XII.

Meneer Vitàls leven werd wild, onstuimig, ongebonden. Rust kende hij

niet meer. Zoodra hij niet meer in een roes van beweging was, kwam hem

weer de onverduwbare prikkel der geleden vernedering kwellen. Dat was

iets onverjaagbaars, dat bleef als een karbonkel in hem branden, altijd

wakend, altijd knagend, altijd klaar om plotseling in woeste vlammen op

te laaien. 't Was als een nachtmerrie die op hem drukte; het deed hem,

telkens als hij er aan dacht, het rood der schaamte op de wangen komen;

het deed hem knarsetanden van verbittering en spijt; het deed hem

vluchten, om 't even waar, in toorn en wanhoop, als werd hij door een

vijand, die hem nooit meer los zou laten, achterna gezeten.

En boven alles deed het hem de eenzaamheid verafschuwen. 't Was hem nu

eender wie, als hij maar iemand op zijn doellooze, gejaagde tochten mee

kon krijgen. Nu eens De Reu, een ander maal Taghon, dan weer dokter Van

der Muijt of een van die andere heeren; en als hij niemand vond ging hij

maar naar de herbergen en wachtte tot er iemand kwam.--Zij reden uit en

hij trakteerde. Met alles, zoolang en zoo veel als de anderen er maar

lust in hadden, trakteerde hij; en zelf dronk hij nu ook stevig mee,

eerst om zich te verdooven, weldra uit smaak en uit gewoonte.

Het duurde niet lang of zij hadden, met hun drieën of vieren, hun vaste,

dagelijksche uitgangen, telkens weer naar andere dorpen en gehuchten in

't omliggende. Doch waar meneer Vitàl nu elken dag bijna geregeld kwam,

en al zijn tochten, hoe ver en wijd ook uit elkaar gelegen, hetzij

alleen of in gezelschap van de anderen, regelmatig eindigde, dat was bij

't schoone meiske in de _Groene Linde_.

* * * * *

Die kus, die eerste frisch-gezonde kus van het natuurkind, zooals hij

haar nu noemde, had hij in al zijn smart toch niet kunnen vergeten. Het

was geen liefde, alleen maar welbehagen in haar bekoorlijke

verschijning, in haar bloeiende gezondheid, in haar onopgesmukte

bevalligheid, in 't echt-natuurlijke van heel haar wezen. Er ging voor

hem als een troostende poëzie van haar uit, het was een balsem op zijn

wonde en een toevlucht in zijn opgejaagde leven. Haar te zien met de

frissche kleur van haar blozende wangen, met den stralen-glimlach van

haar lichte oogen en de schittering van haar witte tanden was hem al

voldoende. 't Was als een lafenis, hij vroeg niets meer, hij voelde

zelfs, instinctmatig, dat het zou minder worden indien hij meer

verlangde. Want wat hem 't meest bekoorde was haar vol vertrouwen, een

vertrouwen waarin zich bij haar van lieverlede eenige verwondering en

wellicht ook teleurstelling mengde, juist omdat hij met zoo weinig zich

tevreden hield, omdat hij nooit iets anders scheen te verlangen dan haar

louter tegenwoordigheid, zonder meer. Het was en bleef een idylle, een

lavende, reinende frischheid, een bijna romantisch minnarijtje, waar hij

meer en meer aan hechtte naarmate hij zag en voelde dat het bij haar

langzaam aan ernst werd. Voor het eerst in zijn leven voelde hij een

jonge mooie vrouw werkelijk op hem verliefd worden; en dat gansch nieuw

en onbekend bewustzijn was voor hem iets zoo teers en zoo bekoorlijks;

het gaf hem, voor de eerste maal sinds hij met vrouwen omging, zulk een

sereen genot van momentane rust en vrede, dat hij alles vreesde en

vermeed wat het had kunnen schenden en de uiting van zijn eigen

hartstocht steeds bedwong om niet nog eens weer de mindere te worden.

Daarom nam hij telkens ook zoo graag een van die heeren mede. Hun

hinderende tegenwoordigheid was als de wakende waarborg van zijn

ongeschonden, frisch genot. Maar niet steeds gelukte 't hem een van hen

mee te krijgen; en, daar hij haar tòch wilde zien, daar het

langzamerhand een behoefte van zijn leven was geworden haar nu dagelijks

te zien, werd zijn sterk voornemen om, door geen toegeven aan zijn

hartstocht, steeds haar meerdere te blijven, wel eens op een zware proef

gesteld. Dan vond hij haar soms alleen in het herbergje; alleen of met

haar ouders, wat bijna 't zelfde was; want niet zoo gauw had hij,

volgens eenmaal aangenomen gewoonte, vader Peutrus en moeder Lie

getrakteerd, of zij lieten hem met Eleken alleen, als in geheime

medeplichtigheid met zijn en haar verondersteld verlangen. Toen brandde

de herinnering aan haar eersten, frisschen kus weer op zijn lippen en

sterker was 't dan alle vrees en redeneering: hij trok haar op zijn

bevende knieën, omprangde haar in zijn beide strengelende armen en

zoende weer zijn heerlijk en gezond natuurkind, met onstuimigen,

ontembaren hartstocht. Zij sloot haar oogen, legde teederlijk haar

mollige armen om zijn hals en liet hem in stille verrukking begaan. Zij

zuchtte van geluk. Alleen toen hij, zichzelf niet meer bezittend, nog

méér wilde, werd zij eensklaps tegenstribbelig en angstig, weerde hem af

en wilde weg, fluisterend dat 't niet mocht en dat vader of moeder elk

oogenblik konden terugkomen.

Daar had hij al de lang gevreesde en vermeden nederlaag! De rollen waren

plotseling omgekeerd; hij, nu, was de zwakste en zij de sterkere. Tot

zooverre mocht het; verder niet. Zij zegevierde; en al zijn sterke

voornemens van weken en maanden lagen als een broos en zwak, met zooveel

moeite opgewerkt gebouwtje, tot een puinhoop in elkaar gestort. Hij

verbeet zijn ergernis en zijn spijt, verwenschte zijn onverbeterlijke

zwakheid en onhandigheid, beraamde andere middelen, stugge plannen, om

te herwinnen wat hij door zijn eigen schuld verloren had. Het duurde

trouwens niet lang meer of hij moest zichzelf wel bekennen, dat hij

beslist de mindere werd in dien uitputtenden strijd. Zijn idyllische

berusting had niet langer vat op haar; zij wist nu al te goed wat hij

begeerde en hoe het overige niets dan schijn en leugen was; en telkens

nu, wanneer hij zich weer aan romantische stemmingen waagde, onthaalde

zij hem op koele, spottende, verwijderende onverschilligheid. Hij kon

weldra niet langer twijfelen: alweer was de kans definitief voor hem

verkeken, alweer was hij het slachtoffer; zelfs de reine bloem der

schuldelooze, idyllische liefde was onherstelbaar in zijn droeve,

ongelukkige hand geknakt en verwelkt.

Hij nam een kras besluit. Hij zou haar verlaten, haar nooit meer zien,

weer zijn wild en ongebonden leven botvieren! Het kon hem niet meer

schelen; hij voelde zich geheel verloren; niets en niemand wilde van hem

weten; en aangezien zelfs het mooiste en het reinste laag en leelijk

werd zoodra hij het aanraakte, zou hij maar blindelings, hals over kop,

in het lage neerdompelen, slampampen, drinken, zwieren; en als hij

vrouwen noodig had zou hij voor geld er koopen, de laagste en de

gemeenste, daar waar ze te vinden waren.

Acht dagen hield hij 't vol; acht dagen van onuitstaanbare leegheid,

kwelling en verveling, waarin al zijn vroeger vrouwenleed: Irma,

mademoiselle de Saint-Valéry--vooral mademoiselle de Saint-Valéry--met

een gevoel van vlijmende vernedering hem folteren kwam. Toen kon hij

't niet langer meer uithouden en op een middag ging hij terug naar de

_Groene Linde_.

Twee veekoopers met lange, blauwe kielen en bruine, knobbelige stokken

zaten in het landelijk herbergje. Zij waren half dronken en maakten er

schel lawaai. Eleken stond achter de schenktafel bezig met glazen

spoelen en vader Peutrus hield de kerels aan de praat.

Meneer Vitàl groette, gewoon, alsof er niets gebeurd was, keek even met

gefronste wenkbrauwen naar de lawaaiende veekerels en bestelde een

borrel.

Eleken kwam het hem op een presenteerblad brengen. Hij nam het glaasje

met bevende vingers en keek haar strak aan.

De uitdrukking van haar gelaat was koel en ondoordringbaar. Geen

schijnbare spijt over zijn lange afwezigheid, geen klacht noch verwijt,

geen emotie van vreugd hem terug te zien. Hij kon die stugge koelheid,

zoo verschillend van hun vroegere ontmoetingen en zoo

gewild-onnatuurlijk, niet verkroppen en schimplachte bitter, halfluid,

in 't schreeuwen van de veekoopers:

"'T 'n kan ou nie schelen, geleuf ik, da ge mij weere ziet?"

"'K 'n hè ou nie gevroagd om wig te blijven," antwoordde zij eenvoudig,

met matte stem, het afsijpelend presenteerblad naar omlaag gekeerd, den

blik ten gronde, de linkerhand even op het tafeltje, waaraan hij zat,

geleund.

Plotseling greep hij die hand, en drukte ze vurig, met tranen in zijn

oogen.

"Eleken, azeu 'n kan ik niet blijve leven," zuchtte hij. "Iest zagt-e

mij zeu geiren; en nou.... nou...."

Zij zei geen woord, bleef stug en onbewegelijk, als wachtend, met een

soort wantrouwen, op wat verder komen zou. Maar hijzelf wachtte op háár

antwoord; en eindelijk zei ze, kort, stroef, schouderophalend:

"Woarom wilt g' euk altijd dijngen die nie meugelijk 'n zijn?"

Hij bleef het antwoord even schuldig. 't Wàs zoo, zij had gelijk; hij

had dingen gewild, of liever, getracht.... en toch, 't was als vanzelf

gekomen,.... alsof 't zoo moest,.... alsof 't niet anders kon,.... en

opeens was ze daarom stroef en onhandelbaar geworden, en niet alleen had

ze geweigerd wat hij in zijn misschien tè omstuimigen hartstocht

verlangde, maar nooit meer was ze daarna geweest als vroeger en dàt was

nu juist wat hij niet begreep en haar zoo kwalijk nam.

"Woarom 'n zij-je dan nie mier lijk in 't begin?" klaagde hij met

gepijnigd gezicht in 't schriller opgalmend lawaai der halfdronken

beestenkoopers.

"'t Es te gevoarlijk geworden," meesmuilde zij.

"'k Ben schouw** da ge mij zoedt ongelukkig moaken en mij dan loate

leupen. En euk," voegde zij er weer schokschouderend bij, "'t en gijnk

nie mier lijk vroeger, 't was veranderd."

Ja, dat was het, hij voelde 't ook wel. 't Was of er nu een afgrond

tusschen hen lag. Hij begreep dat zij in een kringetje ronddraaiden

zonder uitkomst en het geschreeuw van die twee dronken kerels stoorde

zoo. Wat trof het ook ongelukkig dat ze juist nu daar waren en niet

weggingen! Hij kon er zijn gedachten niet meer bijhouden; het gonsde en

ruischte alles door elkaar in zijn hoofd en weer voelde hij met

krenkende spijt dat zij hem volkomen de baas was. De verhoudingen waren

totaal omgekeerd, nu was hij de meest verliefde en zij de koelst en

kloekst beredeneerde en dat was háár kracht en zijn zwakheid. Zijn acht

dagen lang van haar wegblijven had niets geholpen; wel integendeel: want

hij was toch tot haar teruggekomen en nu begreep zij ook heel goed dat

hij niet langer buiten haar kon. Eindelijk antwoordde hij,

flauw-stamelend, zonder overtuiging:

"Doar 'n es gien kwestie van, van ou ongelukkig te moaken! Woarom zoe 'k

ou ongelukkig moaken? 'k Zie ou doarveuren veel te geirne."

Misnoegd trok zij haar hand terug.

"Da ge mij oprecht geirne zag ge zoudt mee mij treiwen," zei ze

plotseling, kortaf. En meteen was ze weg, naar het tafeltje der

drinkebroers, waar heftig om drank werd gevraagd.

Meneer Vitàl zat eensklaps stil, heel stil. 't Was een gevoel of er koud

water over hem was heengevloeid. Nu was 't gezegd en nu begreep hij, nu

was het hem ineens héél duidelijk hoe alles in elkaar zat. En meteen

begreep hij dat het dàt was, of uit.

Hij dronk zijn borrel leeg en keek werktuigelijk op zijn horloge.

Eleken, achter haar schenktafel, gluurde hem tersluiks, met stuursche

oogen, aan. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen, hij zat daar even in

diepzinnig peinzen. Toen stak hij een sigaar op en bestelde een verschen

borrel. Sprakeloos kwam ze hem dien brengen, als aan een onbekende;

sprakeloos, met een vluggen, kouden blik op hem, ging ze weer heen.

--'t Was dàt, of vijandschap, hij voelde 't wel. Maar dàt beviel hem

geenszins, daar had hij heelemaal niet aan gedacht. En plotseling kreeg

hij den indruk dat hij zich nu, omgekeerd, nagenoeg in 't zelfde geval

bevond tegenover Eleken, als mademoiselle de Saint-Valéry ten opzichte

van hem. 't Herdenken aan dien naam deed hem weer scherp zijn leed en

zijn vernedering voelen. Het verkoelde nog zijn idyllische liefde voor

't natuurkind en hij zag zijn vergissing even helder in.--Neen, neen,

dàt niet. Zóó diep was hij nog niet gedaald. Er zou nog heel wat moeten

gebeuren vóór hij daartoe overging. Maar uit was het intusschen ook

alweer met déze illuzie en gansch ontmoedigd stond hij op.

Ziende dat hij weg wou, kwam zij dadelijk naar hem toe.

"Goa-je nòù al wig?" vroeg ze teleurgesteld.

"Joa ik," antwoordde hij dof, neerslachtig.

"En wannier zie 'k ou weere? Goat 't nog ne kier acht doagen moeten

duren?"

Eensklaps voelde hij dat hij weer veld aan 't winnen was en dat het haar

berouwde zoo hard voor hem te zijn geweest.

"'t Hangt er van af," zei hij koel. "As ik nie vriendelijker ontvangen

'n worde 'n es 't de moeite nie weird om nog weere te komen."

Haar oogen werden zacht en 't kwam hem plotseling voor of er tranen in

glommen. Iets roerde even diep in hem, van medelijden. Zij was toch

eigenlijk maar een arm en zwak en ook eerlijk mooi meisje, die al haar

hoop gevestigd had op een geluk dat hij haar door zijn hofmakerij had

voorgetooverd; en nu stond hij daar opeens tegenover haar als de

machtige, onrechtvaardige, slechte rijkaard, die terugneemt wat hij

bijna plechtig reeds beloofd heeft. Hij voelde wroeging, doch bleef stug

en hard, liet zich door zijn meelijdende emotie niet vermurwen.

"Tot ziens," zei hij kortaf, en keerde zich om.

"Gee mij te minsten 'n hand?" vroeg ze bijna klagend.

Hij gaf haar de hand, en drukte die meteen, eensklaps vurig,

onweerstaanbaar, terwijl hij haar verteederd aankeek.

Met een lief-streelende beweging neeg haar frisch gezichtje schuins naar

hem toe. Het schokte en bonsde in zijn hart, hij voelde al zijn krachten

weifelen, het werd hem weer te sterk en een zware zucht, als een gekreun

van smart, steeg uit zijn binnenste.

Zij stonden half buiten in 't portaal en de brullende veekerels zouden

wel niets merken. Hij trok haar, plots zenuwachtig-bevend, naar zich

toe, en drukte een zoen, een wild-hartstochtelijken brandzoen op haar

frissche lippen. Beider oogen sloten zich, terwijl de liefde door hun

lichaam stroomde...

"Tot morgen?" vroeg ze, zachtfluisterend, hem weer loslatend.

"Tot morgen."

Hij was bedwelmd, hij zag noch hoorde meer, hij deed zijn motor snorren,

wipte in den wagen en reed weg.

* * * * *

't Bolleken · 第 19 / 36 题