Al spoedig ondervond meneer Vitàl welk een groote verandering de komst
van het kind in zijn huiselijk bestaan had gebracht. Gedaan was 't met
het wederzijds, uitsluitend-egoïstisch materiëel genotsleven! Eleken
voedde en verzorgde ook grootendeels zelve haar kind, en dat nam veel
van haar tijd voor teederheids-ontboezemingen in beslag. Hij klaagde
niet, hij vond het mooi in haar, die toewijdende moederliefde, maar hij
voelde zich wel eenzaam en verwaarloosd soms; en, meer dan in de eerste
maanden van zijn huwelijk, dreven eenzaamheid en verveling hem nu naar
zijn vrienden in de dorpsherbergen.
't Was winter weer, met korte, triestige, vuile dagen; de jacht was
gesloten, de visch lag roerloos in de diepte van het kille water, als
bedwelmd en versteven wachtend naar de komst van de nog verre
lente-luwte om weer op te duiken en zich te bewegen; en toen meneer
Vitàl zijn ochtend-courant gelezen had, wist hij niet meer wat uit te
voeren tot de avond-courant kwam. Hij slenterde doelloos rond, ging even
kijken naar zijn auto, dien hij nu wel vagelijk van plan was te
verkoopen indien zich soms een gunstige gelegenheid voordeed; hij kwam
weer in huis, bleef eventjes bij Eleken en 't kind, waar hij trouwens
spoedig in den weg zat, stak een sigaar aan, nam soms een boek dat hij
al gauw weer dicht sloeg, keek nu en dan eens naar de klok of 't nog
geen tijd werd om in 't dorp te gaan. Tegen half elf trok hij er
eindelijk op uit, bezocht zijn vaste herbergen, ontmoette er zijn
kennissen, hoorde de nieuwtjes van den dag onder het drinken van zijn
borreltjes, kwam tegen één uur eten, ging liggen, trok er weer op uit,
keerde terug om te soupeeren en ging dan nog eens weg, terwijl Eleken
zich met haar kind en haar huishouden bemoeide, dag aan dag hetzelfde
leven, vastgeregeld als de stille, trage uren, die steeds over dezelfde
klok eentonig voortkropen.
Eleken vond dat best. Een rijke buitenheer hoorde deftig op stamenee te
gaan en er zijn vrienden te ontmoeten, en met de grootste belangstelling
luisterde zij iederen middag en iederen avond naar de praatjes en
nieuwtjes, die hij uit de herberg meebracht. Zij ook, trouwens, had zich
langzaam aan van een heel gezellig kringetje weten te omringen. Behalve
moeder Lie, die nu heel dikwijls kwam, en de oude schoolmeesteres, die
haar nog steeds, driemaal in de week, fransche les kwam geven, had zij
ook kennis gemaakt met de vrouw van den koster en met de oudste dochter
van den brigadier der gendarmerie; en meer dan eens nu, als meneer Vitàl
thuis kwam, vond hij dat heele troepje om een koffietafel zitten, niet
in de eetkamer, maar gezellig in de keuken, naast de keukenmeid en het
chauffeurtje, bij de warmte van de kachel, met de wieg van 't kleintje
in een hoek, allen luisterend naar de trage woorden van de oude
meesteres, die steeds en onophoudend aan 't verhalen was. Zij was héél
lang en mager, als een verdorde reuzin, met een houterig, breed gezicht
en groote, wijd-uit-elkaar-staande, als 't ware verwilderd-starende
oogen; en alles wat ze met haar trage, doffe, eentonige stem vertelde,
klonk even zwaar en gewichtig, als deelde zij dingen mede van diepen
ernst en overwegend belang.
Meneer Vitàl werd er in den beginne wrevelig onder en deed Eleken
verwijten. Hoe was 't toch mogelijk, dat ze zich met zulke menschen
afgaf en dan nog wel in de keuken, in 't bijzijn van meid en knecht! Nu
begreep hij ook best waardoor het kwam dat ze heelemaal geen vorderingen
maakte in het Fransch en hij sprak van die nietsbeteekenende lessen af
te schaffen. Eleken zette een bedroefd gezicht en ging aan 't schreien.
"'K 'n hé euk anders niemand om mij 'n beetse t' amezeeren," klaagde
zij: "Gij zij heule doagen uit; 'k zit hier àltijd alliene."
Die woorden brachten hem tot bedaren. Hij moest in zichzelf toegeven,
dat hij haar den laatsten tijd wel veel alleen gelaten en verwaarloosd
had.
Beter ware 't geweest haar niet zoo aan zichzelf over te laten. Maar hij
voelde zich reeds te sterk door de kracht der gewoonte aan zijn
dagelijksche uitgangen gebonden om er nu nog verandering in te kunnen
brengen; en liever liet hij haar toch eigenlijk maar haar zin doen. Hij
maakte geen verdere opmerkingen meer en gedoogde, door zijn lijdzaam
stilzwijgen, de bijeenkomsten in de keuken. Hij wende er aan, ze daar
allen om de koffiekan te vinden en 't kwam zooverre dat hij soms even
mee aanzat, en ook een kopje slurpte, luisterend naar de gewichtige
dorpsnieuwtjes van de oude meesteres, waaraan hij soms, door kennis in
de herberg opgedaan, nog een interessante trek of anecdote wist toe te
voegen.
* * * * *