De lente zou weldra opnieuw geboren warden....
Nog geen knopje botte aan de kale boomen, maar in de lucht kwam al een
nieuwe, frissche helderheid en ruimte en de aller-eerste vogel--de
lijster--zong van den ochtend tot den avond, zwart eenzaam stipje in de
zwarte, naakte takken, haar kort en helder liedje, dat galmde als een
steeds herhaald geroep, alsof het wakker vogeltje reeds in de verre
verte iets zag en voelde, dat nog geen ander levend wezen zien of voelen
kon, en daarover luid zijn jubelende blijheid verkondigde.
Het beekje, hoog-gezwollen door den dooi, rolde weer zwaar-bruisend
dikke, blonde kolken en in den tuin bloeiden de twee eerste, jonge
voorjaarsbloempjes: 't miserie-boompje**, één en al paars-roze kleine
trosjes zonder één groen blaadje op zijn dunne twijgjes, en
't sneeuwklokje, doorschijnend--wit opgeschoten als een ijsbloempje, met
het nauwelijks zichtbaar oranje hart diep in zijn kelkje, zoo teer en
broos tusschen al zijn dichtgeschaarde, rechtopstaande, groene
bladstengels, die het, als met een levende en wakende heg, tegen kou en
wind schenen te beschermen.
Meneer Vitàl, vereenzaamd op "'t Kasteelken", kwam niet meer uit. Hij
schaamde zich; hij had behoefte aan afzondering, aan zelfbespiegeling.
Hij had zichzelf terug te vinden, zijn leven te veranderen. Hij had
zichzelf van ondergang te redden.
Nu, in de eenzaamheid en stilte van zijn als 't ware herboren bestaan,
was hij gelijk een langzaam-herstellende, die een zware ziekte had
doorworsteld; en midden in de zacht-lavende frischheid en kalmte der
herlevende natuur, leek hem de herinnering aan de wilde scene in
't hotel een nachtmerrie, een aanval van tijdelijken waanzin. 't Was uit
hem opgestormd, ontembaar, omdat een vijand hem iets roofde dat het
zijne was; het was geweest alsof men uit zijn eigen lijf eensklaps met
ruw geweld het innigste en kostbaarste dat hij bezat wegrukte. Maar
nu,.... nu het voorbij was, voelde hij zich klein en schaamde hij zich.
Nu was het uit, voor goed en altijd uit, gelukkig nog vóór het te laat
was. Nu voelde hij, als een weldaad, de stille zaligheid van de
verlossing; nu kon een heel nieuw leven weer voor hem beginnen.
Van Irma had hij niets meer gehoord en hij was ook wel gerust en veilig,
dat zij hem nu niet meer plagen zou. De Reu, de medeplichtige getuige
van het akelig spektakel, had hij niet terug willen zien en ook van al
die andere dorpsheeren was hij vervreemd. Nooit meer kwam hij in de
vaste herbergen waar hij hen ontmoeten zou; nooit meer vertoonde hij
zich in 't dorp en aan de meiden had hij last gegeven niemand te willen
ontvangen. Stelselmatig vermeed hij alles wat hem aan 't verleden kon
herinneren.
Hij leefde in afwachting.... in afwachting van.... hij wist niet wat nu
verder komen zou. Hij dacht aan allerlei: zijn studies hervatten, iets
ondernemen, algemeene kennis opdoen, reizen. Maar voorloopig deed hij
niets. Hij genoot van zijn rust, van zijn verlossing, van zijn vrede.
Hij ging zijn pachters bezoeken, sprak over hun en zijn belangen,
aanhoorde klachten en wenschen. Doch wat hem 't meest nu aantrok waren
lange, eenzame tochten met zijn automobiel, tochten door heel landelijk
Vlaanderen, van oost naar west, van noord naar zuid. Wat was het schoon
zijn land, in eerste, teere, lente-herleving! Wat was het rijk in zijn
afwisselende, steeds zoo zachte lijnen en schakeeringen, met over alles
heen iets blonds en wazigs, dat als de atmosfeer van de streek zelve
was, en dat hij overal terugvond! Het waren fijne, fijne schilderijen,
de eene na de andere. Soms hield hij zijn wagen stil en deed den motor
zwijgen, om in volle rust te kijken, te luisteren en te genieten. Het
waren vergezichten, zacht-golvende landbouwen**, hier bruin, daar groen,
teer-doezelig wegdeinend in blauwachtige doorschijnendheid, naar vage
boomenlijnen aan den horizon, waaronder dorpjes glinsterden met witte
geveltjes en roode daakjes, in de zoete lauwe zon. Alom was rustige
bedrijvigheid op 't stille land: donkere menschen--silhouetten
spittend-gebogen naar den grond; ploegen en paarden statig drijvend naar
't verschiet door vet-en-malschglimmende voren; en lange rijen
wiedsters, als neergestreken zwermen groote vogels zingend in het jonge
koren, onder het etherisch mee-orgelend koor der leeuwerikjes, die
overal, als in een oneindigheid van teer-harmonische rythmen, hingen te
tril-wieken, hoog in de zoet-geurende, wazig-blauwe ruimte.
Dat was de volle heerlijkheid en zaligheid, waar de wakkere lijstertjes
al zoo lang en onvermoeid met heldere kelen van gejubeld hadden en in
zijn frisch-herboren leven luisterde meneer Vitàl er nu ook vol
ontroering naar, als naar de zoete openbaringsstemmen van zijn eigen
herschapen toekomst. Het groeide alles om hem heen tot lenteherleving,
steeds milder en rijker, iederen dag vol van nieuwe en verrassende
ontdekkingen. De oude boomgaarden begonnen te bloeien, zoo heerlijk rein
wit en roze, als geurende wolken van pracht om de verweerde gebouwen;
heesters, linden en popels** trilden en glinsterden met al hun teere,
doorschijnend-groene blaadjes; de witte en gouden sterretjes van
madeliefjes en van leeuwetand** doorpoeierden het jeugdig, malsche gras;
en op een lauwen avond hoorde meneer Vitàl weer in zijn tuin de
romantische tonen van den pas-gekomen nachtegaal.
Met innige ontroering bleef hij naar het onzichtbare zangertje
luisteren. Zoo kwam het elke lente weer, met zooveel andere vogels,
vaste boden van de zoete voorjaarsheerlijkheid en liefde. De zware
boomen stonden onbewegelijk in hun donker geheim, het beekje neuriede
heel zacht zijn vooisje en tegen het nog helder Westen, laag over den
horizon tusschen de zwarte kruinen, hing Venus eenzaam in haar diamanten
schitterpracht.
Meneer Vitàl zuchtte. Voor 't eerst sinds zijn herleving, voelde hij
weer vagen weemoed in zijn eenzaamheid. Voor 't eerst had hij kwellende
behoefte aan mededeeling van gevoel met wie hem kon begrijpen. Maar wie?
--Hij kende niemand hier die met hem voelen en genieten kon.
* * * * *
Hij werd zich nu ook wel bewust, dat zijn gewilde en halsstarrige
afzondering van alles wat om hem heen bewoog en leefde slechts een
overgangs-periode was, die hij niet lang vol zou kunnen houden. De
atmosfeer van zijn omgeving werkte toch, zijns ondanks, met geheime
macht op hem in. Hij voelde zich meer en meer, door hij wist niet welke
magnetische kracht, tot het omringende leven aangetrokken; de
eenzaamheid begon weer zwaar te drukken, de zachte rust ontaardde
langzamerhand in een zoekende gejaagdheid die hem elk oogenblik naar
buiten dreef; en 't was bijna met een gevoel van verlichting, dat hij
eindelijk, op een van zijn zwervende namiddag-tochten in het veld, van
verre dokter Van der Muijt, flink-stappend en stokzwaaiend, naar hem toe
zag komen.
Zoodra de dokter hem ontwaarde, keerde hij zich grappig om, alsof hij
voor de onverwachte ontmoeting vluchten wou. Toen kwam hij weer op
meneer Vitàl af, sloeg met overdreven verbazing de armen in de hoogte en
riep, eensklaps pal-stil houdend:
"Dreum ik niet? Es 't wèl meneer Vitàl die 'k zie? Jongen, jongen, 'k
miende da ge deud waart of da ge te minsten aan 't ander einde van de
weireld zat?"
Meneer Vitàl glimlachte zwakjes:
"'t Es waar; 'k hè 'n beetse lijk ne kluizenoare geleefd, maar 'k ha euk
nog al 't ien en 't ander in orde te brijngen."
"La femme?.... affaire de femme?" schertste de dokter.
Meneer Vitàl kreeg een kleur als vuur. Zou die lamme De Reu dan toch
gepraat hebben? Wantrouwig-gegeneerd keek hij den grappigen dokter aan;
maar deze insinueerde toch niet verder. Hij drukte hartelijk meneer
Vitàl de hand, blijde hem terug te zien; en, half ondeugend nog, maar
met een ondertoon van ernst in 't vroolijk oppervlakkige van zijn
woorden:
"Tuttuttut! ge zoedt moeten treiwen; faudrait vous marier, mon cher. Es
da nou 'n leven veur azeu ne rijke jonkman op ne scheunen buiten heul
alliene! C'est la saison des amours! Tont pousse, tout fleurit! Heur ne
kier hoe scheune dat de veugelkes zijngen! Allons voyons, zoekt ou ne
kier 'n firm, scheun vreiwemeinsch uit. Est-ce que mademoiselle de
Saint-Valéry ne vous tente pas encore?"
Mademoiselle de Saint-Valéry.... Ook aan haar had meneer Vitàl den
laatsten tijd niet meer gedacht. En nu, onder de half grappige, half
ernstige woorden van den dokter kwam haar beeld opeens weer helder vóór
zijn geest gerezen, als een liefelijk symbool van troost en hoop in de
toekomst.
Het was eensklaps een vreemde gewaarwording in hem, 't idee leek hem zoo
gek niet meer, het scheen hem nu, dat ze veel dichter tot hem stond, in
een voor hem niet langer ontoegankelijke wereld. Hij glimlachte en
schudde 't hoofd om aan den dokter zijn schielijke emotie niet te laten
merken, en antwoordde slechts met een grapje op 't gezegde, stil-hopend
in zichzelf dat de dokter nu nog verder over 't onderwerp zou doorgaan.
Maar de dokter was alweer met andere dingen bezig. Hij uitte de klachten
van al die overige heeren omdat zij meneer Vitàl nooit meer zagen.
lederen avond zaten zij vruchteloos in hun vaste herbergen op zijn komst
te hopen en te wachten; en er was reeds tweemaal handboogschieting
geweest gevolgd van souper, waar zijn plaats ook telkens open was
gebleven. Die heeren wisten niet meer wat ze daarvan moesten denken. Was
meneer Vitàl dan boos op hen? Had iemand hem onbewust iets miszeid of
misdaan?
"Volstrekt niet," antwoordde meneer Vitàl. En hij beloofde dat hij
spoedig weer eens komen zou.
* * * * *