Eenige weken verliepen. 't Was volop winter geworden, het vroor en de
wit-glinsterende sneeuw lag wijduit over wegen en velden, verlammend
alle beweging, smorend alle geluiden van het ingedommeld landleven en
nog steeds had meneer Vitàl aan zijn voorgenomen reisplan geen gevolg
gegeven. Hij bleef maar hokken op het dorp, in den sleur van zijn
dagelijksch bestaan, waarin hij door gewoonte meer en meer verzonk.
Opstaan, zijn couranten lezen, uitgaan, eten, dutten, weer uitgaan en
weer eten, lezen en dan slapen, met daartusschenin de regelmatige
bezoeken aan Irma: 't was dag aan dag eentonig 't zelfde, alsof 't nooit
anders was geweest en ook nooit anders worden zou.
Of De Reu van zijn ontmoeting met Irma tegen die andere heeren gebabbeld
had, bleef voor meneer Vitàl een raadsel. Soms kwam het hem voor of hun
houding te zijnen opzichte eenigzins veranderd was, losser, vrijer, met
iets leuk-ondeugends, als van geheime medeplichtigheid in de schalksche
uitdrukking der oogen; maar dan weêr leken zij hem doodgewoon en hij
twijfelde. In elk geval was 't geen publiek schandaal geworden, zooals
hij 't eerste oogenblik, in zijn overdreven ontzetting van reeds
opspraakvreezenden dorps-burger geducht had. Geen mensch keek hem
schimpend of achterdochtig aan; en mademoiselle de Saint-Valéry, die hij
eindelijk weer eens in haar rijtuig was tegen gekomen, had nu duidelijk
en heel beleefd zijn groet beantwoord. Dat had hem goed gedaan; hij was
er iets in zijn achting door gestegen. Maar wat hij sinds dien gekken
nacht niet uit kon staan, was de opdringende familiariteit van De Reu.
Voortdurend wilde die daar weer over beginnen, met halve toespelingen en
geheime knipoogjes, ook in tegenwoordigheid van die andere heeren, alsof
er tusschen hen een eedverbond was aangegaan, dat hen voortaan, als
onscheidbare trawanten, aan elkander hechtte. Meneer Vitàl wist soms
geen raad hoe hij de conversatie telkens weer zou afleiden; hij
ontvluchtte letterlijk De Reu; hij zou een straat zijn omgegaan om hem
niet te ontmoeten en bovenal vreesde hij hem tegen te komen in de stad,
waar de ontvanger, door zijn betrekking, nog al vaak genoodzaakt was
zich te begeven. Ook schrikte hij niet weinig, op een ochtend, toen hij,
van een wandelingetje rond zijn tuin naar huis terugkeerend, eensklaps
den geduchten indringer langs een allee, door Netje geloodst, met vlugge
schreden naar hem toe zag komen. Wat was dát nu? Wat beteekende die
ontijdige en meer dan onbescheiden invasie, dat ongewenschte opsporen
tot in de intimiteit van zijn tuin? Zijn wenkbrauwen fronsten zich van
ergernis, hij zou Netje eens duchtig de les lezen. Maar reeds was Netje,
haar meester ziende, verdwenen en De Reu stond vóór hem, 't gezicht ook
zeer gewichtig en de wenkbrauwen gefronst, alsof hij hem iets
hoogst-belangrijks mee te deelen had.
"Wat es er?" vroeg meneer Vitàl, verwonderd en eenigzins verontrust hem
de hand gevend.
De Reu loerde even wantrouwig om naar Netje, die in huis verdween; en
dan, geheimzinnig, terwijl hij even, naast meneer Vital, als 't ware
instinctmatig, naar de diepte van den tuin terugkeerde:
"Wat dat er ès? Da ge bedrogen wordt! 'K hé 't gezien!"
Stom-verbaasd en even roerloos midden op het pad, keek meneer Vital den
ontvanger starend aan. "Bedrogen! Deur wie?" vroeg hij eindelijk.
"La femme avec laquelle vous étiez l'autre soir au restaurant!"
verklaarde plechtig De Reu.
Meneer Vital voelde de kleur van zijn gezicht wegtrekken en zijn hart
begon eensklaps onstuimig te jagen. En De Reu, de gebaren overtuigend en
't gelaat zwaarwichtig, vertelde, terwijl zij werktuigelijk weer verder
doorliepen:
"'K hè ze gisteren, koart noar de zessen, uit d'achter-sortie van
't Hôtel des Princes zien komen, mee ne jonge keirel van 'n joar of vijf en
twintig bij heur."
Het was meneer Vitàl te moede of de grond onder zijn voeten wegzonk.
Stom-machinaal, de oogen strak ten gronde, 't gelaat eensklaps hoogrood,
liep hij nog enkele passen door, en vroeg dan, kortaf, bruusk, als in
een schok weer naar De Reu opkijkend:
"Zij! zij!.... Zij-je wel zèker da ze 't zij was?"
"Zeu zèker of da 'k hier nevens ou leupe! 'k hè heur direkt herkend!"
"Mee ne man uit 't Hótel des Princes komende? Al achter?"
"Al achter; deur de sortie van 't Mandestroatsen."
"En hoe zag die man d'r uit?"
"Ne jonge keirel, lijk of ik ou gezeid hè, 'n jaar of vijf en twintig.
Ne chic-que** cadet**, lank, dun en heul donker, mee 'n gekruld zwart
moustaschken."
Meneer Vitàl zei niets meer, dacht even met jagende inspanning na. De
Reu kón zich vergist hebben, maar, zooals hij 't vertelde, klonk het
heelemaal naar mogelijkheid en waarheid. Dat Hôtel des Princes had een
welbekende, verdachte reputatie en Irma zelve vertrouwde hij in
't geheel niet. Hij achtte haar tot alles in staat. Even liep hij zwijgend
door, het hoofd vol verwarde plannen en gedachten, het hart steeds
wild-onstuimig kloppend. Toch bleef hij uiterlijk heel kalm en eensklaps
hield hij stil en staarde weer De Reu strak aan, de schouders
opgetrokken en de handen open, als om te betuigen, dat hij het niet
helpen kon.
"Merci pour le renseignement; je prendrai mes mesures," zei hij
eenvoudig.
De Reu, die blijkbaar heel wat anders verwacht had, keek hem verbaasd en
teleurgesteld aan.
"Ge 'n meug het mij niet kwoalijk nemen; 'k hè 't gedoan om ou nen
dienst te bewijzen," stamelde hij.
"Natúúrlijk niet, natúúrlijk niet; 'k ben ou integendeel heul dankboar,"
verzekerde meneer Vitàl. Maar zonder verdere uitleggingen keerde hij
zich om en leidde De Reu weer naar het huis toe.
"Un verre de porto?" vroeg hij, toen ze in den gang waren.
"Merci, 't es nog te vroeg," bedankte De Reu onthutst.
"Eh bien, alors, merci encore et entre nous, n'est-ce pas?" besloot
meneer Vitàl, den wijsvinger op zijn lippen drukkend.
"Natúúrlijk, da weet-e wel, e-woar? Allons, bonjour, mesieu Vitàl. Zien
we mallekoar van den avond in d'Ope van Vrede?"
"'K peis 't toch. Bonjour."
Meneer Vitàl kwakte de voordeur dicht en ging naar zijn studeerkamer.
* * * * *
Hij werd dus bedrogen....! Dàt wat hij steeds gedacht en gevreesd had
was nu bewaarheid en nu had hij meteen ook de besliste, lang-gewenschte
reden om definitief met haar af te breken. Het liet hem alles
wonder-kalm. 't Was of het niet tot hem kon doordringen. En toch
twijfelde hij niet; hij voelde intuïtief en instinctmatig dát het zoo
was.
Het wàs zoo, maar het hielp hem nog niet veel, zoolang hij 't niet
bewijzen kon. Niets zou het hem baten of hij thans naar haar toe ging en
haar beschuldigde. Zij zou 't eenvoudig loochenen. Wel kon hij naar
't hotel gaan, onderzoeken, ondervragen; maar, behalve dat hij wellicht,
ook niet op die manier, achter de waarheid komen zou, stuitte hem dat
middel, als onwaardig, tegen de borst. Neen; maar er was een andere
uitkomst en hij zou trachten De Reu daarvoor te spannen.
Hij dacht er even over na en was al gauw besloten. Jammer dat hij De Reu
zoo kort had weggedreven; doch de man was te dikhuidig om gekrenkt te
zijn en door een briefje met Netje liet hij hem weer ontbieden.
De dorpsontvanger kwam, luisterde gewichtig, knikte herhaaldelijk
toestemmend met het hoofd. Hij begreep wat van hem verlangd werd en zag
er niet tegen op om de uitvoerder te zijn.
"Zij gerust, loat mij moar begoan, ik zal ou veur 't feit stellen**,"
beloofde hij.
Zij maakten een afspraak. Meneer Vitàl zou aan Irma schrijven, dat hij
voor enkele dagen met zijn vrienden op jacht was. Zij zou er zich hoogst
waarschijnlijk door laten vangen en er niet aan denken dat de jacht
gesloten was. De Reu, van zijn kant, zou een of meer kellners of
kamermeisjes omkoopen; en zoodra Irma met haar lief weer in het hotel
was--wat zij zeker niet lang zou uitstellen--, zou naar dokter Van der
Muijt, die telefoonverbinding had, een afgesproken bericht voor meneer
Vitàl worden geseind, waarop deze onmiddellijk met zijn auto naar de
stad zou rijden.
Zoo werd besloten. Meneer Vitàl schreef aan Irma dat hij voor drie dagen
op reis ging, gaf haar meteen, om haar nog beter om den tuin te leiden,
een bedriegelijk poste-restante-adres op in een klein plaatsje over de
Hollandsche grens en verwittigde dokter Van der Muijt dat hij een
dringend telefoon-bericht verwachtte, dat hem zoo spoedig mogelijk na
ontvangst moest worden medegedeeld.
Intusschen ging De Reu naar de stad om daar alles te beredderen. Met den
laatsten trein kwam hij terug, triomfantelijk. Alles was in orde, hij
had een garçon en een kamermeisje omgekocht; gehoord, dat Irma en haar
lief daar sedert enkele weken dikwijls kwamen, meestal tusschen zes en
acht en steeds op dezelfde kamer, die vast aan den heer verhuurd was: en
onverwijld had De Reu, voor één week, de kamer vlak daarnaast gehuurd.
Het afgesproken telefoon-bericht met dokter Van der Muijt werd overbodig
en zou toch feitelijk ook te veel tijd vorderen; meneer Vitàl moest er
maar elken middag heen rijden, op zijn kamer zitten en er wachten tot de
anderen daarnaast kwamen, wat onvermijdelijk al heel spoedig gebeuren
zou. Alles was er door het kamermeisje en den kellner uitstekend
geregeld; een propje zat in 't sleutelgat der binnendeur tusschen de
twee vertrekken; hij had het er maar uit te nemen als zij binnenkwamen
en hij zou alles hooren en zien....
"En ge zij nog altijd zeker da ze 't zij wel es en gien ander?" vroeg
meneer Vitàl nog even twijfelend.
"O, absoluut! zekerder dan oeit!" bevestigde De Reu, over meneer Vitàls
twijfelvraag verwonderd.
Meneer Vitàl fronste de wenkbrauwen en staarde peinzend voor zich uit.
Een vreemde werking begon in hem te ontstaan, de langzaam aangroeiende
en stekende prikkel van jaloezie, van spijt en toorn, waarvan hij, tot
zijn eigen verbazing, in 't eerste oogenblik niets had gevoeld. Hij
dankte De Reu voor zijn moeite, trachtte hem nu weer, zoo spoedig
mogelijk, weg te krijgen; en toen dit gelukt was, ging hij, in de
nachtelijke duisternis en kou, over zijn besneeuwde tuinpaden eindeloos
heen en weer loopen.
Wie wist of zij het toch wel geweest was en niet een andere die op haar
leek? Hoe gemakkelijk kon De Reu, die haar toch maar één keer, en dan
nog in avondtoilet gezien had, zich niet vergist hebben? Waarom ook zou
ze 't doen? Zij had er immers alle belang bij, hem, die nu zoo rijk was,
en van wien ze zooveel kreeg, getrouw te blijven. Waarom dan toch? Uit
louter valschheid, slechtheid, depravatie**?--Of uit liefde?.... een
nieuwe, groote, sterke liefde! Meer en meer ging hij twijfelen; en met
den twijfel kwam weer de vage hoop dat het alles maar waan en vergissing
was. Die twijfel en onzekerheid werden hem onuitstaanbaar en vurig
verlangde hij naar den volgenden dag. Al zijn eerste kalmte was opeens
verdwenen, veranderd in een jagende, kwellende woeling, die hem geen
oogenblik met rust meer liet. Den ganschen nacht kon hij niet slapen en
van in den vroegen ochtend liet hij De Reu weer halen om met hem naar de
stad te rijden en samen die kamer te gaan zien. 't Idee dat hij nu zelf
en heel alleen, met dien omgekochten kellner en die kamermeid de
knoeierij verder zou moeten klaarspelen, was hem zóó ondragelijk dat hij
't nog liever alles maar op zijn beloop liet. Maar De Reu vroeg alweer
niets beter dan zich nog intiemer in dat vieze zaakje te mogen mengen;
en samen vertrokken zij in den namiddag, omstreeks vier ure, met meneer
Vitàls automobiel naar de stad.
Nauwelijks waren zij op de door De Reu gehuurde kamer of de omgekochte
kellner klopte aan en kwam hun deftig-mysterieus meedeelen, dat de kamer
daarnaast dien middag weer voor het verliefde paar in orde was gebracht.
Meneer Vitàl werd bleek. Zou het dan toch waar zijn? Zou zij er
werkelijk komen, zij, Irma, zijn maîtresse, met een anderen man! Het
leek hem eensklaps iets monstrueus, iets onmogelijks, iets dat niet kon
gebeuren. Maar de kellner ging naar de binnendeur, peuterde iets uit
't sleutelgat, wenkte stil meneer Vitàl bij zich. Meneer Vitàl naderde,
boog voorover, zag, door het gaatje, in de kamer daarnaast, een bed met
wit behang en witte sprei. Werktuigelijk knikte hij met het hoofd,
richtte zich op, ging van de deur weg. De kellner stopte 't propje weer
in 't sleutelgat en verdween geluidloos.
"'t Es goed, 'k zal hier wachten," zei meneer Vitàl tot De Reu, met
schor-hikkende stem.
De Reu knikte goedkeurend en ging insgelijks weg. Hij zou beneden, in
't café, de couranten lezen en er blijven tot meneer Vitàl terugkwam.
Meneer Vitàl, alleen in de kamer, ging werktuigelijk voor een der ramen
staan, die uitzicht hadden op het stationsplein.--Van tusschen de
half-weggeschoven gordijnen zag hij de gewone drukte van rijtuigen en
reizigers om 't stationsgebouw en 't rijtje vrouwen op 't trottoir onder
de marquise**, die er met breede manden sinaasappelen en koekjes te koop
zaten. Hij hoorde ook 't geschreeuw van de couranten-venters, die met de
wapperende bladen in hun handen de haastig-aankomende reizigers tegemoet
liepen. Maar 't warde en draaide en gonsde alles dooreen in zijn suizend
hoofd en vóór zijn schemerende oogen. Niets was helder, alles ruischte,
wemelde en bruisde; en alleen zijn hart voelde hij haastig-gelijkmatig
tikken in steeds sneller-gejaagde kadans, met duidelijk-voelbare, korte,
vlugge bonsjes, als een niet te stillen, sarrend mekaniek-werk. Soms
stond hij enkele minuten als versuft te soezen, dof-starend in de grijze
schemering, die zich van lieverlede in 't verschiet doorspikkelde met
lange risten twinkelende lichtjes; en plotseling schrikte hij dan op,
meenend dat hij iets gehoord had in de kamer daarnaast,
scherp-luisterend, in strakgespannen houding naar het sleutelgat,
waaruit hij 't propje even wegnam, gebogen. Maar telkens was 't een loos
alarm en de tijd verliep, het werd al laat, weldra gansch donker; en in
langzaam-kalmeerende stemming begon hij meer en meer te denken en te
hopen dat er niets gebeuren zou en ook opnieuw te twijfelen of er
vroeger wel ooit iets gebeurd was, toen hij plotseling, heel héél
duidelijk, en zonder den minsten twijfel ditmaal, de kamerdeur daarnaast
hoorde open gaan, een lichtsprank door het sleutelgat zag glimmen en een
stem hoorde, háár stem, die luid en vroolijk iets uitgalmde, dat hij
niet dadelijk verstond,
't Was of hij eensklaps blind en doof werd. Hij wankelde, hield even
zuchtend, met dichte oogen, zijn beide handen om de leuning van een
stoel geklemd. Maar met wilskrachtige inspanning richtte hij zich weer
op, schoof den stoel weg, hurkte bij de tusschendeur neer, haalde met
bibberende, zwakke vingers, 't propje uit het sleutelgat en keek.
Hij zag eerst niets dan het onderste van twee donkere beenen, en twee
voeten met glimmende, verlakte laarzen, naast de neerhangende plooien
van een schelroode, hem welbekende japon. Dat alles stond daar een
oogenblik onbewegelijk, in de helder-verlichte kamer, als 't ware niet
behoorend bij levende personen; maar eensklaps plooiden zich die beenen,
terwijl de japon in rimpels scheen te zinken; en, zich dieper buigend,
zag hij ook de twee busten en de twee gezichten, die elkaar
hartstochtelijk zoenden, zijlings neergebogen op den sponderand van
't bed. Haar stem klonk even op, in zoen-gesmoor dof giegelend; en
plotseling was het hem te moede alsof het rood van haar japon vloeiend
en dampend bloed werd: hij schokte overeind, bonsde met zijn beide
vuisten op de tusschendeur, schreeuwde, als gek, niet meer wetend wat
hij deed, zoo hard hij kon:
"Schei uit! smeerlappen! schurken! Schei uit! Schei uit!"
Hij hoorde een gil, een dof gestommel, 't gejoel als van een vlucht. Maar
hijzelf gilde, stootte en bonsde nu aldoor als een krankzinnige, steeds
wilder en steeds harder, beukend op de deur tot deze eindelijk inkraakte
en hij binnen in de kamer stormde, vliegend als een dolle stier naar
't bed, dat hij knarsetandend uit elkaar rukte.
Vlugge stappen kwamen door de gangen aangehold, angststemmen
weerklonken, twee, drie kamermeisjes en kellners rukten met geweld naar
binnen, grepen meneer Vital bij 't lijf en hielden hem onder bedwang,
terwijl gezagvoerend een heer optrad, lijkbleek, bevend van woede, de
oogen fonkelend, de stem heeschkrijschend, met hikkende stooten:
"M'sieu!.... qui êtes-vous?.... Tenez-le vous autres!.... Ne le lâchez
pas!.... Louis.... allez chercher.... le commissaire de police!....**
Meneer Vitàl, als 't ware eensklaps verlamd, maakte geen beweging, uitte
geen klank meer. Hij stond daar, verwilderd, met bloedende handen, te
hijgen, als begreep hij zelf niet, wat met hem gebeurd was. Hij wilde
spreken en kon niet; hij wrong zich om aan de knelling van de kellners
te ontkomen; maar De Reu, die het spektakel van beneen** gehoord had en
terstond naar boven was gehold, drong driftig door de schaar bedienden,
nam meneer Vitàl bij den arm en wenkte den directeur van 't hotel met
zich mee om uitleggingen te verstrekken.
"Allez!" zond deze, plotseling gekalmeerd, met een gebiedend, kort
gebaar, kellners en kamermeiden weg.
Hij volgde, 't gezicht weer streng en deftig, ondoordringbaar, meneer
Vitàl en De Reu in de kamer en deed de deur op slot.
In dof gegiegel** en gestommel liepen kellners en kamermeisjes door de
plotseling weer stil-geworden gangen uit elkaar.
* * * * *