Dien winter kocht meneer Vitàl zich een fleschje en een tubetje. Af en
toe maakte hij het mengsel en keek dan den volgenden ochtend naar het
resultaat.
't Was telkens als een fijn, grijsachtig wolkje, dat daar op den bodem
lag. Het leek niets, een snuifje, een donsje in een glaasje; en toch
prikkelde 't hem zoo, het maakte hem zoo boos en zenuwachtig en hij
schudde 't door elkaar en zag het dan heelemaal troebel worden, met hier
en daar een héél klein helder-glanzend puntje als een doorschijnend
balletje van goud. Het sarde en treiterde hem. Hij had het tubetje
heelemaal helder willen zien, zooals hij wist dat 't wezen moest, zooals
het bij gezonde menschen was. Want,... hij probeerde 't ook op Eleken en
zelfs op zijn kinderen om te vergelijken en zoo zag hij juist
't verschil; en dat verschil alleen maakte hem reeds chagrijnig, was iets
dat hij niet uit kon staan.
"Ha moar es da nou toch 't spreken weird, veur azeu 'n klein beetsen!"
ontsnapte 't Eleken eens, bijna ongeduldig, toen hij haar weer met
gefronst voorhoofd, het tubetje vertoonen kwam.
"'n Klein beetsen! 'n klein beetsen!" riep hij, bitsig.--"Weet-e gij wel
dat da klein beetsen eiwit es en dat de kracht van ne mensch zijn
lichaam daarmee wiggoat?"
"Ha moar, Hiere Godheid, mee ièn ei te zuipen hè-je toch wel tien kiers
zeu veel eiwit weere of dat er daar in es," zei ze argeloos-naïef.
Hij keek haar aan met oogen of hij haar van verontwaardiging in den
grond wou boren. Doch hij bedwong zich en haalde zijn schouders op.
"Cest** ça, g' hèt gelijk, 'k zal morgen 'n ei zuipen," antwoordde hij op
kwaadaardigen spottoon.
* * * * *
Naar een dokter wilde hij niet meer. In den jongen arts van het naburig
dorp had hij geen vertrouwen en over dokter Van der Muijt was hij, sinds
de verkiezing, niet goed meer te spreken. Het was wel geen openlijke
vijandschap, maar hij groette sec als hij nu een van die heeren
ontmoette en met Taghon had hij andere herbergen uitgekozen om hun
avonden door te brengen.--Trouwens, hij ging niet veel meer uit; hij
begon menschenschuw te worden. Hij was en bleef vaag misnoegd en
chagrijnig over allen en alles, en de minste onaangenaamheid kon hem
buitenmate hinderen en prikkelen.
't Was alles de schuld van zijn maag, die maar niet weer op streek wilde
komen. Iederen ochtend nu, bij het ontwaken, na een woeligen en dikwijls
slapeloozen nacht, stond hij loom-vermoeid op, met dat naar gevoel in
zijn keel of daar iets zat dat hij niet weg kon krijgen. Met gefronste
wenkbrauwen ging hij naar den spiegel, zag zijn geelachtig-bleek,
opgezwollen gezicht met waterige zakken onder de oogen, stak zijn tong
uit en schudde mistroostig het hoofd. Die tong wóú maar niet zuiver
worden. Altijd dat droge, wit-beslagene, altijd dien akeligen smaak,
altijd die lust tot walgen en braken. Toen ging hij naar het tubetje,
nam het voorzichtig op en telkens zag hij weer dat treiterend wolkje,
dat bedenkelijk geel-grijs bodempje, nu eens wat meer, dan weer wat
minder, maar telkens en telkens weer, onverjaagbaar. Het maakte hem
droevig en ellendig voor den ganschen dag.
't Gewoon ontbijt van andere menschen: brood, melk en koffie, een ei,
een stukje kaas boezemden hem een onoverkomelijken afkeer in; hij gruwde
er van, hij kon eigenlijk niets van solide voedsel gebruiken, zijn maag
moest eerst geopend worden door iets prikkelends en vloeibaars: nu eens
een glas champagne, dan weer cognac met spuitwater en weldra liefst een
borrel, een groot glas sterke jenever en somtijds twee, tot hij weer
zijn krachten voelde. Eerst daarna kon hij ontbijten. Maar dan kwam de
digestie en die wou ook maar niet. Het bleef hem op de maag liggen, hij
werd weer draaierig en misselijk, en opnieuw moest hij zijn toevlucht
nemen tot de flesch, om het te helpen verwerken. Dat duurde zoo den
ganschen dag: zijn maag prikkelen, voedsel innemen, de spijzen
verwerken. Het werd een chagrijnige obsessie, een zoeken en probeeren
van allerlei huismiddeltjes en meteen een halsstarrig-toenemenden afkeer
van elke geneeskundige behandeling of hulp. Geen medicijnen, geen diëet,
geen vasten meer! 't Was of hij zich instinctmatig den ernst van zijn
toestand wel bewust was en gruwde bij 't vooruitzicht van al wat hij zou
moeten doen en laten om nog te genezen. Hij wilde niet ziek zijn, geen
oogenblik; hij wilde als een gezond mensch leven, of niet leven!
De overige uren van den dag, als zijn maag hem een poosje met rust liet,
bracht hij nu liefst binnenshuis door. Jagen deed hij niet meer, de auto
stond met slappe banden in de remise en ook de kleinste wandeling
vermoeide hem zoo, dat hij maar liever op zijn kamer bleef. Ook het
lezen ging niet goed meer; de letters schemerden en dansten vóór zijn
zwakke oogen en zijn geest, bij 't minste ingespannen denken, begreep
maar half en vaag meer de beteekenis der verwarde zinnen. Bij voorkeur
zat hij nu te peuteren in geïllustreerde blaadjes, waarbij zijn oogen
stil-genoten van de lijnen en kleuren, terwijl van zijn hersensvermogen
slechts een minimum van werking werd vereischt. Het waren dikwijls
ondeugende voorstellingen, waar hij dan met Eleken nog even om kon
lachen; en als hoogste distractie had hij het kaart- of domino-spel,
waarvan hij uren lang genieten kon, in gezelschap van Taghon, van de
oude schoolmeesteres en moeder Lie of vader Peutrus, die hem nu vaak om
de beurt kwamen bezoeken. Zij speelden met de flesch op tafel, onder het
aanhoudend rooken van pijpen en sigaren, terwijl Eleken zich met haar
kinderen bezig hield; en langzaam aan werd het een roes waarin hij zijn
verveling en zijn narigheid vergat en zich voor een poos weer beter
voelde. Dan was hij week-verteederd over Eleken en zijn kinderen en hij
verlangde naar den avond om weer innig en alleen bij haar te zijn, als
in een instinctmatig voorgevoel dat ook diè genieting hem weldra zou
ontnomen worden.
* * * * *