XIII.

Dien winter werd hun een tweede kind geboren: een jongentje. Dokter Van

der Muijt werd er niet voor gehaald. Zij namen een jongen,

pas-geïnstalleerden dokter uit een naburig dorp. 't Was ook bijna

overbodig. Met Eleken ging dat weer zoo gemakkelijk of het niets was.

Maar, wie zich sinds eenigen tijd al minder prettig voelde, was meneer

Vitàl! Zijn eetlust nam af, hij klaagde over hoofdpijn en slapeloosheid

en ook over vage pijn in den rug en de lenden; en, hoe weinig hij ook

at, toch kreeg hij steeds in zijn maag een zwaar gevoel van óvervolheid,

alsof hij zich voortdurend veel te goed deed.

Hij liet het jong doktertje halen.

"O,'t 'n zal niets zijn," meende deze, "'n Beetse van 'n vuile moage, ne

kier firm purgeeren en nen dag of viere vasten."

Nu was er niets waar meneer Vitàl een zoo bepaalden hekel aan had als

aan vasten. Zijn lekkere maaltijden, zijn digestie-borreltjes en zijn

sigaartjes vulden den langen dag met afwisselende genoegens en zoodra

hij dàt moest ontberen werd alles vervelend, droef en leeg. Daarbij

geloofde hij maar zeer betrekkelijk aan de doelmatigheid van 't vasten.

Hij had juist het tegenovergestelde: iets opwekkends, iets prikkelends

gewild. Zijn maag was alleen wat lui, meende hij; maar de dokter beval

het en hij moest althans probeeren om zijn voorschriften te volgen.

Hij zat daar, in zijn chambercloak** gewikkeld, als een slachtoffer bij

't vuur; en toen 't diner op tafel kwam, wendde hij zuchtend, met een

pijntrek om den mond, het hoofd op zij.

"Ha moar 'k zoe toch iets eten, al was 't moar 'n talleurken soep en

'n klein buufstiksken," zei, op een klaagtoon, Eleken, die, evenmin als

hij, van vasten hield.

"'K 'n magge niet, 'k 'n durve niet, den dokteur hé 't verboôn,"

jammerde hij.

"Hè-je nou nievers gien goeste noar?"

"Goest en gien goeste. Had hij mij nie gezeid da 'k vasten moest, 'k zoe

toch wel wa geëten hén."

"Wel, eet dan; al etende zal de goeste komen," drong zij aan.

Maar hij durfde toch niet. Hij stond op, bekeek zich in den spiegel,

stak zijn tong uit.

"Mijn tong 'n wor nie scheunder mee niet t' eten, ze wordt hoe langer

hoe witter," zuchtte hij.

Zij nam een bord en lei er een stuk vleesch met saus en een paar

aardappels op.

"Ala toe toe, eet da ne kier scheun op; 't 'n es anders nie as fleiwte**,"

verzekerde zij.

De verzoeking werd folterend, doch hij blééf weerstand bieden.

"Nie, 'k goa nog wachten tot morgen; moar as 't morgen nie beter 'n es

begin ik weere t' eten."

* * * * *

Den volgenden ochtend zag hij er zeer slecht en bleek uit, en zijn tong

was nog dikker dan den vorigen avond beslagen. Hij voelde zich heel zwak

en alles draaide en schemerde vóór zijn oogen.

Eleken werd angstig. "Ge mòèt eten!" beval ze. "'t Zijn fleiwten, zeg ik

ou. Die jongen dokteur 'n kent da niet. 'k Zal ik ou genezen."

Zij liep naar de keuken en deed Nathalie een flinke biefstuk klaar

maken.

De jonge Taghon, die gehoord had dat meneer Vitàl ziek was, kwam hem al

in de vroegte bezoeken.

"Eten! eten! eten!" zei hij ook, met nog meer nadruk dan Eleken, meneer

Vitals laatste aarzeling overwinnend. "Eten, menier Vitàl, en euk ne

firmen dreupel pakken; 't 'n zijn ander** nie as fleiwten op de moage."

"Maar 'k hè almets** zuk 'n pijn in mijn oarms en mijn bienen, en surtout

in mijne rugge," klaagde meneer Vitàl.

"Dat 'n es 't spreken nie weird," verzekerde Taghon. ,Da komt van ou

woater. Hè-je doar nog gien flasselken** veuren?"

Verwonderd keek meneer Vitàl den jeugdigen drinkebroer aan:

"'n Flasselken? Wa veur 'n flasselken? Om wat te doene?"

De jonge Taghon expliceerde 't hem. Meest al die heeren, die veel

uitgingen, en vooral de brouwers en de stokers, die genoodzaakt waren

veel te drinken, kregen op den duur last van hun nieren. De dokters

noemden dat albuminurie, of afscheiding van eiwitstof, of urémie, al

gekke namen die ze verzonnen om de patiënten bang te maken en ze lang

genoeg onder behandeling te kunnen houden, terwijl het zaakje toch zoo

dood-gewoon was en zonder eenige moeite door de patiënten zelf kon

worden nagegaan. Men ging eenvoudig bij den apotheker om "een flasselken

van da goed" waarmee het water onderzocht moest worden. De apotheker gaf

je een fleschje en een glazen tubetje. Dat tubetje vulde je met je

water, je mengde er enkele druppeltjes van 't fleschje in en liet het

zoo staan tot den volgenden dag. Dan nam je 't zachtjes, zonder schudden

op en op den bodem van het tubetje zag je een grijze, geelachtige stof

liggen, als héél fijn zand. Dat was de eiwitstof die zich met het water

afscheidde. Lag er slechts een klein beetje in, je zag er niet eens naar

om en dronk maar lustig voort je pintjes en je borreltjes. Lag er wat

veel, dan dronk je gedurende een dag of acht of tien iets minder, tot

het op den bodem van het tubetje weer normaal geworden was. En sterk,

zwaar voedsel bleef je aldoor nemen: buufstikken, zwijnskarbenoaden,

eieren, zooveel als je maar kon. Taghon's vader, hijzelf, de ontvanger

De Reu, meest al die heeren hadden zoo een fleschje en een tubetje, die

zij af en toe gebruikten, zooals men met een thermometer zijn

temperatuur opneemt; en zij bevonden er zich uitstekend bij, 't was als

een leiddraad in een doolhof, je wist altijd precies waar je heen ging,

wat je verdragen kon en niet, wat je doen of laten moest. 't Was of je

de dokter bestendig in de la van je nachttafel had zitten. Natuurlijk

waren de doktoren daar woedend om. Van der Muijt beweerde zelfs dat het

kwakzalverij was, zóó gevaarlijk, dat het bij de regeering diende

aangeklaagd: maar je liet ze maar praten en ging stil je gang, want

iedereen begreep heel goed waarom ze daar zoo tegen waren. Meneer Vitàl

had heusch niets anders te doen dan flink en ferm te eten en te drinken,

de doktoren aan de deur te zetten en bij den apotheker om een fleschje

en een tubetje te gaan.

Meneer Vitàl luisterde, twijfelend, vagelijk bang, even geprikkeld zelfs

omdat Eleken zich weer in het gesprek kwam mengen en hem ook nog eens

háár raad op wou dringen. Zijn blik viel op 't portret van Nonkelken,

grimlachend in zijn gouden lijst; en zijn gezicht vertrok tot een grimas

van pijn, terwijl hij aarzelend antwoordde:

"Mijn tong es zeu vuil en 't as** almets lijk of er ne stok zat in mijn

keele. As ik euk moar "'t bolleken" nie 'n krijge, gelijk Nonkelken."

De jonge Taghon moest hartelijk lachen.

"Haha! Nonkelkens bolleken, dat was er ook 'n goeje! Nonkelken was bijna

zeventig toen hij ziek werd en meneer Vitàl was pas in de dertig, Hij

had iets in de keel gekregen zooals een ander iets in zijn buik of in

zijn rug krijgt. Alleen dit kon het zijn: Nonkelken wou op 't einde van

zijn leven bijna niets meer eten en misschien wel was zijn keelgat

toegegroeid. En dáárom nog eens: eten! eten! eten! altijd maar eten!

alle kwalen ver-eten!"

Nathalie kwam met de biefstuk en de gebakken aardappels binnen. Het rook

heerlijk; je snoof er met wellust de fijne lucht van op.

"Dà zijn de medicijnen die ge neudig hèt, zie!" riep Taghon, "Ala toe,

zet ou aan toafel en begin moar firm te smullen."

"Joa moar, mijn vuile tonge," aarzelde meneer Vitàl nog even.

"Eet ze scheune!" zei Taghon.

Meneer Vitàl zette zich bij en begon te eten. In 't begin ging het wat

moeilijk. Zijn tanden waren sleeuw, niet meer gewend aan 't kauwen na

twee dagen vasten. Maar langzamerhand kwam hij er weer in en at weldra

met smaak. Hij kreeg een lichte kleur, zijn oogen herleefden, een

glimlachje kwam op zijn lippen. "'k Geleuve woarlijk dat 't mij gien

kwoad 'n zal doen," zei hij. En hij stond even op om in de spiegel naar

zijn tong te kijken.

"Verdeeke! de vuiligheid es hoast wig," glimlachte hij.

"Wa hè 'k ou gezeid!" triomfeerde Taghon. "Ala toe, eet moar ziere veurt

en pakt 'n goe glas wijn of 'n firme pinte bier."

"'k Zoe liever 'n pinte bier hèn," zei meneer Vitàl.

Eleken vloog zelve naar den kelder, om het hem versch te halen.

* * * * *

't Bolleken · 第 30 / 36 题