XIX.

Zij werden dik, alle twee, en hun gezicht kreeg een roode, soms vurige

kleur. Zijn kleeren begonnen hem om 't lijf te spannen, en toen zij, met

haar voorjaars-uitzet bezig, de japonnen die ze te Parijs gekocht had,

nog eens wilde aantrekken om te zien wat er nog van gebruikt of aan

vermaakt kon worden, stelde ze met verbazing vast dat zij er niet meer

in geraakte. De corsages stonden een hand-breed open voor de

zwaargeworden borst, de japonnen trokken spannend om de ronde heupen, de

mouwen van de mantels sloten als pijpen om de wijd-van-'t lijf-staande

armen, Vroeger zou meneer Vitàl om die boersche lompheid getreurd

hebben; nu zag hij er alleen het bloeiend-malsche van haar weelderige

gezondheid in. En zij stonden om elkaar te lachen: hij in zijn trekkende

broekspijpen, met open ceintuurband en losgeknoopt vest; zij met haar

door 't spannend goed als 't ware omgoten bochel-heupen en haar tusschen

de corsage uitpuilende borst. Hij kittelde haar op het plekje waar hij

iets van 't malsche roze vleesch onder het hemd zag en 't eindigde met

wild gezoen en hartstochtelijk genieten van hun fyziek-overtollige

gezondheid.

"Doar 'n es niets aan te doen," lachte zij. "'k Zal Emelie, de

noaisterigge**, doen komen en heur de moate loate nemen veur 'n nieuw

klied en da 'k lijk gij woare 'k zoe noar Arjoans goan en mij euk ne

nieuwen tenue bestellen."

Emilie en Arjaan! De boerinne-modiste en de boeren-kleermaker! Wat zou

hij verontwaardigd zijn geweest had ze daar vroeger ook maar even van

gewaagd! Nu vond hij de idee zoo kwaad niet. Het was wel gemakkelijk je

kleermaker zoo bij de hand te hebben en niet telkens naar stad te moeten

loopen. En zij liet Emilie komen en hij ging eens kijken bij Arjaan wat

hij wel had van stoffen en naar welk model hij werken kon.

* * * * *

Tegen het einde van den volgenden zomer werd zij zwanger. Dat was een

blijde tijding, maar toch eene die hun egoïstisch geluk wel spoedig zou

storen. Het prikkelde en verveelde hem gedurende een paar weken, maar

dan ging hij erover redeneeren en voelde zich eindelijk heel trotsch dat

hij zou vader worden.

Dokter Van der Muijt werd tijdig op de hoogte van den toestand gebracht

en verzocht de bevalling te willen waarnemen. 't Liep als op rolletjes

af. 's Avonds vóór de gebeurtenis voelde zij nog al scherpe weeën, maar

vóor den ochtend was 't er al: een mollig, flink meisje. Meneer Vitàl

woonde de bevalling niet bij. Hij kon er toch niets nuttigs bij

verrichten en vond die dingen afschuwelijk. Den heelen nacht hield hij

dokter Van der Muijt beneden gezelschap, onder het drinken van bourgogne

en 't rooken van sigaren, terwijl moeder Lie en de baker bij Eleken de

wacht hielden. Maar tegen half drie kwam de baker met ernstig gezicht

den dokter naar boven wenken; en kort daarop hoorde meneer Vitàl een

rauw gebrul, dat hem met een angstkreet op deed springen, door het huis

weergalmen; en 't oogenblik daarna stond hij ook boven in de kamer,

zonder dat hij 't zich bewust was, overvloedig schreiend, en keek hij,

om de beurt, als een verbauwereerde, naar zijn bleeke vrouw in 't bed en

naar het prachtkind, dat de baker hem, gelukwenschend, op haar armen

voorhield. De dokter lachte hem vierkant uit om zijn snikken en zijn

huilen en verzocht hem maar liever weer weg te gaan, terwijl hij verder

zijn vrouw zou behandelen. Moeder Lie liep zwijgend en beteuterd heen en

weer, dingen zoekend die zij niet scheen te kunnen vinden, de keukenmeid

was opgestaan en kwam ook even, te nauwernood half aangekleed, kijken;

en beneden in de gang stond Louitje roerloos-luisterend te wachten, of

men hem soms voor 't een of 't ander noodig had.

Meneer Vitàl, óvertrotsch van geluk, hield op met schreien, verliet de

kamer en ging weer beneden. Maar plotseling, toen hij bijna in de gang

was, keerde hij zich om en stoof onstuimig weer de trappen op. In al

zijn ontzetting had hij nu vergeten wat het eigenlijk was: 'n jongen of

'n meisje; en verwilderd stak hij 't hoofd naar binnen, stotterend:

"Docteur,.... wa.... wa es 't nou eigenlijk: ne jongen of 'n meisken?"

"Hein?" riep de dokter, zich met verbaasd gezicht omkeerend bij het bed,

waar hij over Eleken gebogen was. En eensklaps barstte hij in een

onbedaarlijken schaterlach uit.

"'t Es 'n dochter, 'n firme dochter, meniere," zei de baker, insgelijks

schokkend van het lachen. Ook de keukenmeid kon zich niet inhouden en

zelfs Eleken begon even te giegelen, zoodat de dokter haar dringend stil

deed houden. Moeder Lie, plotseling roerloos midden haar beteuterd

zoeken, keek meneer Vitàl stom en strak-starend aan en haar gezicht

vertrok in vreemde plooien, onder een stil-argeloozen, langzaam

ontluikenden glimlach van verbluftheid, die haar tandeloozen mond scheef

openrekte en haar zwarte oogen even leuk deed glinsteren.

Meneer Vitàl was al weer weg.--'n Jongen of 'n meisje, 't kwam er niet

op aan, 't was alles goed; maar op zoo'n gelukkige gebeurtenis moest nog

eens lekker gedronken warden en hij ging met Louitje naar den kelder en

haalde twee flesschen van zijn fijnste champagne boven. De dokter,

moeder Lie, de baker, de meid, 't chauffeurtje, allen werden

getrakteerd. Meneer Vitàl kwam zelf met het volgeladen presenteerblad in

de kamer en bood de glazen aan. Zij dronken op de gezondheid van het

kind en wenschten nog eens allen meneer Vitàl en Eleken proficiat.

"Mag ik euk nie 'n zeupken hén, docteur; 'k hè toch zuk nen dust?" vroeg

Eleken met weeke stem.

"O, nie g' zulle, nie g' zulle!' zei de dokter ernstig, op vastberaden

toon.

"O, en ik die toch zeu geirne sampoande** drijnke!" klaagde zij.

De baker begon te vertellen van een vrouw waar zij herhaaldelijk

gebakerd had, en die telkens, onmiddellijk na iedere bevalling, twee

glazen "sampoande" dronk en er zich uitstekend bij bevond. Ook moeder

Lie ging onduidelijk aan 't verhalen van een vrouw die telkens

brandewijn wilde, maar de dokter deed beide zwijgen en stuurde hen met

een wrevelig gebaar naar het kind, dat zwak begon te kreunen.

Heel zacht, als met een soort van vrees of tegenzin, ging meneer Vitàl

er nu eindelijk ook naar kijken. Hij zag de kleine, krieuwelende

handjes, de dichte oogjes, de rusteloos heen en weer bewegende lipjes

van 't gesloten mondje. Heel het klein gezichtje zag eenkleurig rood,

als 't ware gekookt, en 't leek hem iets akeligs, bijna gedrochtelijke,

hij begreep niet hoe daar ooit een mensch uit moest groeien.

"'t Dijnke mij** da meniere schouw of vies es van zijn dochter, e-woar?"

grinnikte de baker, met een spotblik naar meneer Vitàls verbauwereerd

gezicht opkijkend. En lichtjes door de champagne opgewonden begon ze

schril te lachen.

De dokter was met Eleken klaar.

"Et maintenant du repos, du sommeil," zei hij, zich tot meneer Vitàl

omkeerend. "Houdt ou nou scheune stille, mamaatje," glimlachte hij

Eleken toe, "en sloap wel. 'k Zal al vroeg in den uchtijnk** nog ne kier

kome kijken."

Eleken, met gesloten oogen, was al haast in slaap. De lamp werd

laaggedraaid, moeder Lie ging op een veldbed liggen en de baker kwam

stil-sussend in de schemering, naast de wieg zitten. De stemmen werden

fluisterend.

"Kan ik niets veur ou doen, meniere?" Wil** ik kàffee moaken?" vroeg de

meid stil aan meneer Vitàl.

Meneer Vitàl keek ondervragend naar den dokter.

"Voyons un peu quelle heure," mompelde deze zijn horloge

uithalend.--"Trois heures et demie, non, c'est trop tôt. Es er messchien

nog 'n glas van die champagne?"

"Natuurlijk, natuurlijk, zeu veel of da ge wilt," fluisterde meneer

Vitàl. "Venez en bas dans mon bureau, nous pendrons** encore une

bouteille en fumant un cigare."

Schoorvoetend verlieten zij de kamer en gingen naar beneden.

* * * * *

't Bolleken · 第 26 / 36 题