1) Café-chantant

Verbluft keek zij hem aan en even had hij leedvermaak in haar onthutste

verbazing. Doch verder liet ze zich uit 't veld niet slaan en schimpte

weer:

"Et il y en a encore comme ca**, avec de beaux chapeaux, et des ongles en

deuil, et d'aussi belles manières?"

Zij prononceerde: "oncles en teuil," en "pelles mannièr;" en hij had er

een nijdige pret in en schertste spottend:

"Oui, et aussi des tantes teuil!" Maar hij zag aan haar verbauwereerd

gezicht, dat zij hem niet begreep en hij zweeg, voelend dat zij van

háár standpunt wel eenigszins gelijk had. Hij zelf, in deze omgeving,

merkte nu ook eensklaps wat voor een pummel zoo'n De Reu toch was en tot

welk onverkwikkelijk gezelschap hij van lieverlede in zijn

dorps-versuffing was afgedaald; en hij voelde zich erg klein en

vernederd, vooral omdat het in haar bijzijn was gebeurd. En wat hem

't meest van al nog ergerde en verveelde was dat die kerel nu zijn liaison

ontdekt had en er zonder twijfel met die andere heeren over zou gaan

babbelen. Hij overdreef in zichzelf de mogelijke gevolgen. Het zou een

nieuwtje, een schandaaltje worden; het heele dorp zou er van samen

loopen, men zou hem met den vinger nawijzen, mademoiselle de Saint

Valéry zou er van hooren... Die laatste onderstelling was hem plotseling

onuitstaanbaar en meteen werd hij woedend op zichzelf, omdat hij zich

zoo opwond over iets, dat hem toch eigenlijk niet schelen kon. Hij was

jong en vrij; had hij dan niet meer het recht te leven zooals 't hem

behaagde? En met misnoegd gezicht keek hij nu weer naar Irma, die,

zonder zich eenigszins boos te maken, onmeedoogend voortging met haar

plagen:

"Et tu retournes avec lui? Tu aimes mieux ça que de rester près de moi?"

"Je l'ai promis, maintenant!" haalde hij wrevelig zijn schouders op.

"Mais, il attendra! Oh! il attendra!"

"Merci, t'es bien gentil," dankte zij spottend, zonder aan te dringen

dat hij toch bij haar zou blijven.

Wantrouwig keek hij haar aan, Zij had soms van die "colères froides",

waar hij erger tegen opzag dan tegen wilde en gemeene uitbarstingen, te

meer omdat 't dan doorgaans toch met wilde en gemeene uitbarstingen

eindigde. Maar toch: ditmaal deed ze wel héél vreemd. Zou ze misschien

van de gelegenheid gebruik willen maken om.... Hohó! als ze dàt

durfde....

De kellner naderde met een schotel voor hen en meneer Vitàl zei niets

meer. Ook Irma zat nu even weer stilzwijgend en zij aten langzaam,

zonder vroolijkheid, elk in zijn gepeinzen; en zijlings achter zich

hoorden zij het gulzig en ongemanierd slikken van De Reu, die reeds

bediend was. Af en toe keek Irma vagelijk in die richting op en dan kwam

een klein, minachtend glimlachje over haar lippen. De Reu was trouwens

al heel spoedig klaar. Meneer Vitàl hoorde hem met den kellner afrekenen

en daarna opstaan. Hij zag hem in een spiegel zijn voddigen hoed

opzetten, zijn overjas aantrekken en, met een sigaar in den mond, weer

naar hun tafeltje toe komen.

"Donc, à onze heures, au garage, hein?" riep hij in 't voorbijgaan.

Meneer Vitàl knikte, kort en koel, zonder antwoord.

De Reu keek even scherp naar Irma, met schalksche en tevens bewonderende

oogen, die duidelijk wilden zeggen, dat hij heel de toedracht best

begreep en er zijn goedkeuring aan gaf. Hij keek zich nog eens in een

spiegel aan, of hij zich heel mooi vond; en weg was hij, een walm

stinkende sigaar-lucht over hun tafeltje na zich waaiend.

"Pouah!" deed Irma, met een gebaar van walging den rook wegdrijvend.

Koel staarde meneer Vitàl haar aan. Hij was op het punt haar iets

hatelijks te zeggen over haar destijds café-chantant-meid-zijn, die

heele nachten leefde in stank van rook en van drank, maar hij wist zich

te beheerschen. Hij was vooral nu op haar gebeten, omdat ze niet eens

aandrong hem dien nacht bij zich te houden. Had ze 't gevraagd,

onmiddellijk zou hij, alle mogelijke dorpspraatjes en zelfs de

eventueele brouille met De Reu trotseerend, heel zijn plan veranderd

hebben; maar nu ze zoo stug bleef, en geen de minste spijt liet blijken,

was hij zelf veel te trotsch en te boos om het haar nog aan te bieden,

terwijl hij toch voortdurend met inspanning en vol wantrouwen zat te

tobben en te zinnen over wat de reden van haar onverschilligheid mocht

zijn.

Het was tien ure. Zij waren klaar met hun souper; hij betaalde, zij

stonden op en verlieten 't restaurant.

"Que vas-tu faire maintenant?" vroeg hij, na een poos vijandig

stilzwijgen, toen zij een eind gegaan waren.

"Rentrer chez moi, donc; me coucher," antwoordde zij heel natuurlijk,

alsof 't van zelf sprak.

"Zou ze mij nu toch waarlijk niet vragen om te blijven?" dacht hij,

bevend van inwendigen toorn.

Maar zij vroeg het in 't geheel niet, net zoo stug en onvriendelijk als

hij zelf was. Alleen toen ze voor haar deur stond vroeg ze eenvoudig,

als uit stricte beleefdheid:

"Tu ne montes pas un instant?"

"Non," zei hij, koel en kort.

"Bonne nuit, alors.--A demain?"

"Bonne nuit," antwoordde hij enkel.

Zij gaven elkaar een kouden schamp-kus en zij ging binnen en sloot haar

deur.

Het was weer, voor de zooveelste maal, de druilende brouille.

* * * * *

Vloekend liep meneer Vitàl met breede, vlugge passen heen. Hij wist niet

op wien hij 't meest verwoed** was, op Irma, op dien lompen De Reu, of op

zichzelf. Hij voelde zich belachelijk en stom van 't begin tot het eind;

hij had zichzelf wel kunnen ranselen. Was er dan niets geen trots meer

in hem, dat hij zich zoo als een knecht liet gebruiken? En nu nog dien

ellendigen terugtocht met de onvermijdelijke banale gesprekken, met de

gedwongen beleefdheden en natuurlijk ook de onbescheiden uitvorschingen,

die hij vanwege De Reu te wachten had. Wat moest hij hem daar nu van

vertellen: alles of niets? Niets was wellicht nog 't gevaarlijkste, want

dan zou de kerel voorzeker gaan babbelen. 't Beste was nog maar er

luchtigjes over te spreken, als over iets heel gewoons en hem te

verzoeken er in 't dorp niet van te reppen.

Met dit besluit kwam hij in de garage aan. De Reu was er reeds, gaperig

geïnteresseerd door een groote automobiel, die daar, van een drietal

aandachtig-toeziende heeren omringd, in een hoek onder convulsieve

schuddingen stond te bruisen en te ploffen, als een stuiptrekkende

reuzen-patient in een consult van doctoren; en, zonder zich met hem te

bemoeien, ging meneer Vitàl, om het zoo kort mogelijk te maken, naar

zijn eigen wagen en zette den motor in gang, waarbij die heeren bij den

zieken auto omkeken en De Reu ook dadelijk naar hem toegeloopen kwam.

"Kijk kijk, zij-je doar al dan? 'K 'n hè ou nie zien komen!" riep De Reu

verbaasd.

"Joa, we 'n goan nie langer letten**, e-woar? 't wordt al loate," zei

meneer Vitàl, haastig zijn lantarens aanstekend, zonder den ontvanger

aan te kijken.

"Bon, bon, lijk of ge wilt, hoe ier hoe liever veur mij. Zijn we

geried?"

"Joa w', stap moar in."

Meneer Vitàl nam 't stuur in handen en De Reu ging naast hem zitten, zoo

warm mogelijk geduffeld in zijn schrale overjas met overeind-gezetten

kraag. De motor schuifelde en zij reden weg.

De straten waren bijna leeg, niets hinderends kwam in den weg en meneer

Vitàl liet den wagen maar snorren, in volle vaart.

"Pas de vitesses folles, hein?" klappertandde De Reu van onder zijn

dicht-toegetrokken kraag.

"N'ayez pas peur," grinnikte meneer Vitàl in 't ruischend vliegen van

den wagen. Hij was vast besloten met alle geweld door te stoomen om zoo

gauw mogelijk van De Reu verlost te zijn en zooveel het kon zijn

onbescheiden en geducht gebabbel te beletten. Hij zou hem wel de lust

ontnemen nog eens mee te rijden; dat zou zijn wraak-nemend leedvermaak

wezen.--De auto hoste letterlijk over de straatkeien, in enkele minuten

waren zij buiten de stad; en daar, in de rechte lijn, tusschen de

dubbele rij, weerlichtend bij het schijnsel der lantarens wegstormende

boomen, liet hij den wagen snellen, dat hij als een kogel door de lucht

floot.

"Nom d'un chien!" bibberde De Reu.

Meneer Vitàl hield zich of hij 't niet hoorde en liet maar volop gaan.

Stil zat hij in 't razend gedruisch onder zijn zwarten bril te

grinniken. De Reu, den adem afgesneden, kon geen woord meer spreken en

meneer Vitàl zag hem de beide handen klemmen om zijn deukhoed, waarvan

de voorrand als een blinddoek op zijn voorhoofd en zijn oogen lag

geflapt. Als een orkaan schoten zij door een doodstil, ingesluimerd

gehucht met een paar zwakblikkerende lantarens tegen witgekalkte

huizengevels; maakten, te nauwernood hun vaart vertragend, een scherpe

bocht waarbij De Reu, te laat gewaarschuwd, met een gil zijn beide

handen grijpend uitsloeg en bijna uit het rijtuig slingerde; en na nog

enkele bochten met een paar stille gehuchten en dan weer een lang,

recht, eind als van waanzinnig vliegen, kregen zij eindelijk het verre

dorp in 't zicht. Meneer Vitàl vertraagde eensklaps aanzienlijk zijn

vaart en liet De Reu even op adem komen.

"Aïe mij," zuchtte de ontdane ontvanger; "'k miende dan 't om deud was."

Meneer Vitàl glimlachte, in het nu rustig zoemen van den wagen:

"Hij vliegt, hè?"

"Aïe mij," herhaalde De Reu bibberend en nog buiten adem.

Meneer Vitàl nam de gelegenheid te baat om hem over de ontmoeting met

Irma te spreken.

"Zeg, ontvanger, 't gien da ge van den oavend gezien hèt, blijft onder

ons, hè? Aan die ander hieren nie vertellen."

"Zij-je nie wijs dan!" protesteerde De Reu bijna beleedigd. "Da zijn ou

affeirens, e-woar? Mais quelle femme, nom d'un chien! Quel chic! Mijn

kompliment, zulle! G'hèt verdeeke wel gelijk da g'ou nie 'n zjeneert! Da

'k in ou ploatse woare 'k zoe nog...."

Meneer Vitàl zette plotseling weer harde versnelling op, de wagen vloog

en schuifelde, De Reu, zijn deukhoed met den voorrand over 't oog

geflapt, werd weer den adem afgesneden.

Zij waren trouwens aan den ingang van het dorp. De auto snorde door een

eindje van de stille straat, draaide rechts om over de plaats, hield,

met een korten schok, vóór de deur van De Reu's woonhuis stil.

"Merci, mesieu Vitàl, merci bien," zei De Reu, bibberend uitstijgend.

Meneer Vitàl beantwoordde nauwelijks zijn groet. Terwijl De Reu in zijn

huis verdween, deed hij zijn wagen keeren en reed weg.--Een plotse idee

was, als bij ingeving, in hem ontstaan. Hij aarzelde geen oogenblik. Op

het dorpsplein, in plaats van rechts naar huis te rijden, zwenkte hij

links om en vloog in volle vaart het dorp weer uit.--Hij keerde naar de

stad terug! Als een donderslag zou hij bij haar invallen, die hem nu

stellig niet meer kon verwachten; en wee haar, indien ze met een ander

was!

De wagen schuifelde, de phares boorden hun helle lichtstralen door de

donkere ruimte, wegmaaiend, als met een reuzen-vuurzeis, de even fel

beschenen boomstammen, de klaterende heesters, de witte-en-roode

huisjes, die als hollende en dansende speeltuigjes, met al hun

blikkerlachende kleine ruitjes naar hem toegevlogen kwamen. Hij reed als

op leven en dood, een roekelooze verbittering deed hem alle gevaar

negeeren, 't kon hem niet schelen wat er ook gebeurde, zijn leven was

hem eensklaps 't leven niet meer waard; hij had geen doel, geen richting

in zijn leven; hij was een ellendige zwerver, armer, honderdmaal armer

met al de schatten van Nonkelken, dan toen hij werkelijk als behoeftig

student een moeielijk, en wel wat verloopen, maar toch vroolijk en

kommerloos leventje leidde.--Waarom nu weer dat wilde en gevaarlijk

snorren door den nacht! Voor die meid, waar hij niet eens meer van hield

en die hij nu alleen verlangde uit jaloezie en wraakgenot, omdat ze

wellicht bij een ander zat! Hij voelde het onsamenhangende, het

tegenstrijdige van alles wat hij deed; hij leefde in een bestendige en

rustelooze aberratie**; hij verspilde al de beste krachten van zijn wezen

aan niets, aan niets! En hij wist het, hij was 't zich volkomen en

helder bewust en had de kracht niet meer tegen zijn vernedering te

vechten. Hij was zwak, hij was laf, iets knelde en drukte hem, iets waar

hij machteloos tegen grijnsde en knarsetandde, iets dat hem in de laagte

hield, gebukt en gedrongen, als onder een knijpenden, ijzeren klauw.

De motor dreunde en meneer Vitàls hart klopte onstuimig-bonzend in die

wilde vlucht en het was hem te moede of hij een der grootste en

gewichtigste gebeurtenissen, het fatum zelf van zijn leven te gemoet

snelde. Vurig verlangde hij nu plotseling naar haar: haar spottende

blikken, haar honend gemok, haar onverschillig afscheid, haar vicieuze

schoonheid, zelfs het gemeene en lage in haar, alles was hem opeens tot

hevigen prikkel geworden, een prikkel, die verscherpte, tot folterens

toe, naarmate hij naderde en zich als 't ware handtastelijk, in

onuitstaanbaar vlijmende tafereelen, haar verraad met een ander

voorstelde.

Hij zag weldra de lichten twinkelen van de verre stad en met het geweld

van een orkaan kwam hij door de eerste straten gestormd. Nauwelijks zijn

dolle vaart verminderend, reed hij door de doodsche straten, stak dwars

over het plein, zwenkte rechts om, reed de nog open poort van de garage

binnen.

Dezelfde heeren stonden er nog, als gewichtige consult-doctoren, om de

steeds convulsief-schuddend-en-ploffende reuzen-auto. Hij groette

nauwelijks, sprong uit zijn wagen, zei aan den knecht, dat hij eerst den

volgenden ochtend zou vertrekken en rukte de straat in.

Na enkele minuten stond hij vóór de dicht-gesloten deur van 't dood

sigarenwinkeltje. Hij belde aan, trappelend van ongeduld.

Een bovenraam ging open, een vaag-witte verschijning helde voorover, een

stem vroeg, wantrouwig, kort, met boos-gestoorden klank:

"Wie es er doar?"

"Ik, mademoiselle."

"O, meniere!" zei de stem, eensklaps veel zachter. "Wacht, meniere, 'k

zal direkt opendoen."

Als een lavende vrede, zonder dat hij zelfs begreep waarom, vielen die

enkele woorden op meneer Vitàl's onstuimig jagend hart. Hij slaakte een

diepen zucht. 't Was of de kalme zachtheid van die stem reeds in

zichzelf een goede tijding bracht. Het raam werd gesloten en hij hoorde

stappen naar beneden komen.

"Bonsoir, meniere," fluisterde 't meisje, zich half achter de

zachtjes-geopende deur verscholen houdend.

"Bonsoir, mademoiselle."

Hij vloog naar boven, de twee étages op, en tikte aan haar deur.

Geen antwoord.

Hij meende flauw te vallen. Hij tikte opnieuw.

"Qui est là?" vroeg eensklaps een heldere stem, háár stem.

"C'est moi," hijgde hij schor.

Een kraak van 't bed, enkele vlugge stappen dof over 't tapijt en de

sleutel draaide zacht om in het slot.

"Toi! Que viens-tu faire à cette heure? Je te croyais dans ton village!"

Hij lette op haar spotten niet, 't kon hem niet schelen. Zij was alleen,

dat maakte alles goed.

"Viens, viens, viens," zei hij enkel, hartstochtelijk haar zoenend.

De verre torenklokken sloegen langzaam-galmend twaalf ure over de stilte

van de groote stad....

* * * * *

't Bolleken · 第 13 / 36 题