XIII.

Die heeren wisten 't nu. Al lang hadden ze 't zien aankomen, doch nu

leed het geen twijfel meer: meneer Vitàl was doodelijk verliefd op het

schoon Eleken uit de _Groene Linde_.

Zij zaten in _d'Ope van Vrede_ en spraken er over, zonder eind.

"Hoe es 't toch meugelijk, veur azeu ne rijke jongen en mee zuk

'n educoassie!" zei de oude heer Taghon.

Dokter Van der Muijt schudde bedenkelijk het hoofd.

"'t Es spijtig, 't es spijtig," jammerde hij. "Il aurait du épouser

mademoiselle de Saint-Valéry."

"Bah, bah, goesting es keup** en geld en goed 'n moet toch nie gewegen

worden!" meende de jonge Taghon, die in den grond heel trotsch was omdat

meneer Vital door zijn toedoen met Eleken in kennis was gekomen.

"As er hij maar nie mee 'n treiwt!" vreesde meneer De Reu.

Doch daar waren die heeren minder bang voor.

't Was enkel tijd-passeering, hij deed eenvoudig zooals Nonkelken zijn

leven lang gedaan had: de knappe herbergmeisjes naloopen. Van Eleken zou

hij wel naar een ander gaan, en dan weer naar een ander, en dan nog en

zoo voort, precies gelijk Nonkelken enfin. Maar hij begon wel wat veel

te drinken, meende dokter Van der Muijt, en altijd, áltijd dien jenever!

In zooverre mocht hij wel oppassen dat hij Nonkelken niet ál te trouw

navolgde.

De jonge Taghon deed een verhaal. Een dag of wat geleden was hij in _De

Groene Linde_ geweest en had er natuurlijk, zooals altijd nu, meneer

Vitàl gevonden. En voor het eerst sinds al den tijd dat hij meneer Vitàl

kende, had hij hem dronken gezien, dronken, stomdronken! Er was zeker

ruzie geweest, want Eleken stond met tranen in haar oogen achter de

schenktafel en meneer Vital was zóó kwaad, dat hij geen enkel woord met

haar wilde spreken. Hij zat maar onophoudelijk borrels op borrels te

drinken en toen Eleken hem eindelijk smeekte nu liever een glas bier te

nemen, was hij woedend opgesprongen en had vader Peutrus laten roepen,

op bitsigen toon aan den ouden man vragend of die het goedkeurde, dat

zijn dochter hem drank in hun herberg weigerde. Natuurlijk had vader

Peutrus zijn dochter geducht ongelijk gegeven en daarop was meneer Vitàl

zóó aan 't drinken gegaan, dat hij weldra van zijn stoel niet meer op

kon. Onmogelijk kon hij in dien toestand zelf met zijn automobiel naar

huis rijden en moeder Lie was op 't kasteelken het chauffeurtje ter hulp

komen halen.

"L'alcóóól et Flavie!" orakelde spotlachend dokter Van der Muijt.

De ontvanger De Reu zat met flikkerende oogen rusteloos op zijn stoel te

draaien. Totnogtoe had hij bij die heeren geen woord over meneer Vitàls

vroegere connectie en het geweldig spektakel met Irma in het hotel

durven reppen; maar nu de jonge Taghon zich zoo weinig geneerde, werd de

verzoeking hem eensklaps te machtig en in één adem vertelde hij van

't begin tot het einde de heele historie.

"Allons donc!" riepen dokter Van der Muijt en die andere heeren, haast

ongeloovig van verbazing.

't Es** bijkans nog irger dan Nonkelken!" zei de oude Taghon.

"Et une femme, mon cher! un chic! une toilette! 't Was wat anders dan

Eleken, zille!" juichte De Reu, door de herinnering nog verlekkerd.

"Ha, dien deugniet! Wie zoedt er hem da toegeven, hè? Hij kon doar

almets** zitten of hij gien drei 'n kon tellen," glimlachte dokter Van

der Muijt.

En zij gingen daarop door, ondervroegen De Reu tot in de kleinste

détails, telkens proestlachend en genietend, zich nauwelijks inhoudend

voor Sietje, die, schijnbaar druk bezig aan haar naaimachine, zonder

twijfel ieder mogelijk woord zat op te vangen.

Eenige dagen verliepen. Die heeren hadden het onder elkaar hoe langer

hoe drukker over de vrijage van meneer Vitàl met Eleken, maar zoodra hij

in hun midden kwam spraken zij natuurlijk over heel andere dingen en

hielden zich of zij er niets van afwisten. Zij zaten als gewoonlijk

naast hem aan het tafeltje, babbelden, dronken, rookten, speelden kaart;

maar eensklaps, op een avond, kwam de jonge Taghon als een rukwind in

_d'Ope van Vrede_ gevlogen, keek even, als wantrouwig, vlug in 't ronde

en gilde 't dan opgewonden uit, waar al die heeren het hoorden:

"Wilt-e nou ne kier wa weten! Iets da ge nie 'n zilt geleuven!....

Menier Vitàl goa mee Eleken treiwen!"

"Hè? Watte?" riep dokter Van der Muijt half van zijn stoel opspringend,

terwijl al de anderen doodstil en als verstomd bleven zitten.

"Dat hij mee Eleken gaat treiwen!" herhaalde Taghon met nadruk, de oogen

rond en strak van overtuiging.

"O gie farceur!" lachte Van der Muijt.

Maar de jonge Taghon werd onmiddellijk nog driftiger opgewonden en haast

boos.

"Maar 't es zèker, zeg ik ulder; 'k weet van voader Peutrus zelve!"

gilde hij.

Die heeren, die aan 't spelen waren, legden hun kaarten neer en Sietje,

't herbergmeisje, hield bij haar naaimachine op de handen en de voeten

te bewegen.

"Ach tuttuttut! Ge zij bezig mee ons veur de zot t' houên!" riep dokter

Van der Muijt eensklaps, als verontwaardigd, zijn kaarten weer opnemend.

De jonge Taghon keerde zich met een bruusken ruk naar de deur, als om

ineens weer weg te gaan. Maar plotseling bedacht hij zich, kwam naar den

dokter toe, strekte de hand uit en schreeuwde:

"Gewed? Veur al da ge wilt? Twintig tegen ien?"

Een schielijke stilte, als van gewichtigen, haast benauwden ernst, viel

even weer in de stom-roerlooze gelagkamer; en in die stilte ging de

portaaldeur langzaam open en meneer Vitàl trad binnen.

De jonge Taghon aarzelde geen oogenblik. Hij stapte recht op hem af,

stak de hand naar hem uit en zei:

"Proficiat, mesieu Vitàl."

Zouden ze 't nù gelooven?

Ze geloofden het, al kònden ze 't haast niet gelooven! Ze zagen, als in

gebaren van onwezenlijkheid, als in een droom, meneer Vitàl Taghons hand

drukken en hoorden hem "merci" antwoorden; en toen stonden zij ook allen

op en drukten hem gewichtig om de beurt de hand en wenschten hem

proficiat. Zelfs Sietje stond van haar naaitafel op en kwam hem

feliciteeren. 't Was als een plechtigheid. Geen oogenblik werd er

geschertst, gelachen. Zij deden het allen in volkomen, bijna overdreven

ernst; en ook meneer Vitàl bleef absoluut kalm, ernstig, deftig, waardig

zooals het hoorde bij het vast genomen besluit eener zòò gewichtige

gebeurtenis. En niemand ging er ook verder op in; dat was een afgedane

zaak, waar niemand verder mee te maken had: hij ging gewoon aan hun

tafeltje zitten, bestelde een borrel, stak zijn lange herbergpijp op en

keek gewichtig naar het spel dat zij weer opgenomen hadden; en toen ook

zijn beurt kwam om mee te spelen schoof hij gewoon bij, kalm en deftig

gehuld in een rookwolk, de oogen ernstig op zijn kaarten, net als

iederen avond....

* * * * *

't Bolleken · 第 20 / 36 题