XVI.

Nu waren zij op het "Kasteelken" geïnstalleerd...

In alle stilte, zonder iemand anders dan Elekens ouders en hun bediening

te waarschuwen, kwamen zij er op een avond laat aan.

Hij bracht haar in dat huis, waar zij nog maar eenmaal, 's ochtends van

hun huwelijk, was geweest; hij wees haar aan 't souper de plaats die zij

voortaan elken dag zou innemen, vlak tegenover hem, onder 't portret van

Nonkelken; en voor 't naar bed gaan leidde hij haar even rond, in al de

kamers.

"O, da es hier amoal greut en scheune!" riep ze verrukt. Maar haar

grootste bewondering was voor de keuken, de prachtige, ruime keuken van

het lekkerbekkerig Nolkelken, met al de glimmende tinnen en koperen

vaten, waarin gedurende zoo menigvuldige jaren, door het bekwame Mietje,

zooveel heerlijke schotels waren klaar-gemaakt. Nu waren daar nog alleen

de noodhulp en 't chauffeurtje; maar de noodhulp moest nu ook weldra

vertrekken en in haar plaats zou Eleken al spoedig een andere, vaste

meid nemen--zij had er al een in 't zicht die zij sinds jaren kende met

wie zij alles naar haar eigen zin zou schikken en beredderen.

Ook boven bleef zij in langdurige verrukking voor de mooie oude kasten,

vol met het fijnste linnen- en tafelgoed. Wat zou ze dat alles ook

keurig onderhouden en in orde brengen! Dagen, weken van gezellige,

huishoudelijke bezigheid zag ze reeds in het verschiet; maar voor een

klein vertrekje tusschen hun slaapkamer en een andere logeerkamer stond

zij even in onthutste aarzeling, niet begrijpend:

"Wa es dàtte?" keek zij hem verwonderd aan.

"De badkoamer en 't vertrek, heul geriefelijk, vlak noast ònze koamer,"

glimlachte hij.--Hij trok een gordijn weg en liet haar het bad, en, in een

hoekje, de verdere gelegenheid zien.

"Ha moar Hiere toch!" riep ze verbaasd. "En moe ne meinsch doarin?"

"Natuurlijk; ge wilt toch nou en dan 'n bad nemen."

"Noakt? Heul-de-gansch noakt?"

"Hoe anders? Toch niet mee ouën hoed en ou lizzen** aan!"

Om het idee van dien hoed en die laarzen moest ze wel lachen; moar ze

vond de heele gelegenheid toch griezelig en dacht niet dat zij er ooit

gebruik van zou maken.

Hij drong niet aan. "Later, later," glimlachte hij in zichzelf.

Vroeg in den volgenden ochtend ging hij met haar rond den tuin. De door

den herfst reeds uitgedunde loovers waren geel en rood en bruin geworden

gedurende zijn afwezigheid, het beekje stroomde snel en bruisend, de

bloemperken waren aan 't sterven en de grasvelden lagen dicht bezaaid

met dorre bladeren.

"Ne scheune, greuten hof," zei ze. "Moar woar es de groenselhof?"

Hij duwde een hekje open in een heg en zij traden in den moestuin.

"O!" riep ze verrukt. "Al da scheun groensel! Wat doe-je gij mee al da

groensel?"

"Opeten," lachte hij. "Opeten! Ge 'n keun gij da nie amoal opeten! Nog

't tienste poart zelfs niet. Wat doe-je mee den overschot?"

"'K 'n weet ik niet; 'k 'n ken ik da niet. Isedoor, den hovenier, neemt

da zeker mee noar huis, veur zijn giet en zijn konijnen," veronderstelde

hij.

"Woarom 'n houdt-e zelf gien giet en gien k'nijnen?" zei ze, haast

verwijtend.

"Kónijnen," verbeterde hij haar; want ze kreeg alweer neiging om

plat-boersch te spreken.

"Konìjnen," verbeterde zij hem op haar beurt, lachend, zooals ze met

"Parìjs" gedaan had.

Hij lachte ook, trok haar tegen zich aan, gaf haar een zoen.

"Hawèl, woarom 'n hóúdt-e gien giet en gien konijnen?" drong zij aan.

Dat wist hij waarachtig niet, hij haalde zijn schouders op.

"Wacht moar; 'k zal ik hier wel biesten houen," voorspelde zij. "Loat

mij ne kier ou kotterijen zien."

Hij leidde haar, achter het huis om, naar de bijgebouwen: de remise, de

stal, het waschhuis.

"O!" riep ze, "g'hèt ploatse genoeg om virkens en koeien t' houen!"

"Zij-je meschien van plan om hier te beginnen boeren?" schertste hij.

"Nien ik, moar 'k zoe toch gieren ienige biesten houen. Kijk ne kier, al

die scheune plaats en niets doarin, zelfs geen kiekens. Mag ik aan

voader vroagen dat hij mij wa kiekens en k'nij.... en konijnen keupt?"

glimlachte ze, zoet fleemend.

"Joa g'," beloofde hij, ,joa g', joa g'." En in 't halfduister der

remise nam hij haar weer in zijn armen en drukte haar,

hartstochtelijk-zoenend, tegen zich aan.

"En morgen," zei hij, "morgen, of te langsten overmorgen, beginnen we

Fransch te leeren...."

* * * * *

't Bolleken · 第 23 / 36 题