Mademoisselle de Saint-Valéry....! Het huwelijk, het innig
samen-voelen-en-genieten van 's werelds schoonheid en geluk, in de
gezellige vertrouwelijkheid van het familieleven!
Hij dacht daar over na en 't idee vervulde en bekoorde hem. Neen, het
leven, zooals hij het thans leidde, dat wàs geen leven! Het kon zoo heel
anders, zooveel rijker en mooier worden; maar dan ook alleen door de
vrouw. Mademoiselle de Saint-Valéry, ja, die was wellicht de eenige,
neen, die was stellig hier, in zijn dorpsche omgeving, voor hem de
eenige geschikte vrouw. Al het overige was er zoo plomp, zoo boersch.
Een meisje uit de stad, ja, dat kon ook, maar zou die aan het
buitenleven wennen? Hij dacht aan steedsche meisjes, die hij kende, maar
hij voelde niets, voor geen enkele; en telkens, onverjaagbaar en als
't ware fataal, kwam het beeld van mademoiselle de Saint-Valéry zich aan
hem opdringen. Zou hij toch reeds verliefd op haar zijn vóór hij 't zelf
vermoedde?
Hij dacht aan haar, alleen aan haar, en 't werd bij hem een gewoonte,
bijna een obsessie, steeds aan haar te denken. Zij vereenigde zich vaag
voor hem met ieder plan der toekomst, met ieder heimelijk verlangen, met
ieder stil verwacht en onbekend geluk, dat nog voor hem in het verschiet
kon liggen. Zij werd iets van het héél teer ideale in zijn leven, het
ideaal zelf, het mooie en verhevene, de poëzie des levens, het
gedroomde; dat wat zoo moeielijk te bereiken, maar zoo volzalig om te
bezitten was.
Doch hoe zou hij tot haar komen, hoe zou hij ooit met haar kunnen
spreken, hoe zou hij haar ooit kunnen zeggen en vragen dàt wat toch
gezegd en gevraagd moest worden? Hij wist het niet en zag er ook geen
kans toe. Zij leefde toch feitelijk in een andere sfeer waar hij geen
toegang had en ook geen middel zag om toegelaten te worden. Had hij maar
een aanleiding, een gelegenheid; was hij maar even in de plaats van dien
dokter Van der Muijt, die steeds onder een of ander voorwendsel op het
kasteel kon en mocht komen; was hij zelfs, voor een oogenblik, veel
minder nog: een postbode, een jachtbewaker, een tuinman, een knecht,
't kon hem niet schelen wat, maar één van haar omgeving, die
noodzakelijkerwijze met haar in aanraking moest of kon of mocht
komen!.... maar hij was, helaas, niets van dat al en geen enkele weg
stond voor hem open!
Die bijna onoverkomelijke hinderpaal kwelde en prikkelde hem, deed hem
steeds inniger, als naar iets héél kostbaars, verlangen naar wat zoo
menig ander die er toch niets om gaven, dagelijks te beurt viel. Hij
folterde zijn geest om iets te vinden, hij dacht onmogelijke,
romantische avonturen uit: een ongeluk met haar paard en rijtuig, een
aanranding van schurken langs den weg; en hij eensklaps als held en
redder toesnellend, voor haar levensgevaarlijk gewond, door haar op het
kasteel verpleegd en na genezing met haar trouwend. Ja, zoo ging het wel
in ridder-avontuurlijke romans; en in een soort van waan-donquichotisme
reed hij er soms op uit, als zou hij mogelijk zulk een wonder-avontuur
ontmoeten; maar in de nuchter** werkelijkheid was 't zoo heelemaal
anders, altijd zoo praktisch en gewoon, en juist dat praktische en
gewone was en bleef voor hem zoo moeielijk te vinden. Wat zou hij doen?
Dokter Van der Muijt in de armen nemen? Neen, hij voelde instinktmatig
dat 't niet deugde. Waaròm had hij niet kunnen verklaren, maar hij
voelde 't, héél sterk; een innerlijke stem zei het hem. Maar wat dan
anders?--Schrijven! dat was 't eenige.
Haar schrijven! Ja, dat middel was afdoende. Maar die sprong leek hem nu
ineens te bruusk, te groot. Hij zou zichzelf in een ongunstige positie
stellen. Hoe kon ze plotseling, zonder eenige voorbereiding, zoo iets
verwachten? Ze zou ontzettend verbaasd zijn, boos misschien, over zijn
ongemotiveerd durven. Neen; er moest iets aan voorafgaan, een band, een
schakel, een aanleiding-gevende gebeurtenis, hoe klein en onbeduidend
ook; iets, enfin, dat zijn waagstuk eenigszins rechtvaardigde. En
trouwens, moest hij zelf niet, bij ietwat nadere kennismaking,
ondervinden of hij wel genoeg van haar hield om haar ten huwelijk te
vragen?
Dat iets, die onbrekende schakel, die voorbereidende gebeurtenis, zonder
dewelke niets gedaan kan worden, ging hij eindelijk, na veel wikken en
wegen en bij gebrek aan betere gelegenheid, zoekon** op de eenige plaats,
waar het voor hem wellicht te vinden was: 's zondags, tijdens de
hoogmis, in de kerk. Daar kon hij haar althans zien; en wie weet of niet
de oogen zouden uitdrukken wat de mond niet zeggen mocht!--Doch neen:
ook dàt viel tegen. Hij zag haar wel zitten, naast haar oom en tante en
naar hartelust kon hij haar stil en van verre bewonderen, doch daarbij
bleef het ook. Zij waagde slechts zelden een banalen, verstrooiden blik
in zijn richting en telkens ontroerde 't hem zóó, dat hij er dadelijk,
door iets sterker dan zijn wil gedwongen, zijn eigen oogen als in
verbijstering voor neersloeg en afwendde.
Hij voelde wel dat hij ook op die manier niet verder komen zou en al die
hindernissen prikkelden en zweepten zijn hartstocht van lieverlede
uitermate. Nu hoefde hij althans niet meer te twijfelen of hij op haar
verliefd was: hij was volkomen, diep en smartelijk verliefd. Zij was met
hem, zij vulde zijn gansche gedachte, van den ochtend tot den avond, in
zijn huis, in zijn tuin, gedurende zijn wandelingen in het veld. Haar
lenige gestalte, haar fijn profiel, haar mooie blonde haren, heel haar
elegante, ietwat tengere verschijning zweefde onophoudend vóór zijn
geest en hij voelde soms tintelingen van begeerte in zijn armen om haar
op zijn hart te drukken, terwijl zijn lippen kussen fluisterden. Toen
schrikte hij, als uit een droom ontwaakt, in plotseling helder
bewustzijn van 't enorm verschil hunner gevoelens: hij reeds zoo
volkomen aangegrepen en zij zoo kalm-onverschillig nog, in het geheel
niets vermoedend van alles wat zoo diep en zoo omstuimig in hem woelde.
Wat zal ze verbaasd opkijken, dacht hij, wanneer ze zoo eensklaps en
onverwacht mijn liefdes-verklaring ontvangt!
* * * * *