X.

Het stond vast: hij zou haar schrijven! Dat was de eenige oplossing.

Maar hoe en wat, daarover zat hij nog lange dagen te peinzen en te

tobben. Ook daarvoor voelde hij weer pijnlijk 't gemis van den

verbindenden schakel! Hij kon toch niet uit de lucht komen vallen met de

rauwe declaratie: Ik heb u lief en vraag u ten huwelijk! Maar hoe

anders? Wàt moest hij vragen en hoe moest hij 't vragen?

Hij ging aan zijn schrijftafel zitten en probeerde kladjes op te

stellen:

"Mademoiselle,

"Cette lettre, que vous êtes bien loin

d'attendre, ne manquera pas de vous plonger

dans un profond étonnement...."

Hij staakte, las over, halfluid, schudde 't hoofd. Dat begin bevredigde

hem niet. Het was banaal, versleten, het zei niets. Hij kraste de

potloodregels weg, lei denkend, met gefronste wenkbrauwen van

inspanning, de hand op zijn voorhoofd en begon opnieuw, heelemaal

anders:

"Mademoiselle,

"Je prends la respectueuse liberté de vous

adresser une lettre, laquelle, je n'en doute pas,

ne manquera pas de vous plonger dans un profond...."

Gesard schudde hij weer het hoofd, klakte 't potlood op zijn tafel.

Malligheid, die "respectueuse liberté". Zoo schreef een ambtenaar aan

zijn minister. En waarom moest dat vervelende "plonger dans un profond

étonnement" daar nu ook telkens bij komen. Het maakte hem kwaad, hij

grijnsde naar de nietszeggende woorden, verkreukelde 't papier en gooide

't in de prullemand. Kon hij dan niet op een eenvoudige en waardige

wijze uitdrukken wat hij te zeggen had?

Hij nam een ander vel, fronste met nog sterker inspanning, bijtend op

zijn tanden, de wenkbrauwen samen en begon voor de derde maal, nu heel

anders:

"Mademoiselle,

"Vous sentirez-vous offensée par cette missive

inattendue, expression vibrante d'un coeur...."

Haastig doorstreepte hij "vibrante d'un coeur" en zette in de plaats:

"sincère et profonde, d'un sentiment que

j'essaie en vain, et depuis si longtemps,

de refouler dans le secret de mon coeur."

Dat was beter. Plotseling voelde hij zich op dreef en nu kwamen de

juiste en waardige woorden als van zelf in harmonieuze kadans naar hem

toe gevloeid. Het kostte geen de minste moeite meer, het zong in hem,

zuiver en heerlijk, het borrelde op als uit een heldere bron, het uitte

zich zooals hij 't zou gesproken hebben, vol teedere ontroering en vol

eerbied, schoon en gaaf, in de eenig ware, kalme, deftige woorden, die

alleen zijn diep gevoel konden vertolken. Wat er nu verder ook van kwam,

voor zulk een brief hoefde hij zich later nooit te schamen. Zij kon hem

van de hand wijzen; minachten, nooit.

Hij las zijn brief een paar keer over, wijzigde enkele woorden, herlas

hem nog en nóg, leerde hem van buiten. 't Was goed; zoo kon het, zoo

moest het. Hij ging er mee naar bed, sliep er mee in, ontwaakte er mee,

las hem een laatste maal, schreef hem over, vouwde hem in de enveloppe.

Geen aarzeling nu meer, geen verder overwegen. Hij plakte er den zegel

op, ging er zelf mee naar het postkantoor en wierp hem in de bus. Hij

hoorde hem langs de zinken wanden naar beneden schuiven en in de diepte

dof neervallen, als een wiekende vogel, die plotseling in zijn vlucht

gestremd wordt.

"Voilà, le sort en est jeté," murmelde hij in zich zelf.

En zonder omzien liep hij met flinken stap weer naar huis.

Den ganschen namiddag ging hij automobielen.

Hij vloog door heerlijk lente-Vlaanderen, door de groeiende en bloeiende

velden, door de wit-en-rood-glinsterende dorpjes, langs bosschen, weiden

en rivieren, tot het donker avond was. De laatste post had nog geen

antwoord gebracht. Dat kon ook niet. Misschien den volgenden ochtend.

Misschien ook dan nog niet.

Den ganschen nacht hoorde hij, dicht bij zijn half open raam,

't romantisch galmen van den nachtegaal en diep in den tuin het zachtjes

suizelen in ondertoon van 't beekje. Tegen den ochtend sliep hij in.

Hij sliep, als in vergetelheid van alles, zijn loom-vermoeiden slaap,

toen hij eensklaps, door getik op zijn deur werd wakker geschrikt. Hij

opende zijn oogen, zag 't volle zonlicht van een prachtdag door het

grijze weefsel der neergelaten gordijnen, sprong uit zijn bed en riep:

"Ja; wat is er?"

"Nen brief, meniere, die ge zoedt moeten aftiekenen," hoorde hij Netje's

stem.

Hij opende de deur op een kiertje, ontving den brief en 't bulletijntje**,

teekende af en deed de deur weer dicht.

Hij kon slechts met moeite ademhalen en 't schemerde vóór zijn oogen.

Zijn hart bonsde op tot in zijn keel.

Hij scheurde den omslag, ontvouwde den brief, zag eerst een klein, blauw

kroontje boven een gecompliceerd wapen in den bovenlinkerhoek.

Toen zag hij ook de enkele, korte regels van het fijn geschrift; en las:

"Monsieur,

Votre lettre inattendue, que ma nièce m'a aussitôt remise, a

provoqué le plus grand étonnement. Je vous prie poliment, monsieur,

mais aussi avec instance, de ne plus renouveler une tentative, que,

pour cette fois, nous voulons bien considérer comme non-avenue. Je

crois être en droit d'ajouter, monsieur, que rien dans nos agissements

envers vous, que nous connaissons à peine de vue, n'a pu être de

nature à vous engager dans la voie où vous vous êtes fourvoyé.

Veuillez croire, monsieur, à l'expression de mes sentiments

distingués.

Jean-Ghislain de Preudhomme d'Ailly,

baron van den Born de Wellin."

Heel stil en kalm legde meneer Vitàl het kort, open briefje op zijn bed

en ging naar de ramen, waarvan hij de gordijnen ophaalde. Het zomerlicht

stroomde als een weeldevloed naar binnen en daarbuiten jubelde de heele

tuin van schitterende bloemen en zingende vogels.

Hij ging naar zijn waschtafel en keek zich in den spiegel aan.

Hij zag bleek, doodsbleek. Hij plonsde zijn hoofd in 't water en bette

zich overvloedig. Onder het afdrogen keek hij werktuigelijk naar de

klok.--Tien ure.--Hij voelde eensklaps als een flauwte in zijn beenen,

terwijl zijn handen zenuwachtig begonnen te beven.

"Wat is dàt nu?" murmelde hij dof, even op den rand van zijn bed

neerzittend. Maar 't was niets. Hij stond al dadelijk weer op en kleedde

zich haastig verder aan.

"C'est fini! fini! fini!" herhaalde hij driemaal, met sissende stem en

op elkaar geklemde tanden.

En plotseling kreeg zijn gezicht iets hards, iets stugs, iets bitters,

alsof hij bijten wou.

Hij keek nog even naar de handteekening en een schimpende lach verwrong

zijn bleeke lippen:

"Al die namen, al die voorname namen voor één enkele meneer; een heele

familie zou er goed mee zijn!" murmelde hij nijdig.

Hij gaf een vloek, kreukte den brief tot een prop in zijn zak en spoedde

zich naar beneden om te ontbijten

In den zonnigen bloementuin jubelden en zongen om het hardst de

vogeltjes....

* * * * *

't Bolleken · 第 17 / 36 题