De kiesstrijd was begonnen....
't Barontje, woedend, razend, had als tegen-candidaat boer Verghote, een
van zijn pachters, aangesteld; en 't gansche dorp, in twee,
scherp-vijandige kampen verdeeld, was in opschudding. Al de kiezers, die
bewerkt kònden worden, werden door agenten der beide partijen bezocht en
door de prachtigste beloften aangelokt. 't Was of die mannen heel de
wereld in een Paradijs gingen herscheppen, waarin armen noch rampzaligen
meer zouden kunnen zijn.
Van den ochtend tot den avond waren meneer Vital en de jonge Taghon met
hun mannen op gang. Bij de mindervermogenden lieten zij geld, kleeren,
eet- en drinkwaren; de welgestelde burgers en boeren gingen zij
flikflooien en vleien, in alle herbergen maakten zij groot vertier,
trakteerden er op los, betaalden "reiskes** dreupels en pinten" aan al wie
ze te pakken konden krijgen.--Gelukkig dat de automobiel nog niet
verkocht was! Die deed nu uitstekenden dienst; hij stond haast niet
stil. Vader Peutrus en moeder Lie bewerkten aan hun kant het gehucht der
_Groene Linde_ en weldra kwam meneer Vitàl tot de verblijdende
conclusie, dat, al kreeg hij ook maar de twee derden en zelfs maar de
helft der hem beloofde stemmen, hij nog een schitterenden triomfdag
tegemoet zou gaan.
En inderdaad, 't barontje, krenterig en gierig, gaf haast niets en had
daarom ook niet de sympathie der menschen. Hij werd alleen gevreesd
omdat hij rijk was en 't Kasteel bewoonde en ook omdat hij rekenen kon
op de bescherming en den steun der geestelijkheid. Een tijdlang was er
twijfel geweest of de pastoors zich ditmaal wel met de verkiezing zouden
bemoeien. Geen van beide partijen was anti-katholiek, maar ten slotte
had de schaal toch naar den kant van het kasteel overgeheld; en nu
draafden de geestelijken, ietwat bedekt nog, en bij voorkeur 's avonds,
als het donker was, ten voordeele van 's barontjes candidaat.
Zoo naderde de dag der verkiezing. De propaganda werd heftiger,
ontaardde weldra in persoonlijke aanvallen en hatelijkheden.
Aanplakbrieven werden opgehangen, schimpblaadjes rondgestrooid. Meneer
Vitàl werd ronduit verweten dat hij een dronkaard was, een man die
gansche dagen in de herbergen zat en door zijn mishuwelijk alle achting
en gezag had verloren; en van den boer welken 't barontje patroneerde
vertelde de tegenpartij dat hij lezen noch schrijven kon en zelfs in
zijn eigen boerenvak zoó dom was, dat hij nauwelijks een os van een
stier kon onderscheiden.
Dokter Van der Muijt, meneer De Reu en die andere heeren trachtten zich
nentraal** te houden, maar het kostte hun groote moeite om kalm en in
schijn onverschillig te blijven. Men zag ze gewichtig, met hoogen rug en
geheimzinnige gebaren in groep door de straten loopen en 't was of ze nu
stelselmatig hun gewone herbergen ontweken: meneer Vitàl en de jonge
Taghon troffen ze haast nooit meer aan in het _Huis van Commercie_, in
_'t Klein Congres_ of in _d'Ope van Vrede_; en de vroegere, gezellige
kaartavonden en biljartpartijtjes waren totaal afgeschaft. De jonge
Taghon, verschrikkelijk opgewonden al die dagen, beweerde dat de kerels
niet meer te vertrouwen waren en dat hij haast niet twijfelde of ze
zouden mèt 't barontje en tegen meneer Vitàl stemmen. Hij sloeg hen
gade, hij waakte en volgde hen; hij zocht de gelegenheid om een hevige
discussie uit te lokken?** Maar 't was of zij het voelden: ook hèm
ontweken ze, verlieten systematisch de herbergen waar hij binnenkwam,
trokken verder, met hun gewichtige, dikke ruggen en hun geheimzinnige
gebaren, naar andere herbergen, die ze dan ook al spoedig weer
verlieten, zoodra Taghon er hen volgde. Er was spanning, hooge, hóóge
spanning in het dorp.
* * * * *
's Ochtends van den grooten dag--een Zondag--was het verrukkelijk
zomerweer.
't Was in 't begin van Juni en alles bloeide, kleurde en geurde in de
tuinen. Overal zongen de nachtegalen en heele benden klapwiekende duiven
draaiden schitterend in kringen door de ijle, blauwe zonnelucht.
Het dorp was al van in de vroegte vol beweging. Uit alle gehuchten
kwamen de boeren aan. Zij vulden eerst de kerk gedurende de vroegmis en
de tweede mis, gingen daarna, rookend en luidpratend**, naar hun gewone
herbergen, zakten langzaam, in kleine groepjes, naar het gemeentehuis
af. De dorpelingen kwamen met vroolijk-opgewekte gezichten, op hun
drempels staan, wisselden kwinkslagen met de voorbijgangers, riepen luid
hun blijdschap over 't prachtig weer, maar waagden geen woord over de
verkiezing. Dat hoefde nu ook niet meer besproken, een ieder had voor
zichzelf een vast besluit genomen en de uitslag zou straks wijzen wat
het was. De baas uit den _Dubbelen Arend_, een slimmerd, die gaarne met
iedereen goed stond, had al vast zijn vlag uitgehangen, op voorhand
vierend voor den overwinnaar, wie 't ook wezen mocht.
Eleken, die naar de tweede mis geweest was, kwam
verontwaardigd-opgewonden thuis.
"Wilt-e nòù ne kier wa weten!" riep ze van in de gang tot meneer Vitàl,
die zenuwachtig vóór zijn venster de beweging in het dorp stond waar te
nemen; "wilt-e noù ne kier wa weten: die sloeber van dien ónderpaster hé
in de twiede messe gepreekt da ze tegen ou moete stemmen!"
"O! o!" sprong meneer Vitàl ontdaan op. "Wà hèt hij gepreekt?"
"Dat de kiezers wel zoèn weten veur wie da ze moete stemmen," hijgde
Eleken.
"Ha joa maar, dat 'n wil niets zeggen," meende meneer Vitàl, zenuwachtig
zijn schouders ophalend.
"Hoe 't 'n wil niets zeggen? dat hij véúr ou woare zoedt hij nie
zeggen: stèm veur hem?" weerlegde Eleken met eenzijdig-nuchtere
vrouwenlogica.
Gesard schudde meneer Vitàl het hoofd en staarde weer naar buiten. Van
uit zijn kamer zag hij de stoep van het gemeentehuis en verder heel de
lange straat, met die ééne schel-wapperende vlag van den _Dubbelen Arend_,
tot aan de plaats, waar het nu bontwemelde van menschen-menigte. Steeds
talrijker zakten de groepen slenterend naar het gemeentehus af en
eensklaps hoorde hij in 't dorp het galmen van een zware bel, die de
kiezers tot de stembus opriep. Het klonk als een alarmgeluid, dat hevig
tot in 't diepste van zijn kloppend hart terugbonsde. 't Was of zijn
levenslot nu ging beslist worden. Hij zag den rood-gezwollen kop van den
jongen Taghon in de straat aankomen, nam hoed en stok en liep hem op den
drempel tegemoet.
* * * * *
De stemming was begonnen....
Een dichte menschenschaar trok onder holklinkend voetgetrappel, als een
kudde, langs de breede, houten trap van het gemeentehuis naar boven en
drong er zich op elkaar in de ruime zaal van de
gemeenteraads-vergaderingen. Een gendarm in groot uniform, met colback**
en geweer, hield bij de open deur de wacht en op een podium aan 't eene
uiteinde der zaal, riep de veldwachter met luider stem de namen af. De
kiezers kregen hun bulletins, drongen achter het bruin-linnen beschot
der "isoloirs**" om ze te stempelen, kwamen er weer uit en stopten de
briefjes in de bussen, onder toezicht der autoriteiten. Toen drongen zij
langzaam weer in de kudde en bij den uitgang ontvingen zij uit de handen
van twee mannen, waarvan de een fungeerde voor 't barontje en de andere
voor meneer Vitàl, hun bontjes voor eten en drinken; en met glundere
gezichten daalden zij de trap weer af, kwamen in de ruime herbergkamer
van 't gemeentehuis en gingen al vast wat bestellen. Die bontjes, geldig
voor een lekkeren maaltijd en vijf pinten bier of vijf borrels, waren
steeds het glanspunt en de groote attractie der verkiezingen. De
openlijke, vast-bekende partijgangers der candidaten aanvaardden die wel
maar uit ééne hand; maar al de twijfelaars, die hun keuze wisten geheim
te houden, namen grif van beide kanten aan en zoo hadden velen recht op
twee maaltijden en op tien glazen bier of borrels.
't Was twaalf uur. De kiezing was zoo goed als afgeloopen, maar de
uitslag zou niet vóór vier of vijf uur in den namiddag bekend
zijn.--Meneer Vitàl stond met Taghon beneden in de gelagkamer van het
gemeentehuis en poogde op de uitdrukking van de gezichten en in
't luisteren naar de gesprekken iets van een algemeene impressie waar te
nemen; doch alles was verward en vreemd en twijfelachtig, alsof het om
heel andere dingen dan de verkiezing was te doen. De boeren praatten met
schril-schetterende stemmen over vee en landerijen, giegelden, spuwden
en lachten, waren er op uit om een dagje van gezelligheid en pret; maar
buiten op de stoep, vlak bij een der wijdopenstaande vensterdeuren,
hield zich al van in 't begin 't barontje met den onderpastoor en den
nieuwen candidaat--een dikke, rooie, slaafsch-verbauwereerde
boerekop--en meneer Vitàl begreep maar al te goed wat voor een invloed
het enkele zicht van dàt drietal daar samen op de wankelmoedige en
bedeesde kiezers moest uitoefenen. Toch bleef hij vol moed, daar de
jonge, opgewonden Taghon hem bleef verzekeren dat hij een kolossale
meerderheid zou behalen; en even had hij pret in zichzelf om de benauwde
gegeneerdheid van dokter Van der Muijt, De Reu en die andere heeren,
toen zij, van de stembus weer beneden komend, en hem en 't barontje te
gelijkertijd in de herbergzaal ontwarend, haast niet meer wisten hoe
zich te houden en te wenden. Zij groetten op een afstand om de beurt de
twee partijen, staken hun donkere, dikke ruggen samen, waartusschen
alleen de smalle, magere, bleekgrijs-gejaste rug van De Reu als een
lichtkaars opschoot; en eindelijk vonden zij in de joelende drukte een
onbezet hoekje met een tafeltje, waar zij dadelijk voor een "reiske
dreupels" gingen dobbelen, als om duidelijk genoeg te betuigen, dat zij
menschen van vrede en verzoening waren, die hun burgerlijke plichten als
kiezers wel volbrachten, maar zich daarbuiten met geen vijandige
partijschap wenschten op te houden.
"Blanco,... ze stemmen blanco," spotte de jonge Taghon.
Even vóór éen uur hadden de laatste kiezers gestemd en meneer Vitàl nam
Taghon mee naar huis om te dineeren. De teerling was nu geworpen; wat er
ook van kwam, het kon niet meer veranderen. Nu maar lekker gedineerd,
'n flinke flesch gedronken, 'n fijne sigaar gerookt, en gewacht. De rest
zou van zelf wel komen. Alleen had meneer Vitàl aan Eleken gevraagd om
de tafel in de voorkamer te laten dekken, zoodat zij van daar uit alles
konden zien wat er op straat gebeuren zou.
Vooreerst gebeurde er niets. De straten waren leeg, de kiezers aan
't eten. Zij mochten gaan waar 't hun beliefde en alle herbergen zaten
stampvol; overal kregen zij voor hun bon een lekkeren maaltijd, die dan
later door de kiesdravers betaald zou worden. De bontjes van 't barontje
waren rood en die van Meneer Vitàl groen; dat was 't eenig verschil. De
blauwe kleur hadden beide partijen systematisch vermeden, omdat het de
politieke kleur was van de liberalen, waar niemand graag gemeens** mee
had op 't dorp.
Aan de tafel van meneer Vitàl ging het er zenuwachtig toe. Meneer Vitàl
had mooi te herhalen dat er meer dan tijd genoeg was om rustig te
dineeren en een goed glas te gebruiken, aangezien er vóór vier ure toch
onmogelijk iets bekend kon worden, zij waren rusteloos-gejaagd alle
drie, schichtig etend en drinkend, alsof ergens een vijand zat te
loeren, die hen de brokken uit den mond zou stelen. Geen moment verliet
hun blik de stil-verlaten straat, met de agitant-wapperende** vlag aan den
gevel van den _Dubbelen Arend_, en iederen voorbijganger noemden zij bij
den naam en deelden aan elkander mede hoe hij er uitzag, ernstig,
vroolijk of onverschillig, en waar hij vandaan scheen te komen, en waar
hij naartoe scheen te gaan. Maar de straat bleef van een ongeloofelijke
rust en stilte; enkele huizen langs den zonnekant hadden zelfs hun
blinden dicht en langs de schaduwzijde zaten vrouwen met kleine kinderen
op de drempels te spelen, net als op de doodgewoonste zondagen.
Eerst tegen drie ure begon er een weinig beweging te komen. De kiezers
trokken in groepjes uit de herbergen waar zij gegeten hadden en
verlieten het dorp, 't gezicht rood, de pet scheef, dampend-smakkend aan
hun pijp. Zij praatten luid en lachten in de straat; maar hoe meneer
Vitàl en Eleken en de jonge Taghon ook al met inspanning luisterden,
iets duidelijks konden zij op zoo'n afstand, achter de gesloten ramen
niet hooren.
Meneer Vita], die geen oogenblik meer met rust kon zitten, schelde om
't chauffeurtje.
"Es 't er al iets bekend, Louitje?" vroeg hij gejaagd aan
't binnenkomend knechtje.
"'K 'n geleuf 't nie, meniere; 'k 'n hè toch nog niets g'heurd."
"Weet-e wat da ge doet, Louitje: goat in den hof, steekt ou wig achter
de muur, tegen 't hekken en hurkt ne kier wat dat al die veurbijgoande
boeren vertellen. Moar ge 'n meug nie lange wig-blijven, zulle; en...
pstt!... zeg!.. zeg aan Nathalie da z' ons nog 'n flassche champagne
brijngt."
Louitje ging en Nathalie kwam met de flesch.--Meneer Vitàls handen
beefden zóó zenuwachtig, dat hij de ijzerdraadjes van de kurk niet door
kon knippen. De jonge Taghon moest het van hem overnemen. Hij vulde
schuimend de glazen en klonk aan, opgewonden roepend:
"Op de goejen uitslag!"
Maar ook hij had geen rust meer; hij keek in de straat, waar steeds meer
kiezers-groepen slenterend aankwamen en eensklaps stelde hij voor even
naar 't gemeentehuis te loopen om te hooren wat er omging.
"O joa, menier Daniël, as 't ou blieft, doet datte!' smeekte Eleken.
Maar de deur ging open en 't chauffeurtje kwam opnieuw te voorschijn.
"Hawèl?" riepen zij alle drie, in hoogste spanning.
"Ze 'n klappen zij van nie anders as van ulder land en ulder biesten,"
glimlachte onnoozel het knechtje.
"O die loeders!" riep verontwaardigd Eleken.
"En niets, nièts van de kiezijnge**?" vroeg verbaasd meneer Vitàl.
"Ha 't doet; da z' ulder broek voagen aan de kiezijnje en dat 't ulder
gelijk es wie dat er gekozen wordt, hè 'k er 'n poar heure zeggen,"
antwoordde Louitje wat verlegen.
Plotseling vloog de jonge Taghon met een kreet naar een der vensterramen:
"Kijk ne kier ginter; wa es dàtte?"
Meneer Vitàl en Eleken keken ijlings-schokkend om en zagen van verre een
woelende beweging op de stoep van het gemeentehuis. Een groep van een
twintigtal mannen stond naar de ingangsdeur gedrongen en eensklaps
stoven zij uiteen terwijl een kerel, blootshoofds en met
zwaaiend-uitslaande armen, wild van de trappen sprong en als een gek de
straat in holde, dadelijk door een hem na-hollende bende gevolgd. Haast
tegelijkertijd kwam een tweede man buiten gestormd, die twee duiven
opliet; en meteen galmde joelend geschreeuw, terwijl menschen, midden in
de straat, van uitgelaten pret begonnen te dansen en te springen.
"Toe, toe, goan urk ne kier en kom het seffens zeggen!" gilde Eleken
't chauffeurtje toe.
Maar de jonge Taghon was hem al voor; en meneer Vitàl, bleek als een
lijk naast Eleken achter het raam, zag hem ook reeds als een gek de
straat in hollen. Hij rende tot halverwege 't gemeentehuis, in het
rumoer der dorpelingen, die rechts en links hun deuren openrukten; maar
plotseling bleef hij staan, als door een hinderpaal in zijn wilde vaart
geremd. Meneer Vitàl zag hem even midden in een groep staan praten met
hartstochtelijke gebaren en bewegingen, alsof hem iets verteld werd dat
hij niet gelooven kon; en toen keerde hij zich schijnbaar kalmer om en
kwam met vluggen, vastberaden stap weer naar 't "Kasteelken" toe.
"Hawèl, wa es 't? wa es 't?" riep meneer Vitàl, trillend van ongeduldige
emotie, alsof Taghon hem van zoo verre hooren kon,
"Och Hiere! och Hiere! 't Pakt mij aan mijn herte!" zuchtte Eleken, zijn
arm knellend.
Taghon, aan 't hek gekomen, zag meneer Vitàls ontdaan gezicht achter het
venster en schudde langzaam 't hoofd, terwijl zijn lippen naar beneden
trokken.
Meneer Vitàl en Eleken stormden hem in de gang tegemoet.
"Slecht nieuws?" vroeg meneer Vitàl schor.
"Heul slecht," antwoordde Taghon ontmoedigd.
"Es 't resultaat definitief gekend?"
"Joa 't."
"En...?"
"Twiehonderd negen en tachentig.".
"Ikke?"
Taghon knikte sprakeloos met het hoofd.
"En Verghote?' "Zeshonderd twie en tnegentig!"
"Nom de Dieu!"
Zij drongen alle drie weer in de kamer en sloten de deur. Hun
consternatie was zóó ontzettend groot, dat geen van de drie even nog een
woord kon spreken, terwijl zij elkaar met stomverbaasde, haast
verschrikte oogen aankeken. Eleken barstte plotseling in tranen uit.
"Twie... honderd... negen... en tachentig!" herhaalde meneer Vitàl alsof
hij 't niet gelooven kon. "Twie... honderd... negen... en tachentig!
Zij-je nie mis? Hè-je wel goed verstaan?"
"Heul goed," zuchtte Taghon, met bevende handen op een stoel zinkend. Er
was opnieuw een oogenblik volkomen stilte, waarin zij hoorden het
zwellend-oploeiend gejoel in de straat.
"Moar, nom de Dieu! doar 'n zijn dan nie anders geweest as valschoars!"
gilde plotseling meneer Vitàl, met van woede uitpuilende oogen,
Taghon zat met gebukt hoofd in zichzelf te vloeken en te knarsetanden.
Eensklaps vloog hij op, de vuisten naar de straat gebald, met
heeschdreigende stem schreeuwend:
Den** dokteur en De Reu, en al die ander valsche lafoars, dà zijn de
sloebers die d' er ou ingesteken hen**! moar nondenondedomme! wach moar,
'k zal ze vinden! Ze 'n zillen 't veur niet nie gedoan hén!"
"Noeit 'n zal Van der Muijt hier over de zulle** mier komen?" krijschte
Eleken. "Al moest ik nog wel twintig kinders krijgen, gien ien 'n zal
d'er deur zijn peuten mier gaan. En gij, gij!" riep ze met naar meneer
Vitàl als 't ware dreigend uitgestoken wijsvinger, "gij 'n zil noeit op
ulder stamenees mier komen en in al ulder sosseteiten ou demissie**
geven!"
"Ah la la la la la la!" hoofdschudde meneer Vitàl zonder veel notitie
van Elekens heftigen uitval te nemen. "Twie... honderd... negen... en
tachentig stemmen, tegen zes... honderd... twie... en tnegentig veur da
virken van die Verghote, die zeu stom es as 't achterste van 'n kalf en
hoast zijnen noame nie 'n kan zetten! nom de Dieu de nom de Dieu! Ala,
kom, 't es om d' er mee te lachen! Taghon, drijnkt ou glas uit; Eleken
hoalt ons nog 'n flassche: we goan mee vieren!"
Hij werd ineens bitter opgewonden, hij grijnslachte, dronk keer op keer
zijn beker leeg, stak een sigaar op en kwam met Taghon voor 't venster
staan, spottend uit de hoogte kijkend naar de drukte in de straat.
De stoep van het gemeentehuis was als de ingang van een bijenkorf,
zwart-wemelend van onophoudelijk in-en-uit-krioelende menschenmassa; en
midden op de straat werd er gezongen, gesprongen en gezwierd, als op de
dolste kermisdagen. Eensklaps begonnen de klokken op den kerktoren
triomf te luiden en in de verte dreunde het gebulder der kanonnen,
terwijl de vlaggen aan de huizen haastig werden uitgehangen. Toen
barstte schetterend de muziek los en een lange stoet kwam in de verte
aan, voorafgegaan van wild-hossende, dansende, zwierende en buitelende
bengels, die, onder het uitbundig schimpgelach van de toeschouwers langs
de huizen, aan een lange touw een oud stuk kachelpijp over de
straatkeien sleepten.
Meneer Vitàl stond wit van woede te beven en Eleken barstte plotseling
weer in tranen uit.
"O, die sloebers! die sloebers! die sloebers!" kreet zij uit de kamer
vluchtend.
"Menier Vitàl, woar es ou geweire**? woar es ou gewiere**?" hijgde zoekend
de jonge Taghon. "As ze mee ulder buize veur 't huis durve komen, schiet
ik er in lijk in de musschen!"
Maar zij waagden zich niet. Vóór de stoep van het gemeentehuis hieven
zij een gebrul aan als van wilde beesten en zwenkten links om, een
zijstraat door, in de richting van 't Kasteel.
"Kijk ne kier, kijk ne kier, zie-je ze meegaan; de valsche sloebers!"
raasde Taghon.
Hij wees naar een groepje van een zestal heeren die in de stoet
achteraan kwamen en meneer Vitàl herkende van verre de om den hoek
verdwijnende, dikke, donkere ruggen van dokter Van der Muyt en die
andere heeren, met in hun midden den mageren, lichtgrijs-gejasten rug
van De Reu, die er als een schrale kaars recht uit opschoot.
* * * * *
Tot laat in den nacht bleef het dorp vol rumoer en beweging. Om tien
uur, toen Taghon, die ook was blijven soupeeren, eindelijk vertrok, ging
meneer Vitàl met gloeiend hoofd en saâmgetrokken wenkbrauwen nog eens in
zijn tuin, om daar in eenzaamheid en duisternis zijn woede en
teleurstelling te koelen. Maar zelfs dáár had hij geen rust en werd hij
onophoudelijk geprikkeld door de schrijnende herinnering aan zijn
geleden nederlaag. Hij hoorde steeds de chaotische geluiden van
't feestvierend dorp, de bralstemmen der dronkaards en het ver gebulder der
kanonnen; en af en toe schoot uit het donkere van den nacht, in de
richting van 't kasteel, een vuurpijl naar den hemel, die daar even hoog
en glinsterend-helder, tot een rijkkleurigen tuil van flonkersterren
openbloeide en meteen in de duisternis verstierf. Hij hoorde, als een
vaag echo, 't geschreeuw der menigte ginds verre; en zelfs de tonen der
muziek, die ook op het kasteel was, klonken soms tot hem door, heel fijn
en ijl, als werden zij uit kinder-speeltuigen geblazen, met iets
schimpends in hun ijle fijnheid, alsof er ginds een spotgeest zat, die
zoo belachelijk-zwak en kinderachtig speelde, om hem te plagen en te
sarren. Hij dacht aan mademoiselle de Saint-Valéry, die dat nu ook alles
zag en hoorde en een bittere plooi trok om zijn mond. Zijn lippen
trilden, iets woelde in hem, diep in zijn binnenste, en plotseling
kwamen hem tranen in de oogen.
"Woar zij-je, Fietàl?" klonk eensklaps in de duisternis de stem van
Eleken, die, ietwat angstig door zijn opgewondenheid, hem in den tuin
gevolgd was.
Hij kon niet dadelijk antwoorden; de emotie schroefde zijn keel toe.
Dringender herhaalde zij haar geroep.
"Hier," antwoordde hij eindelijk, met schorre stem.
"Ala, toe, kom nou bij mij in huis, 'n houdt ou mee die smeirigen boel
nie langer bezig," vermaande zij.
Een vuurpijl schoot ginds verre in de hoogte en bloeide in den nacht zóó
helder open, dat hij even als bij den gloed van een weerlicht, gansch
haar beeld als 't ware in vreemde, sensueele schoonheid vóór zich zag.
Het deed hem goed haar zoo te zien, haar dicht en trouw bij zich te
voelen. Zij, ten minste, was van hem en haar zou niemand hem ontnemen.
En plotseling voelde hij intens, dat hij nu ook zijn geluk niet verder
zoeken mocht noch kon. Het was nu eenmaal zoo, hij zelf had door zijn
huwelijk de toestand zoo geschapen: eer, ambitie, hoogere verheffing en
ontwikkeling moest hij nu maar voor goed vaarwel zeggen en zich
tevreden stellen met het geluk dat hij bezat: zijn natuurkind, de mooie,
flink-gezonde vrouw die zich nooit aan hem weigerde, de moeder van zijn
kind, die hem nog meer mooie, flink-gezonde kinderen zou geven.
"Eleken," murmelde hij verteederd, "Eleken;" en eensklaps sloot hij haar
in de duisternis tegen zich aan, met zulk een knellenden hartstocht, dat
zij er eerst van schrikte. Maar zij juichte inwendig en zoende hem terug
met dichte oogen, terwijl zij ook onstuimig haar armen om hem heen
sloeg, of zij hem nooit meer los zou laten.
"Kom, kom, kom, al de rest 'n es de moeite nie weird," hijgde hij.
Hij trok haar met zich mee, met rassche schreden, gejaagd als in een
vlucht, dwars over 't donker grasveld, recht naar huis toe.
"Chtt! stille, stille," da** ge 't kind nie wakker 'n moakt," fluisterde
zij vermanend, toen zij boven op hun kamer waren.
Een schrille gloed vlamde even als een weerlicht in de donkere ruiten
op, een doffe knal weergalmde dreunend in de verte.
Hij grinnikte spotlachend en zoende en prangde haar nog vuriger. "Cht!
stille, stille," suste zij dringender, "'t kleintje nie wakker moaken...**
* * * * *