Die heeren wisten 't nu. Al lang hadden ze 't zien aankomen, doch nu
leed het geen twijfel meer: meneer Vitàl was doodelijk verliefd op het
schoon Eleken uit de _Groene Linde_.
Zij zaten in _d'Ope van Vrede_ en spraken er over, zonder eind.
"Hoe es 't toch meugelijk, veur azeu ne rijke jongen en mee zuk
'n educoassie!" zei de oude heer Taghon.
Dokter Van der Muijt schudde bedenkelijk het hoofd.
"'t Es spijtig, 't es spijtig," jammerde hij. "Il aurait du épouser
mademoiselle de Saint-Valéry."
"Bah, bah, goesting es keup** en geld en goed 'n moet toch nie gewegen
worden!" meende de jonge Taghon, die in den grond heel trotsch was omdat
meneer Vital door zijn toedoen met Eleken in kennis was gekomen.
"As er hij maar nie mee 'n treiwt!" vreesde meneer De Reu.
Doch daar waren die heeren minder bang voor.
't Was enkel tijd-passeering, hij deed eenvoudig zooals Nonkelken zijn
leven lang gedaan had: de knappe herbergmeisjes naloopen. Van Eleken zou
hij wel naar een ander gaan, en dan weer naar een ander, en dan nog en
zoo voort, precies gelijk Nonkelken enfin. Maar hij begon wel wat veel
te drinken, meende dokter Van der Muijt, en altijd, áltijd dien jenever!
In zooverre mocht hij wel oppassen dat hij Nonkelken niet ál te trouw
navolgde.
De jonge Taghon deed een verhaal. Een dag of wat geleden was hij in _De
Groene Linde_ geweest en had er natuurlijk, zooals altijd nu, meneer
Vitàl gevonden. En voor het eerst sinds al den tijd dat hij meneer Vitàl
kende, had hij hem dronken gezien, dronken, stomdronken! Er was zeker
ruzie geweest, want Eleken stond met tranen in haar oogen achter de
schenktafel en meneer Vital was zóó kwaad, dat hij geen enkel woord met
haar wilde spreken. Hij zat maar onophoudelijk borrels op borrels te
drinken en toen Eleken hem eindelijk smeekte nu liever een glas bier te
nemen, was hij woedend opgesprongen en had vader Peutrus laten roepen,
op bitsigen toon aan den ouden man vragend of die het goedkeurde, dat
zijn dochter hem drank in hun herberg weigerde. Natuurlijk had vader
Peutrus zijn dochter geducht ongelijk gegeven en daarop was meneer Vitàl
zóó aan 't drinken gegaan, dat hij weldra van zijn stoel niet meer op
kon. Onmogelijk kon hij in dien toestand zelf met zijn automobiel naar
huis rijden en moeder Lie was op 't kasteelken het chauffeurtje ter hulp
komen halen.
"L'alcóóól et Flavie!" orakelde spotlachend dokter Van der Muijt.
De ontvanger De Reu zat met flikkerende oogen rusteloos op zijn stoel te
draaien. Totnogtoe had hij bij die heeren geen woord over meneer Vitàls
vroegere connectie en het geweldig spektakel met Irma in het hotel
durven reppen; maar nu de jonge Taghon zich zoo weinig geneerde, werd de
verzoeking hem eensklaps te machtig en in één adem vertelde hij van
't begin tot het einde de heele historie.
"Allons donc!" riepen dokter Van der Muijt en die andere heeren, haast
ongeloovig van verbazing.
't Es** bijkans nog irger dan Nonkelken!" zei de oude Taghon.
"Et une femme, mon cher! un chic! une toilette! 't Was wat anders dan
Eleken, zille!" juichte De Reu, door de herinnering nog verlekkerd.
"Ha, dien deugniet! Wie zoedt er hem da toegeven, hè? Hij kon doar
almets** zitten of hij gien drei 'n kon tellen," glimlachte dokter Van
der Muijt.
En zij gingen daarop door, ondervroegen De Reu tot in de kleinste
détails, telkens proestlachend en genietend, zich nauwelijks inhoudend
voor Sietje, die, schijnbaar druk bezig aan haar naaimachine, zonder
twijfel ieder mogelijk woord zat op te vangen.
Eenige dagen verliepen. Die heeren hadden het onder elkaar hoe langer
hoe drukker over de vrijage van meneer Vitàl met Eleken, maar zoodra hij
in hun midden kwam spraken zij natuurlijk over heel andere dingen en
hielden zich of zij er niets van afwisten. Zij zaten als gewoonlijk
naast hem aan het tafeltje, babbelden, dronken, rookten, speelden kaart;
maar eensklaps, op een avond, kwam de jonge Taghon als een rukwind in
_d'Ope van Vrede_ gevlogen, keek even, als wantrouwig, vlug in 't ronde
en gilde 't dan opgewonden uit, waar al die heeren het hoorden:
"Wilt-e nou ne kier wa weten! Iets da ge nie 'n zilt geleuven!....
Menier Vitàl goa mee Eleken treiwen!"
"Hè? Watte?" riep dokter Van der Muijt half van zijn stoel opspringend,
terwijl al de anderen doodstil en als verstomd bleven zitten.
"Dat hij mee Eleken gaat treiwen!" herhaalde Taghon met nadruk, de oogen
rond en strak van overtuiging.
"O gie farceur!" lachte Van der Muijt.
Maar de jonge Taghon werd onmiddellijk nog driftiger opgewonden en haast
boos.
"Maar 't es zèker, zeg ik ulder; 'k weet van voader Peutrus zelve!"
gilde hij.
Die heeren, die aan 't spelen waren, legden hun kaarten neer en Sietje,
't herbergmeisje, hield bij haar naaimachine op de handen en de voeten
te bewegen.
"Ach tuttuttut! Ge zij bezig mee ons veur de zot t' houên!" riep dokter
Van der Muijt eensklaps, als verontwaardigd, zijn kaarten weer opnemend.
De jonge Taghon keerde zich met een bruusken ruk naar de deur, als om
ineens weer weg te gaan. Maar plotseling bedacht hij zich, kwam naar den
dokter toe, strekte de hand uit en schreeuwde:
"Gewed? Veur al da ge wilt? Twintig tegen ien?"
Een schielijke stilte, als van gewichtigen, haast benauwden ernst, viel
even weer in de stom-roerlooze gelagkamer; en in die stilte ging de
portaaldeur langzaam open en meneer Vitàl trad binnen.
De jonge Taghon aarzelde geen oogenblik. Hij stapte recht op hem af,
stak de hand naar hem uit en zei:
"Proficiat, mesieu Vitàl."
Zouden ze 't nù gelooven?
Ze geloofden het, al kònden ze 't haast niet gelooven! Ze zagen, als in
gebaren van onwezenlijkheid, als in een droom, meneer Vitàl Taghons hand
drukken en hoorden hem "merci" antwoorden; en toen stonden zij ook allen
op en drukten hem gewichtig om de beurt de hand en wenschten hem
proficiat. Zelfs Sietje stond van haar naaitafel op en kwam hem
feliciteeren. 't Was als een plechtigheid. Geen oogenblik werd er
geschertst, gelachen. Zij deden het allen in volkomen, bijna overdreven
ernst; en ook meneer Vitàl bleef absoluut kalm, ernstig, deftig, waardig
zooals het hoorde bij het vast genomen besluit eener zòò gewichtige
gebeurtenis. En niemand ging er ook verder op in; dat was een afgedane
zaak, waar niemand verder mee te maken had: hij ging gewoon aan hun
tafeltje zitten, bestelde een borrel, stak zijn lange herbergpijp op en
keek gewichtig naar het spel dat zij weer opgenomen hadden; en toen ook
zijn beurt kwam om mee te spelen schoof hij gewoon bij, kalm en deftig
gehuld in een rookwolk, de oogen ernstig op zijn kaarten, net als
iederen avond....
* * * * *