Zij werden dik, alle twee, en hun gezicht kreeg een roode, soms vurige
kleur. Zijn kleeren begonnen hem om 't lijf te spannen, en toen zij, met
haar voorjaars-uitzet bezig, de japonnen die ze te Parijs gekocht had,
nog eens wilde aantrekken om te zien wat er nog van gebruikt of aan
vermaakt kon worden, stelde ze met verbazing vast dat zij er niet meer
in geraakte. De corsages stonden een hand-breed open voor de
zwaargeworden borst, de japonnen trokken spannend om de ronde heupen, de
mouwen van de mantels sloten als pijpen om de wijd-van-'t lijf-staande
armen, Vroeger zou meneer Vitàl om die boersche lompheid getreurd
hebben; nu zag hij er alleen het bloeiend-malsche van haar weelderige
gezondheid in. En zij stonden om elkaar te lachen: hij in zijn trekkende
broekspijpen, met open ceintuurband en losgeknoopt vest; zij met haar
door 't spannend goed als 't ware omgoten bochel-heupen en haar tusschen
de corsage uitpuilende borst. Hij kittelde haar op het plekje waar hij
iets van 't malsche roze vleesch onder het hemd zag en 't eindigde met
wild gezoen en hartstochtelijk genieten van hun fyziek-overtollige
gezondheid.
"Doar 'n es niets aan te doen," lachte zij. "'k Zal Emelie, de
noaisterigge**, doen komen en heur de moate loate nemen veur 'n nieuw
klied en da 'k lijk gij woare 'k zoe noar Arjoans goan en mij euk ne
nieuwen tenue bestellen."
Emilie en Arjaan! De boerinne-modiste en de boeren-kleermaker! Wat zou
hij verontwaardigd zijn geweest had ze daar vroeger ook maar even van
gewaagd! Nu vond hij de idee zoo kwaad niet. Het was wel gemakkelijk je
kleermaker zoo bij de hand te hebben en niet telkens naar stad te moeten
loopen. En zij liet Emilie komen en hij ging eens kijken bij Arjaan wat
hij wel had van stoffen en naar welk model hij werken kon.
* * * * *
Tegen het einde van den volgenden zomer werd zij zwanger. Dat was een
blijde tijding, maar toch eene die hun egoïstisch geluk wel spoedig zou
storen. Het prikkelde en verveelde hem gedurende een paar weken, maar
dan ging hij erover redeneeren en voelde zich eindelijk heel trotsch dat
hij zou vader worden.
Dokter Van der Muijt werd tijdig op de hoogte van den toestand gebracht
en verzocht de bevalling te willen waarnemen. 't Liep als op rolletjes
af. 's Avonds vóór de gebeurtenis voelde zij nog al scherpe weeën, maar
vóor den ochtend was 't er al: een mollig, flink meisje. Meneer Vitàl
woonde de bevalling niet bij. Hij kon er toch niets nuttigs bij
verrichten en vond die dingen afschuwelijk. Den heelen nacht hield hij
dokter Van der Muijt beneden gezelschap, onder het drinken van bourgogne
en 't rooken van sigaren, terwijl moeder Lie en de baker bij Eleken de
wacht hielden. Maar tegen half drie kwam de baker met ernstig gezicht
den dokter naar boven wenken; en kort daarop hoorde meneer Vitàl een
rauw gebrul, dat hem met een angstkreet op deed springen, door het huis
weergalmen; en 't oogenblik daarna stond hij ook boven in de kamer,
zonder dat hij 't zich bewust was, overvloedig schreiend, en keek hij,
om de beurt, als een verbauwereerde, naar zijn bleeke vrouw in 't bed en
naar het prachtkind, dat de baker hem, gelukwenschend, op haar armen
voorhield. De dokter lachte hem vierkant uit om zijn snikken en zijn
huilen en verzocht hem maar liever weer weg te gaan, terwijl hij verder
zijn vrouw zou behandelen. Moeder Lie liep zwijgend en beteuterd heen en
weer, dingen zoekend die zij niet scheen te kunnen vinden, de keukenmeid
was opgestaan en kwam ook even, te nauwernood half aangekleed, kijken;
en beneden in de gang stond Louitje roerloos-luisterend te wachten, of
men hem soms voor 't een of 't ander noodig had.
Meneer Vitàl, óvertrotsch van geluk, hield op met schreien, verliet de
kamer en ging weer beneden. Maar plotseling, toen hij bijna in de gang
was, keerde hij zich om en stoof onstuimig weer de trappen op. In al
zijn ontzetting had hij nu vergeten wat het eigenlijk was: 'n jongen of
'n meisje; en verwilderd stak hij 't hoofd naar binnen, stotterend:
"Docteur,.... wa.... wa es 't nou eigenlijk: ne jongen of 'n meisken?"
"Hein?" riep de dokter, zich met verbaasd gezicht omkeerend bij het bed,
waar hij over Eleken gebogen was. En eensklaps barstte hij in een
onbedaarlijken schaterlach uit.
"'t Es 'n dochter, 'n firme dochter, meniere," zei de baker, insgelijks
schokkend van het lachen. Ook de keukenmeid kon zich niet inhouden en
zelfs Eleken begon even te giegelen, zoodat de dokter haar dringend stil
deed houden. Moeder Lie, plotseling roerloos midden haar beteuterd
zoeken, keek meneer Vitàl stom en strak-starend aan en haar gezicht
vertrok in vreemde plooien, onder een stil-argeloozen, langzaam
ontluikenden glimlach van verbluftheid, die haar tandeloozen mond scheef
openrekte en haar zwarte oogen even leuk deed glinsteren.
Meneer Vitàl was al weer weg.--'n Jongen of 'n meisje, 't kwam er niet
op aan, 't was alles goed; maar op zoo'n gelukkige gebeurtenis moest nog
eens lekker gedronken warden en hij ging met Louitje naar den kelder en
haalde twee flesschen van zijn fijnste champagne boven. De dokter,
moeder Lie, de baker, de meid, 't chauffeurtje, allen werden
getrakteerd. Meneer Vitàl kwam zelf met het volgeladen presenteerblad in
de kamer en bood de glazen aan. Zij dronken op de gezondheid van het
kind en wenschten nog eens allen meneer Vitàl en Eleken proficiat.
"Mag ik euk nie 'n zeupken hén, docteur; 'k hè toch zuk nen dust?" vroeg
Eleken met weeke stem.
"O, nie g' zulle, nie g' zulle!' zei de dokter ernstig, op vastberaden
toon.
"O, en ik die toch zeu geirne sampoande** drijnke!" klaagde zij.
De baker begon te vertellen van een vrouw waar zij herhaaldelijk
gebakerd had, en die telkens, onmiddellijk na iedere bevalling, twee
glazen "sampoande" dronk en er zich uitstekend bij bevond. Ook moeder
Lie ging onduidelijk aan 't verhalen van een vrouw die telkens
brandewijn wilde, maar de dokter deed beide zwijgen en stuurde hen met
een wrevelig gebaar naar het kind, dat zwak begon te kreunen.
Heel zacht, als met een soort van vrees of tegenzin, ging meneer Vitàl
er nu eindelijk ook naar kijken. Hij zag de kleine, krieuwelende
handjes, de dichte oogjes, de rusteloos heen en weer bewegende lipjes
van 't gesloten mondje. Heel het klein gezichtje zag eenkleurig rood,
als 't ware gekookt, en 't leek hem iets akeligs, bijna gedrochtelijke,
hij begreep niet hoe daar ooit een mensch uit moest groeien.
"'t Dijnke mij** da meniere schouw of vies es van zijn dochter, e-woar?"
grinnikte de baker, met een spotblik naar meneer Vitàls verbauwereerd
gezicht opkijkend. En lichtjes door de champagne opgewonden begon ze
schril te lachen.
De dokter was met Eleken klaar.
"Et maintenant du repos, du sommeil," zei hij, zich tot meneer Vitàl
omkeerend. "Houdt ou nou scheune stille, mamaatje," glimlachte hij
Eleken toe, "en sloap wel. 'k Zal al vroeg in den uchtijnk** nog ne kier
kome kijken."
Eleken, met gesloten oogen, was al haast in slaap. De lamp werd
laaggedraaid, moeder Lie ging op een veldbed liggen en de baker kwam
stil-sussend in de schemering, naast de wieg zitten. De stemmen werden
fluisterend.
"Kan ik niets veur ou doen, meniere?" Wil** ik kàffee moaken?" vroeg de
meid stil aan meneer Vitàl.
Meneer Vitàl keek ondervragend naar den dokter.
"Voyons un peu quelle heure," mompelde deze zijn horloge
uithalend.--"Trois heures et demie, non, c'est trop tôt. Es er messchien
nog 'n glas van die champagne?"
"Natuurlijk, natuurlijk, zeu veel of da ge wilt," fluisterde meneer
Vitàl. "Venez en bas dans mon bureau, nous pendrons** encore une
bouteille en fumant un cigare."
Schoorvoetend verlieten zij de kamer en gingen naar beneden.
* * * * *