XVII.

Hij was met zijn auto naar stad gereden en had de noodige leerboekjes

meegebracht.--Zij zaten in zijn werkkamer en hij leerde haar Fransch.

Maar 't ging nog al verward, niet makkelijk, eigenlijk veel véél

moeielijker dan hij wel gedacht had. Hij kende de methode niet en

voelde, instinctmatig, dat hij nutteloos expliceerde, dat het anders en

eenvoudiger kon. Het vermoeide haar, en ook hem, en zij schoten niet op.

Voortdurend werd zij trouwens afgeleid, nu eens met gespannen aandacht

luisterend naar gerinkel van kastrollen** in de keuken; dan weer

tersluiks door 't venster kijkend, naar de kippen en konijnen, die,

's ochtends door vader gebracht, in een met rasterwerk afgesloten ruimte op

het grasveld liepen. Het was daar een rumoerig heen en weer gehuppel; de

beesten waren vreemd en gejaagd; af en toe ging er onder schril gekakel

een klapwiekend gefladder op en men zag de grijze ruggen der konijnen in

bliksemsnellen drom over het gras scheren; en onuitstaanbaar-schetterend

kraaide elk oogenblik de haan, als om opzettelijk nog meer de boel in de

war te brengen.

Meneer Vitàl lei er eindelijk den moed bij neer.

"Weet-e watte," zei hij; "we zillen 't anders doen. 'k Zal ou drei

doagen in de weeke fransche lesse loate geven van d' ouë

schoolmeestesse."

"C'est ça, dà zal beter zijn, die es da mier geweune!" riep Eleken, met

een zucht van verlichting opstaande. Zij sloeg haar armen om zijn hals,

gaf hem een vluggen zoen, liep naar de keuken en van daar naar buiten,

op 't grasveld, bij haar woelbende van kippen en konijnen.

"C'est une enfant," glimlachte meneer Vitàl, in zichzelf verteederd haar

door 't venster nastarend.

Hij keek op zijn horloge. Elf uur. Nu hij toch niets meer te doen had,

zou hij wel eens tot aan _d'Ope van Vrede_ of het _Huis van Commercie_

gaan. Hij was reeds vijf dagen van de reis terug en had nog niemand van

zijn vroegere kameraden gezien. Ze zouden 't hem wel kwalijk kunnen

nemen. Trouwens, 't was volop in den jachttijd; zij hadden weer hun

gezamentlijke tochten te regelen.

Hij klopte aan het venster. Eleken, reeds in druk gedoe bij

't rasterwerk met de noodhulp en 't chauffeurtje, keek haastig om.

"'k Goa ne kier uit!" riep hij. "'k Zal tegen ten halver ien weere thuis

zijn om te dineeren!"

"Goed, goed!" knikte zij, alweer volop in haar bedrijvigheid met de

kippen en konijnen.

Hij glimlachte, begrijpend dat zij hem nu ook liever kwijt was, zette

zijn hoed op en ging.

* * * * *

Het deed hem niets vreemd aan weer in zijn dorp en op de straat te zijn.

Alles was net eender gebleven zooals hij 't kende; het leek hem wel of

hij er nog geen dag was uit geweest. De menschen, die hij ontmoette,

groetten heel beleefd en vriendelijk; en alleen hier en daar een gezicht

achter half-weg-geschoven gordijntjes keek hem even met gretige

nieuwsgierigheid na. De opschudding, door zijn huwelijk te weeg

gebracht, was nu geluwd, het was een eenmaal aangenomen toestand, de

menschen waren er al aan gewend, zooals hij zelf reeds gansch gewend en

heel tevreden en gelukkig was in 't huwelijk met Eleken.--Ook in het

_Huis van Commercie_ en daarna in _'t Klein Congres_, in den _Dubbelen

Arend_ en in _d'Ope van Vrede_, die hij om de beurt bezocht, trof hem

het gewoon, natuurlijk en blij-vriendelijk onthaal van al die heeren.

Allen waren blijkbaar tevreden hem terug te zien, zij vroegen hem

ernstig, zonder een zweem van schimp, of het goed ging met "medàm" en of

hij een aangename "speelreis**" gemaakt had. En dadelijk daarop praatten

zij over de jacht en begonnen al vast de vele, gezamentlijke tochten te

bespreken, waarvoor zij op zijn terugkomst gewacht hadden.

Hun ongedwongen, ernstig-vriendelijk onthaal deed meneer Vitàl

echt-aangenaam aan. Want hij was wel even bang geweest voor een of

andere bedekte toespeling of schimpscheut, voor een of ander blijk van

geringschatting of minachten. Dat ze daar niet aan dachten en nog steeds

met hem omgingen als vroeger stemde hem dubbel vriendelijk en dankbaar,

terwijl het hem in eigen-achting ophield, en hij besloot hen voortaan

niet meer links te laten liggen maar integendeel trouwer dan vroeger hun

gezelschap te zoeken.

Vroolijk-gestemd en zelfs een ietsje warm van de borreltjes, kwam hij

tegen etenstijd thuis. Maar groot was zijn verbazing nog niet eens de

tafel in de eetkamer gedekt te vinden. Wat beteekende dàt nu! En

't heele huis was zoo stil en leeg alsof er geen mensch in leefde. Maar

langs achter daarentegen klonk verward rumoer; en toen hij door de

gangdeur in den tuin kwam, stond hij niet weinig onthutst hen daar nog

steeds met hun drieën: Eleken, de noodhulp en Louitje, midden in de heen

en weer hollende en vliegende kippen en konijnen te vinden. Eleken had

andere kleeren aangetrokken; zij liep nu in een slonsig werkpak, als een

meid, en haar gezicht was vuurrood van de inspanning, terwijl haar

half-losgevlogen haren in klamme, verwarde klissen en krullen op haar

zweet-bepareld voorhoofd plakten. Zij rende met de dikke meid midden in

't omrasterd veldje, telkens struikelend over de wild onder haar voeten

opstuivende konijnen; en één voor één, met groote moeite, pikten zij de

kippen op, die schril kakelend en schreeuwend door 't chauffeurtje

weggedragen werden.

"'t En goa niet!" hijgde zij, toen ze meneer Vitàl zag; "ze vechten; we

moên ze weere schiën en we 'n keunen die sloeber van dien hoane nie

krijgen!"

"Moar, Eleken, hoe es 't toch meugelijk," riep hij misnoegd. "'t Es

koart veur den ien en de toafel 'n es nog nie gedekt!"

"Och Hier, es 't al zèù loate!" schrikte zij. "Toe, Nathalie, leupt al

gauwe noar ou keuken en schept de soep uit; 'k zal ik te binst de toafel

dekken!"

"Wacht, medàm, 'k hè hem!" gilde de meid.

De haan was plotseling, meer dan manshoogte opgevlogen en zoo greep de

meid hem in de lucht bij een van zijn vleugels, terwijl het beest, als

dol, onder uitzinnig alarm-gekrijsch, met den anderen, vrij-gebleven

vleugel sloeg en klapperde.

"Kiiii! Kiiii! Kiiii! Kiiii!" ging het aanhoudend. Maar de meid liet

niet meer los; ze sloeg haar dikke, rooie handen om de beide vleugels,

sprong over 't rasterwerk en gooide den haan in de remise, bij de

andere, gevangen kippen. De konijnen zwierden nog eens in een laatste

wilde ronde om het nu schoongeveegde veldje; en zoodra hij bij zijn

kippen was staakte de haan het schreeuwen, maar klapwiekte

hartstochtelijk en kraaide oorverscheurend, twee, drie maal na elkaar,

als in woeste uitdaging.

"Toe nou, toe nou, toe nou," pruttelde meneer Vitàl ongeduldig en

geprikkeld.

Eleken holde naar binnen; en zonder den tijd te nemen zich te wasschen

of te kammen, begon zij hijgend de tafel te dekken. Borden, messen,

vorken, lepels, glazen, 't werd alles overhaastig en op goed geluk af

neergegooid; en met zweetstralend, opgeblazen, rood gezicht, bracht de

meid de dampende soepkom binnen.

"Gien servietten," bromde meneer Vitàl.

Eleken vloog op, haalde de servietten uit een la, nam plaats aan tafel.

"Goa wasch toch te minsten ou handen!" zei hij wanhopig.

Zij sprong weer op, naar de keuken toe, terwijl hij de soepborden vulde.

"Ge 'n meug nie kwaad zijn, 't zal nie mier gebeuren," fleemde zij, na

een oogenblik terugkomend. Zij had haar haren wat opgestreken, haar

handen frisch gewasschen, haar japon wat op orde gebracht en zij kwam

hem een zoen geven.

Daar was zijn kwaad humeur niet tegen bestand. Hij glimlachte, trok haar

op zijn knie en zoende haar terug.

"Nie mier doen, zille," knorde hij nog even. "Altijd alles op zijnen

tijd en surtout proper blijven."

Zij beloofde 't hem nog eens: 't zou niet meer gebeuren. 't Was de

schuld van dien haan, dat onhandelbaar beest. Die had alles in de war

gebracht, de konijnen in hun rug gepikt en zijn kippen dol gemaakt.

"Dien hoan es zot!" glimlachte hij. "Heurt hem weere kroaien, die

laweidmoaker!"

"Al d' hoans zijn zot; en tòch zien d' hinnen ulder geiren!" schaterde

zij. En zij kwam hem weer een zoen geven...

* * * * *

't Bolleken · 第 24 / 36 题