
maan rees dof-oranjekleurig-glanzend in het langzaam uitstervend
daglicht met haar rond gezicht over de donkere daken,
het-zwaar-gezwollen beekje stroomde bruisend op zijn hobbelbed van
keitjes en de avondster blonk als een groote, solitaire diamant in
't westen, terwijl hoog in de zwarte, bladerlooze kruinen van den tuin, de
wakkere lijster met haar krachtige, kristal-heldere stem, het
voelen-naderen van de lente zong.
"De die 'n hè gien bolleken in heur keele," fluisterden de mannen, naar
de hooge donkere boomen opkijkend.
En weer hoorden zij dan, als een ver en dof gebrul van moord, door
't helder zingen van den vogel heen, het schorre schreeuwen van meneer
Vitàl, achter de toegeblinde ramen van 't kasteelken....
* * * * *
En plotseling was het uit. Op een vroegen avond hoorden zij niets
meer.--'t Kasteelken stond daar, schijnbaar onbewoond-verlaten in de
grauwe schemering tegen zijn zwarten achtergrond van hooge kruinen, met
al zijn luiken als het ware in lijdende bespiegeling gesloten. Er was
iets gebeurd, iets volbracht; een ongewone atmosfeer scheen er omheen te
hangen, een atmosfeer van benauwende stilte en mysterie; iets plechtigs,
dat zij allen die daar stonden instinctmatig, angstbekruipend voelden.
De stemmen werden nog fluisterender, de gezichten schemerden
lijkachtigbleek in het halfduister, de groote, donkere oogen keken
elkander ondervragend aan.
"Zoedt-hij deud zijn?" vroeg eindelijk iemand hol en dof, als uit een
graf.
Zacht ging de deur van het kasteelken open en in de grauwe schemering
kwam de vaag-zwevende gestalte van 't chauffeurtje naar het hek toe.
"Es hij deud?" waagde stil-fluisterend een der nieuwsgierigen te vragen.
"Joa hij," antwoordde op denzelfden toon 't chauffeurtje. En hij
verdween in 't grijze van de straat.
In opgewonden stem-gefluister schaarden de nieuwsgierigen zich achter
den omheiningsmuur tot een druk en somber troepje samen.
Het beekje suisde in ondertoon en tusschen 't zwart gewirwar van de
naakte twijgen flonkerde Venus' diamanten-schicht.
Zacht rees de maan boven de stille daken. Hoog en helder in de ijle
lucht jubelde het lieve lijstertje de komst der blaadjes en der
bloempjes, de zachtheid van de avonden en de sereenheid van de nachten,
't herboren-worden van de frissche lente tegemoet....
* * * * *
*Werk van Vlamingen*
verschenen bij den Uitgever dezes.
* * * * *
CYRIEL BUYSSE, *In de Natuur*. . . ing. fl 2.90, geb. fl 3.50
" " *Rozeke van Dalen*, 2 deelen,
ing. fl 4.25, geb. fl 5.50
" " *'t Bolleken*. . . ing. " 2.90, geb. " 3.75
R. DE CNEUDT, *Verzen*. . .. . . . ing. " 3.90, geb. " 5.90
CEASAR GEZELLE, *Primula Veris* . ing. " 1.90, geb. " 2.50
VICTOR DE MEIJERE, *De Avondgaarde*. . . . . . . . . ." 1.75
HERMAN TEIRLINCK, *De Wonderbare Wereld*, 2e dr.
ing. fl 2.90, geb. " 3.75
" " *Het Stille Gesternte*,
ing. jl 3.25, geb. " 3.90
" " *'t Bedrijf van den Kwade*,
ing. fl 2.90, geb. " 3.75
" " *Zon* . . . . . ing. " 1.90, geb. " 2.50
AUG. VERMEIJLEN, *Verzamelde Opstellen*, 1e en 2e
bundel . . . . . ing. fl 2,90, geb. " 3.50
*Kritiek der Vlaamsche Beweging* " 0.25
*De Wandelende Jood*,
ing. fl 2.25, geb. " 2.90
GUSTAAF VERMEERSCH, *De Last*. 2 deelen,
ing. fl 4.25, geb. " 5.50
*Mannenwetten*,
ing. fl 4.25, geb. " 5.50
PROF. DR. G. VERRIEST, *Over de grondslagen van het
Rythmisch woord* . . . . ing. " 1.25
K. V. D. WOESTIJNE, *Verzen*. . . ing. fl 2.90, geb. " 3.50
*Janus met het dubbele voorhoofd*,
ing. fl 2.90, geb. " 3.50
* * * * *