XX.

Al spoedig ondervond meneer Vitàl welk een groote verandering de komst

van het kind in zijn huiselijk bestaan had gebracht. Gedaan was 't met

het wederzijds, uitsluitend-egoïstisch materiëel genotsleven! Eleken

voedde en verzorgde ook grootendeels zelve haar kind, en dat nam veel

van haar tijd voor teederheids-ontboezemingen in beslag. Hij klaagde

niet, hij vond het mooi in haar, die toewijdende moederliefde, maar hij

voelde zich wel eenzaam en verwaarloosd soms; en, meer dan in de eerste

maanden van zijn huwelijk, dreven eenzaamheid en verveling hem nu naar

zijn vrienden in de dorpsherbergen.

't Was winter weer, met korte, triestige, vuile dagen; de jacht was

gesloten, de visch lag roerloos in de diepte van het kille water, als

bedwelmd en versteven wachtend naar de komst van de nog verre

lente-luwte om weer op te duiken en zich te bewegen; en toen meneer

Vitàl zijn ochtend-courant gelezen had, wist hij niet meer wat uit te

voeren tot de avond-courant kwam. Hij slenterde doelloos rond, ging even

kijken naar zijn auto, dien hij nu wel vagelijk van plan was te

verkoopen indien zich soms een gunstige gelegenheid voordeed; hij kwam

weer in huis, bleef eventjes bij Eleken en 't kind, waar hij trouwens

spoedig in den weg zat, stak een sigaar aan, nam soms een boek dat hij

al gauw weer dicht sloeg, keek nu en dan eens naar de klok of 't nog

geen tijd werd om in 't dorp te gaan. Tegen half elf trok hij er

eindelijk op uit, bezocht zijn vaste herbergen, ontmoette er zijn

kennissen, hoorde de nieuwtjes van den dag onder het drinken van zijn

borreltjes, kwam tegen één uur eten, ging liggen, trok er weer op uit,

keerde terug om te soupeeren en ging dan nog eens weg, terwijl Eleken

zich met haar kind en haar huishouden bemoeide, dag aan dag hetzelfde

leven, vastgeregeld als de stille, trage uren, die steeds over dezelfde

klok eentonig voortkropen.

Eleken vond dat best. Een rijke buitenheer hoorde deftig op stamenee te

gaan en er zijn vrienden te ontmoeten, en met de grootste belangstelling

luisterde zij iederen middag en iederen avond naar de praatjes en

nieuwtjes, die hij uit de herberg meebracht. Zij ook, trouwens, had zich

langzaam aan van een heel gezellig kringetje weten te omringen. Behalve

moeder Lie, die nu heel dikwijls kwam, en de oude schoolmeesteres, die

haar nog steeds, driemaal in de week, fransche les kwam geven, had zij

ook kennis gemaakt met de vrouw van den koster en met de oudste dochter

van den brigadier der gendarmerie; en meer dan eens nu, als meneer Vitàl

thuis kwam, vond hij dat heele troepje om een koffietafel zitten, niet

in de eetkamer, maar gezellig in de keuken, naast de keukenmeid en het

chauffeurtje, bij de warmte van de kachel, met de wieg van 't kleintje

in een hoek, allen luisterend naar de trage woorden van de oude

meesteres, die steeds en onophoudend aan 't verhalen was. Zij was héél

lang en mager, als een verdorde reuzin, met een houterig, breed gezicht

en groote, wijd-uit-elkaar-staande, als 't ware verwilderd-starende

oogen; en alles wat ze met haar trage, doffe, eentonige stem vertelde,

klonk even zwaar en gewichtig, als deelde zij dingen mede van diepen

ernst en overwegend belang.

Meneer Vitàl werd er in den beginne wrevelig onder en deed Eleken

verwijten. Hoe was 't toch mogelijk, dat ze zich met zulke menschen

afgaf en dan nog wel in de keuken, in 't bijzijn van meid en knecht! Nu

begreep hij ook best waardoor het kwam dat ze heelemaal geen vorderingen

maakte in het Fransch en hij sprak van die nietsbeteekenende lessen af

te schaffen. Eleken zette een bedroefd gezicht en ging aan 't schreien.

"'K 'n hé euk anders niemand om mij 'n beetse t' amezeeren," klaagde

zij: "Gij zij heule doagen uit; 'k zit hier àltijd alliene."

Die woorden brachten hem tot bedaren. Hij moest in zichzelf toegeven,

dat hij haar den laatsten tijd wel veel alleen gelaten en verwaarloosd

had.

Beter ware 't geweest haar niet zoo aan zichzelf over te laten. Maar hij

voelde zich reeds te sterk door de kracht der gewoonte aan zijn

dagelijksche uitgangen gebonden om er nu nog verandering in te kunnen

brengen; en liever liet hij haar toch eigenlijk maar haar zin doen. Hij

maakte geen verdere opmerkingen meer en gedoogde, door zijn lijdzaam

stilzwijgen, de bijeenkomsten in de keuken. Hij wende er aan, ze daar

allen om de koffiekan te vinden en 't kwam zooverre dat hij soms even

mee aanzat, en ook een kopje slurpte, luisterend naar de gewichtige

dorpsnieuwtjes van de oude meesteres, waaraan hij soms, door kennis in

de herberg opgedaan, nog een interessante trek of anecdote wist toe te

voegen.

* * * * *

't Bolleken · 第 27 / 36 题