Hij ging met zijn natuurkind trouwen....!
Er was niets meer aan te doen; hij wilde haar, hij moest en zou haar
hebben; en toen ze zich beslist niet anders dan in 't huwelijk geven
wou, vond hij daar eensklaps iets reins in, iets eerlijks en verhevens,
dat het fond van zijn eenigszins romantisch aangelegde natuur ontroerde
en boeide.
Opeens was zijn besluit genomen. Zij hadden weer gekibbeld, altijd over
dezelfde kwestie; voor de zooveelste maal had ze 't hem herhaald: "als
ge mij hebben wilt trouwt dan met mij," en plotseling, vòòr hij zich als
't ware rekenschap kon geven van de portée** zijner woorden, uitdagend,
geprikkeld en gesard, had hij 't in een instinctieve opwelling, met
starre oogen van onwrikbare vastberadenheid, uitgeroepen:
"Hawèl, 'k zâl mee ou treiwen?"
Daarop was een groote, haast bang-benauwde stilte gevolgd. Stom van
verbaasd-ongeloof staarde Eleken hem aan.
"Geleuft-e mij niet?" vroeg hij met schitterenden blik. Hij was
doodsbleek en zijn lippen beefden. Zij werd bijna bang voor hem.
"As ge 't woarlijk mient," aarzelde zij.
Vader Peutrus kwam binnen. Hij merkte hun benauwde ontroering en keek
verlegen op.
"Mag.... mag ik het hem zeggen?" stamelde Eleken.
"Natuurlijk, ge moet wel," antwoordde meneer Vitàl kort, beslist,
vastberaden.
"Voader," zei Eleken met inspanning, zich tot den ouden man wendend,
"menier Vitàl klapt van mee mij te treiwen."
Wijd gingen de bolle blauwe oogen van vader Peutrus open.
"Wa.... wa zegt-e doàr?" stotterde hij.
Starend keek meneer Vitàl hem aan en in de wilde verbauwereerdheid van
den lummel las hij als 't ware de bevestiging van zijn vrijwillige
maatschappelijke vernedering. Het was even iets onuitstaanbaar scherps
en vlijmends, dat ook plotseling weer de smart, hem door de weigering
van mademoiselle de Saint-Valéry veroorzaakt, vinnig deed herleven; maar
hij keek naar het nu zoo diepzalig ontroerde, mooie, blozende Eleken en
voelde onstuimig in zich trillen het groot, vurig verlangen van al zijn
steeds gedwarsboomde hartstochten. Het nevelde en gloeide rood vóór zijn
oogen, net als op dien schrikkelijken middag, toen hij Irma in 't hotel
op heeterdaad betrapt had; 't was of nu ook een vijand háár van hem zou
kunnen wegvoeren; maar dàt zou nooit gebeuren; hij nu, hij alleen was
ditmaal heer en meester over haar jeugd en haar schoonheid; en hij
bekrachtigde haar mededeeling met een forschen nadruk, de wenkbrauwen
gefronst en de woorden beslist:
"'t Es lijk of ze zegt, boas Peutrus: 'k wil en 'k zal mee heur
treiwen!"
Baas Peutrus kon dat zoo maar niet opeens in zich verwerken. 't Was hem
te kras, te overweldigend machtig. Bevend liep hij naar buiten om moeder
Lie te roepen, terwijl Eleken, door haar emotie gebroken, in onstelpbare
tranen van geluk uitbarstte.
* * * * *
In 't dorp was 't een weergalooze opschudding. De menschen liepen er als
't ware dol van. Het nieuws breidde zich met ongeloofelijke snelheid
uit, het vloog door de straten, het galmde in de huizen, het drong
onmiddellijk tot in 't kasteelken, waar Mietje en Netje het door het
chauffeurtje vernamen.
Zij wisten allen sinds lang dat meneer Vitàl heel veel,--veel te veel,
helaas! zei 't oude Mietje,--in de _Groene Linde_ zat; maar Mietje had
in den tijd van Nonkelken nog heel wat krassere toeren bijgewoond en zij
haalde er maar zuchtend de schouders bij op, klagend dat al het mansvolk
precies gelijk was en denkend dat het wel, gelijk destijds met
Nonkelken, bij meneer Vitàl van zelf zou luwen, als het eens ten hoogste
was gekomen. Ook trilde zij van verontwaardiging toen het chauffeurtje
met zijn ongeloofelijk nieuws kwam aanzetten. Dat was niet waar, dat
waren leugens, dat was onmogelijk, beweerde zij nijdig; en zij dreigde
het chauffeurtje met het ergste indien hij zoo iets durfde voort
vertellen. Maar zij ging even in een winkeltje en hoorde daar ook
dadelijk die schandalige geruchten over een familie die zij sinds
zóólang diende, dat zij er solidair en als 't ware eigen mee geworden
was; en haar ontzetting was zóó hevig, dat zij onmiddellijk besloot haar
meester er over te spreken, zoodra als hij terug zou komen.
Zij hoefde 't niet eens te vragen. Hij zelf kwam dadelijk naar haar toe
en zei, met ernstig gezicht:
"Mietje, 'k moe ou wa zeggen. 'k Ben van zin om te treiwen en 'k
hope...."
Zij liet hem den tijd niet uit te spreken. Zonder er meer van te hooren
viel zij hem met ontsteld gezicht en opgeslagen armen in de rede:
"Ha moar menier Vitàl toch! Ha moar ge 'n zilt dà toch niet doen! Ha
moar Hiere Godheid menier Vitàl!" Zij kòn niet verder, zij barstte
plotseling in snikken uit en sloeg met beide handen haar schort voor
't gezicht.
"Wa es dà nou, Mietje?" zei hij streng.
"Ha moar menier Vitàl toch! Ha moar menier Vitàl toch! Mee azeu iene!
Mee azeu iene!" snikte zij onbedaarlijk.
Verbaasd keek hij haar aan. Zij wist dus reeds! Maar zijn wenkbrauwen
trokken zich boos samen en zonder verdere uitleggingen:
"Mietje," zei hij, zoo kalm mogelijk, "dat 'n es gien reden om
doarveuren te schriemen en 'k hope wel da ge bij mij zil willen
blijven...."
Wanhopig en hartstochtelijk schudde zij het hoofd:
"O nie, menier, o, nie nie, bij azeu iene! Veur gien geld van de
weireld!"
"Mietje, ge 'n kent ze niet!" riep hij bits; "en 'k verzoek ou in alle
geval van d'r noch goed noch kwoad van te zeggen!"
Nog wanhopiger viel Mietje aan 't schreien. En voor het eerst in haar
leven was ze tegenover haar meester ongehoorzaam. 't Was haar te
machtig, zij kòn niet zwijgen.
"Doe lijk Nonkelken!" snikte zij; "stel ze kontent mee geld as er ne
kleinen moe komen! Moar 'n treiwt er toch nie mee, 'n doet de noame van
ou scheune famielde toch die oniere nie aan!"
"Zwijg, Mietje!" gebood hij ruw, boos. En hij keerde zich om, terwijl de
oude meid, steeds snikkend, met het hoofd in haar schort naar de keuken
terugstrompelde.
* * * * *
Eenige dagen verliepen. Een zware droefheid drukte op 't kasteelken. Ook
Netje had stil haar dienst opgezeid; en zwijgend, met rood-geweende
oogen en neerslachtige gezichten, bedienden beiden nu haar meester.
Meneer Vitàl was zenuwachtig opgewonden en gejaagd. Hij ging niet meer
uit, behalve naar de _Groene Linde_, waar hij met koortsachtige haast de
laatste toebereidselen bespoedigde. Zoo gauw als het kon moest het nu
maar gebeuren; de geboden in de kerk en de huwelijksbelofte op
't gemeentehuis waren reeds afgekondigd; en Eleken werd haast geen tijd
gegund om voor een behoorlijk uitzet te zorgen. Dat alles zou later wel
komen: hoofdzaak was nu dat ze getrouwd waren, om uit den strijd en den
twijfel te zijn, om voor 't onoverkomelijke van 't volbrachte feit te
staan. Hij wilde niet langer folterend tobben en denken, niet langer
aarzelen noch talmen. Hij sloot zijn oogen voor de werkelijkheid en
schudde de kwellende gedachten uit zijn hoofd. Het moest er nu door, zoo
spoedig mogelijk, om eindelijk rust en vrede te hebben.
De menschen in het dorp twijfelden nog tot het laatst, konden, wilden er
niet aan gelooven. Allen dachten, evenals Mietje, dat meneer Vitàl zich
te ver gewaagd had met Eleken en dat hij toch ten slotte, zooals
Nonkelken herhaaldelijk gedaan had, met geld weer alles goed zou maken.
Maar de tijd verliep, 't gezegeld papiertje der huwelijksaankondiging
blééf hangen in 't gerasterd kastje. buiten aan 't gemeentehuis en de
groote dag brak eindelijk aan.
Van in den vroegen, stillen, glanzenden September-ochtend bulderden al
in de verte de kanonnen, Meneer Vitàl had alles zoo kalm mogelijk
gewenscht en daarom zou de huwelijks-plechtigheid ook zoo vroeg mogelijk
geschieden; maar hij kon toch niet beletten dat de buurt, ginds aan de
_Groene Linde_, luidruchtig feestvierde. Vader Peutrus, althans, zou
geducht moeten trakteeren.
Even vóór acht uur kwam vlug, een dicht rijtuig het erf van
't kasteelken opgereden. Daarin zaten vader Peutrus, moeder Lie en Eleken.
't Chauffeurtje liet hen binnen. Den vorigen avond waren Mietje en Netje
schreiend met pak en zak vertrokken en een noodhulp was in huis.
Stralend zag Eleken er uit, geheel in zwarte zij gekleed, met
wit-en-zwarten hoed en witte leeren handschoenen. Het stond haar niet en
zij hield zich te stijf. Zij zag er veel aardiger uit in haar
dagelijksch japonnetje; maar mooi was ze ondanks de hinderende, stijve
kleeren, stralend-mooi van blozende gezondheid, en meneer Vitàl zoende
hartstochtelijk haar frisschen, rooden mond. Ook vader Peutrus en moeder
Lie waren heel in 't zwart gekleed: vader Peutrus met dikronden rug in
zijn spannende jas en met hangende armen; moeder Lie strak van
verbauwereerdheid, met gapenden mond en donkere, bijna angstig om zich
heen loerende oogen, als een beest dat in een vreemde kooi zit. Zij
gebruikten een haastig ontbijt en stegen met meneer Vitàl in den
landauwer, die hen tusschen een dubbele rij van gapende nieuwsgierigen
naar het gemeentehuis bracht.
Meneer Vitàl was hoogst zenuwachtig en had maar één groote, obsedeerende
vrees: dat het barontje, als burgemeester, de huwelijksplechtigheid zou
voltrekken. Dat zou voor hem de ergste vernedering wezen. Hij zag al in
verbeelding de fijn-sarkastische silhouet van 't oud nobiljontje** en
hoorde hem minachtend, met bedekte spotternij, in zijn gebrekkig
Vlaamsch de sacramenteele vraag stellen:
Meneer** Vitàl Dubois, verklaart kij voor wettig huisvrouw te neem,
mademoiselle Elodie Peeters?" Doch neen; gelukkig was hij er niet. Toen
meneer Vita] met Eleken en haar ouders in de secretarie, waar het
huwelijk zou voltrokken worden, binnentrad, zag hij terstond, achter den
grooten, zwarten lessenaar, meneer Waelckens, den eersten schepen, die
als burgemeester zou fungeeren. Hij verademde. Zijn twee getuigen: de
ontvanger De Reu en de jonge Taghon, stonden daar al te wachten; en uit
de herbergkamer tegenover de deur der secretarie kwamen ook Elekens
getuigen: twee aanzienlijke boeren uit haar gehucht, te voorschijn.
De secretaris begon de voorlezing der acte. Alles ging hoogst deftig en
ernstig. Niemand glimlachte, niemand verroerde zich. Meneer Vitàl, zeer
bleek, hield strak zijn wenkbrauwen gefronst, starend naar den grond
kijkend, terwijl Eleken, naast hem, als een bloem zat te blozen. Buiten
in de straat gonsde dof rumoer, met af en toe gestamp van paardenhoeven
op de straatkeien. Twee jongenskoppen verschenen plotseling achter de
vensterramen, waar zij tegen opgeklauterd waren, maar een dreigend
gebaar van den veldwachter, die naast den secretaris stond, deed ze
spoedig weer verdwijnen.
De secretaris onderbrak even zijn eentonige voorlezing, meneer Waelckens
stelde de geijkte vragen, ouders en trouwers zeiden het verwachte "ja" en
heel gewoon, als een alledaagsch gezegde, klonken de woorden die hen
voor altijd aan elkaar verbonden:
"In name der Wet verklaar ik u door 't huwelijk vereenigd."
Ernstig, gewichtig, werden met stille, matte stemmen, bescheiden
gelukwenschen geuit. Moeder Lie pinkte eventjes een traan weg; meneer
Waelckens keek aarzelend naar meneer Vitàl en daar deze een beweging
maakte stak hij hem feliciteerend de hand toe en drukte daarna ook de
hand van Eleken en van haar ouders. Daarop kwamen ook de vier getuigen,
de secretaris en de veldwachter, handendrukken. De secretaris las het
einde van de acte voor en toen kwam uit de herbergkamer een dienstmeisje
in een witte schort, met een presenteerblad waarop een ontkurkte
portflesch stond, omringd van een aantal volgeschonken glazen. Allen
bedienden zich, klonken in stilte aan, en dronken. Meneer Vitàl, Eleken,
haar ouders en de getuigen namen om de beurt de pen en teekenden de
acte, moeder Lie en vader Peutrus langzaam en met groote inspanning.
Alles bleef hoogst ernstig en deftig. Geen lachje, geen enkel der
gewone, schouwe grapjes werd gewaagd.
Toen zei meneer Vitàl eenige woorden van dank en met Eleken aan den arm
verliet hij statig de secretarie en daalde de treden van de stoep af
naar het rijtuig. Als in een bont-verwarde wemeling zag hij de
ontelbare, nieuwsgierige gezichten van de op elkaar gedrongen menigte.
De oogen glommen van onverholen verbazing en graagte, de monden hingen
gapend open en de gestalten stonden roerloos-stijf gespannen, als
versteend.
Haastig stapte hij met Eleken binnen, gevolgd door vader Peutrus en door
moeder Lie. De koetsier zweepte zijn paarden, en door de volle straat,
waar voor ieder deurgat weer diezelfde, als versteend gapende en
starende nieuwsgierigen stonden, reden zij naar de kerk. Wild-gillend
holde plotseling een heele bende jongens naast de wielen mee. Heel in de
verte, op het gehucht der _Groene Linde_, bomden dof de feestkanonnen.
* * * * *