Zij maakten slechts een korte huwelijksreis. Eleken had het verlangen te
kennen gegeven Brussel en Parijs (P'rijs, zooals ze 't noemde) te zien;
en zij gingen eerst naar Brussel en van daar naar P'rijs.
Te Brussel voelde Eleken zich nog eenigszins thuis, maar te P'rijs was
ze volkomen van streek.
"Ziet da ge mij hier nie allien 'n loat stoan! 'k En zoe noei mijne wig
nie mier vinden!" riep ze telkens, in voortdurenden angst, op de hoeken
der straten, als een klit aan zijn arm hangend. Al dat lawaai en gewoel
overweldigde haar en gaf haar hoofdpijn. Het vermoeide haar buitenmate
en zij klaagde ook over pijn aan haar voeten, die zwollen van steeds in
die spannende schoenen over de harde steenen te loopen.
Hij trachtte haar een beetje op te voeden, haar eenig gemak van beweging
en manieren te leeren.
"Houdt ou rechte!" zei hij elk oogenblik. "Ge leup weeromme gebogen.
Woarom doe-je datte! Thuis hield g' ou altijd zeu goed."
"'t Es die corsé," klaagde zij; "'k en ben doar nie aan geweune."
"Kijk rond ou," zei hij. "Al die damen droagen toch corsets; en zie ne
kier hoe rechte da z' ulder houên."
En zij keek om zich heen, maar met oogen van bijna angstige
verbauwereerdheid. Zij zag die dames loopen, kaarsrecht, ruischend van
zijde, met vlugge, flinke, klinkende passen over het effen asfalt. De
oogen keken brutaal, de gezichten en de haren waren gepoeierd en
geverfd; en enorme hoeden, met wapperende voiletten van de schelste
kleuren, stonden als gek-overdreven tooisels op haar hoofd.
"Ge 'n zoedt toch zeker nie willen da 'k er azèù uitzie!" riep ze,
verontwaardigd.
Neen; dat wou hij zeker niet. Maar toch: 't gemak van bewegen, dàt wou
hij wèl. "Recht-houden, korte, vluggere passen, armen niet slap langs
het lijf laten hangen," herhaalde hij telkens. En hij bracht haar in
groote magazijnen, waar hij haar nieuwe kleeren, mantels, hoeden,
handschoenen, laarzen liet koopen. Ook het ondergoed moest heelemaal
vernieuwd. "Alles veel lichter, dunner, fijner," zei hij.
Aan table d'hôte durfde hij met haar nog niet komen. Zij gebruikten hun
maaltijden aan aparte tafeltjes in restaurants of, half uitgekleed, in
sensueel-verliefde intimiteit op hun kamer, waar hij haar léérde eten.
"Niet slurpen!" zei hij bij de soep. Bij 't vleesch moest ze mes en vork
juist anders houden dan ze deed; en "nie smekken! en ou recht houên! ou
recht houên!" herhaalde hij voortdurend weer.
Toch was hij niet ontevreden over haar vorderingen en ook zij voelde
zich weldra, na de eerste, vervelende lessen, prettiger gestemd en
gansch bereid haar verfijnings-opvoeding te voltooien. Zij kreeg, vooral
toen zij haar nieuwe japon--een heel aardig en sober,
donkergroenen-blauw geruit écossais van goed snit--en haar nieuwen hoed
had, een zekere, oppervlakkige élégance, waarbij haar frisch-gezonde
kleur en haar mooie oogen zeer voordeelig uitkwamen. Een paar keer werd
zij, niet zonder eenige bewondering, door vreemden opgemerkt en daarbij
voelde zich meneer Vitàl heel trotsch. Nog wat geduld maar. Met zulk een
frisch-bekoorlijke schoonheid als de hare kon ze, door beschaving en
verfijning, verre de meeste overtreffen. Een zoete wraak zou 't voor hem
zijn, indien hij daarin slagen kon. Zij begon het verblijf in Parijs
heerlijk te vinden en sprak niet meer, als in de eerste dagen, van maar
zoo gauw mogelijk naar het dorp terug te keeren: wel integendeel.
"Zoe-je geleuven da 'k het al firm geweune ben in P'rijs!" zei ze hem
eens.
"Párijs," verbeterde hij kalm.
"Párijs," herhaalde ze gedwee. Maar eensklaps ondeugend-glimlachend:
"Parìjs!" verbeterde zij hem op haar beurt en zei het ook in
't Fransch:
"Paris."
"A la bonne heure!" juichte hij.
"Wie wie, ze veu aussi de nouveau apprendre le francé!" lachte zij
overmoedig.
Maar dàt hield hij vooreerst nog tegen. Later, eenmaal thuis, zou hij
zich wel met haar bemoeien, haar fransche les geven. Nu was 't maar
beter dat ze nog hun vlaamsch spraken. Een vreemde taal, dat stond ook
wel goed in Parijs.
Om haar verder te ontwikkelen bracht hij haar in de musea. Zij
bewonderde zeer de militaire portretten en tafereelen, maar voor de
naakte beelden en vooral de naakte schilderijen ergerde zij zich
schromelijk, werd boos bijna.
"'k En weet toch nie hoe da ze nie beschoamd 'n zijn!" wendde zij zich
verontwaardigd, met hoog-kleurende wangen af.
Hij drong niet aan.--Later, later, dacht hij; en nam haar mede naar de
schouwburgen.
De comedies verveelden haar. Zij begreep er ook haast niets van en zat
star en stijf, terwijl de anderen lachten of schreiden. Maar in de
opera, bij de indrukwekkende muziek en de prachtige décors was ze
ontroerd, overweldigd. Doch dan schaamde zij zich ook weer voor de veel
te kort gerokte danseuses met haar vleesch-kleurige tricots; en eens, in
een café-concert, werd ze werkelijk boos voor het te laag decolleté van
een paar zangeressen en wilde absoluut vóór 't einde weg.
"Later, later, glimlachte hij in zichzelf. En hartstochtelijker
verliefd dan ooit keerde hij met haar terug naar het hôtel, waar hij wel
wist dat alles goed en heerlijk wezen zou.
* * * * *