IX.

Mademoisselle de Saint-Valéry....! Het huwelijk, het innig

samen-voelen-en-genieten van 's werelds schoonheid en geluk, in de

gezellige vertrouwelijkheid van het familieleven!

Hij dacht daar over na en 't idee vervulde en bekoorde hem. Neen, het

leven, zooals hij het thans leidde, dat wàs geen leven! Het kon zoo heel

anders, zooveel rijker en mooier worden; maar dan ook alleen door de

vrouw. Mademoiselle de Saint-Valéry, ja, die was wellicht de eenige,

neen, die was stellig hier, in zijn dorpsche omgeving, voor hem de

eenige geschikte vrouw. Al het overige was er zoo plomp, zoo boersch.

Een meisje uit de stad, ja, dat kon ook, maar zou die aan het

buitenleven wennen? Hij dacht aan steedsche meisjes, die hij kende, maar

hij voelde niets, voor geen enkele; en telkens, onverjaagbaar en als

't ware fataal, kwam het beeld van mademoiselle de Saint-Valéry zich aan

hem opdringen. Zou hij toch reeds verliefd op haar zijn vóór hij 't zelf

vermoedde?

Hij dacht aan haar, alleen aan haar, en 't werd bij hem een gewoonte,

bijna een obsessie, steeds aan haar te denken. Zij vereenigde zich vaag

voor hem met ieder plan der toekomst, met ieder heimelijk verlangen, met

ieder stil verwacht en onbekend geluk, dat nog voor hem in het verschiet

kon liggen. Zij werd iets van het héél teer ideale in zijn leven, het

ideaal zelf, het mooie en verhevene, de poëzie des levens, het

gedroomde; dat wat zoo moeielijk te bereiken, maar zoo volzalig om te

bezitten was.

Doch hoe zou hij tot haar komen, hoe zou hij ooit met haar kunnen

spreken, hoe zou hij haar ooit kunnen zeggen en vragen dàt wat toch

gezegd en gevraagd moest worden? Hij wist het niet en zag er ook geen

kans toe. Zij leefde toch feitelijk in een andere sfeer waar hij geen

toegang had en ook geen middel zag om toegelaten te worden. Had hij maar

een aanleiding, een gelegenheid; was hij maar even in de plaats van dien

dokter Van der Muijt, die steeds onder een of ander voorwendsel op het

kasteel kon en mocht komen; was hij zelfs, voor een oogenblik, veel

minder nog: een postbode, een jachtbewaker, een tuinman, een knecht,

't kon hem niet schelen wat, maar één van haar omgeving, die

noodzakelijkerwijze met haar in aanraking moest of kon of mocht

komen!.... maar hij was, helaas, niets van dat al en geen enkele weg

stond voor hem open!

Die bijna onoverkomelijke hinderpaal kwelde en prikkelde hem, deed hem

steeds inniger, als naar iets héél kostbaars, verlangen naar wat zoo

menig ander die er toch niets om gaven, dagelijks te beurt viel. Hij

folterde zijn geest om iets te vinden, hij dacht onmogelijke,

romantische avonturen uit: een ongeluk met haar paard en rijtuig, een

aanranding van schurken langs den weg; en hij eensklaps als held en

redder toesnellend, voor haar levensgevaarlijk gewond, door haar op het

kasteel verpleegd en na genezing met haar trouwend. Ja, zoo ging het wel

in ridder-avontuurlijke romans; en in een soort van waan-donquichotisme

reed hij er soms op uit, als zou hij mogelijk zulk een wonder-avontuur

ontmoeten; maar in de nuchter** werkelijkheid was 't zoo heelemaal

anders, altijd zoo praktisch en gewoon, en juist dat praktische en

gewone was en bleef voor hem zoo moeielijk te vinden. Wat zou hij doen?

Dokter Van der Muijt in de armen nemen? Neen, hij voelde instinktmatig

dat 't niet deugde. Waaròm had hij niet kunnen verklaren, maar hij

voelde 't, héél sterk; een innerlijke stem zei het hem. Maar wat dan

anders?--Schrijven! dat was 't eenige.

Haar schrijven! Ja, dat middel was afdoende. Maar die sprong leek hem nu

ineens te bruusk, te groot. Hij zou zichzelf in een ongunstige positie

stellen. Hoe kon ze plotseling, zonder eenige voorbereiding, zoo iets

verwachten? Ze zou ontzettend verbaasd zijn, boos misschien, over zijn

ongemotiveerd durven. Neen; er moest iets aan voorafgaan, een band, een

schakel, een aanleiding-gevende gebeurtenis, hoe klein en onbeduidend

ook; iets, enfin, dat zijn waagstuk eenigszins rechtvaardigde. En

trouwens, moest hij zelf niet, bij ietwat nadere kennismaking,

ondervinden of hij wel genoeg van haar hield om haar ten huwelijk te

vragen?

Dat iets, die onbrekende schakel, die voorbereidende gebeurtenis, zonder

dewelke niets gedaan kan worden, ging hij eindelijk, na veel wikken en

wegen en bij gebrek aan betere gelegenheid, zoekon** op de eenige plaats,

waar het voor hem wellicht te vinden was: 's zondags, tijdens de

hoogmis, in de kerk. Daar kon hij haar althans zien; en wie weet of niet

de oogen zouden uitdrukken wat de mond niet zeggen mocht!--Doch neen:

ook dàt viel tegen. Hij zag haar wel zitten, naast haar oom en tante en

naar hartelust kon hij haar stil en van verre bewonderen, doch daarbij

bleef het ook. Zij waagde slechts zelden een banalen, verstrooiden blik

in zijn richting en telkens ontroerde 't hem zóó, dat hij er dadelijk,

door iets sterker dan zijn wil gedwongen, zijn eigen oogen als in

verbijstering voor neersloeg en afwendde.

Hij voelde wel dat hij ook op die manier niet verder komen zou en al die

hindernissen prikkelden en zweepten zijn hartstocht van lieverlede

uitermate. Nu hoefde hij althans niet meer te twijfelen of hij op haar

verliefd was: hij was volkomen, diep en smartelijk verliefd. Zij was met

hem, zij vulde zijn gansche gedachte, van den ochtend tot den avond, in

zijn huis, in zijn tuin, gedurende zijn wandelingen in het veld. Haar

lenige gestalte, haar fijn profiel, haar mooie blonde haren, heel haar

elegante, ietwat tengere verschijning zweefde onophoudend vóór zijn

geest en hij voelde soms tintelingen van begeerte in zijn armen om haar

op zijn hart te drukken, terwijl zijn lippen kussen fluisterden. Toen

schrikte hij, als uit een droom ontwaakt, in plotseling helder

bewustzijn van 't enorm verschil hunner gevoelens: hij reeds zoo

volkomen aangegrepen en zij zoo kalm-onverschillig nog, in het geheel

niets vermoedend van alles wat zoo diep en zoo omstuimig in hem woelde.

Wat zal ze verbaasd opkijken, dacht hij, wanneer ze zoo eensklaps en

onverwacht mijn liefdes-verklaring ontvangt!

* * * * *

't Bolleken · 第 16 / 36 题