Meneer Vitàl was met Irma uit.
Zij hadden een paar nummers van een vertooning bijgewoond in de
Variétés, maar het verveelde hen en zij waren in een restaurant gaan
souperen.
Zij zaten in een hoekje, door een eikenhouten schut als in een apart
hokje afgezonderd en zij aten oesters en dronken champagne. Irma was
mooi gekleed, een ietsje te opvallend, zooals ze nu deed sinds ze zich
meer luxe kon permitteeren; maar zij zag er wel knap uit, met haar
donkere oogen en haar sierlijk-gekapte donkere haren, waarop, licht en
elegant, een héél teerroze, fijne, schitterend-gepailletteerde hoed met
witte struisveer stond.
Zij wou de chicque dame uithangen, dien avond, dat zag en voelde hij in
heel haar doen, in haar houding en manieren, in de
aanmatigend-geraffineerde wijze, waarop zij at en dronk en met iets
gewaand-superieurs om zich heen keek; en 't ergerde en prikkelde hem
vagelijk, omdat hij te goed wist, dat het een leugen was, dat ze heel
anders was; omdat hij haar maar al te vaak had bijgewoond, half-dronken
van champagne, schetterend als een straatmeid die ze was, of scheldend
als een vischwijf, wanneer ze kwaad begon te worden.
Hij zei niet veel, maar keek soms schichtig naar haar op, zich afvragend
of hij 't zoo wel den ganschen avond met haar uit zou kunnen houden en
of hij niet beter zou doen na het souper weer te vertrekken, in plaats
van tot den volgenden ochtend bij haar te blijven, zooals eerst
afgesproken was. Weer hadden zij den laatsten tijd herhaaldelijk
standjes en wanneer ze niet in een van de twee uitersten: gekibbel of
minnekoozerij vervielen, lag er dikwijls tusschen hen een stilte van
norschzwijgenden wrok, die dan niet te overwinnen was. Meer en meer
dacht hij er weer over om beslist en voor altijd met haar te breken,
zoodra zich een gelegenheid daartoe zou voordoen.
Eensklaps schrikte hij hevig uit zijn ietwat stugge houding op en
staarde met onthutst-verbaasde oogen naar den ingang van het restaurant.
Een soort buitenheer was binnengekomen, vrij slordig gekleed, met
openhangende, grijs-gele overjas, slappe deukhoed en bemorste schoenen,
en die, met een gecontrariëerde** uitdrukking op het gezicht, even
aarzelend bij de deur bleef staan alvorens plaats te nemen. Meneer Vitàl
hoopte nog, dat hij hem niet zien zou en keek strak op zijn bord, maar
de ongewone expressie van zijn oogen deed ook Irma even omkijken, en
daardoor werd de aandacht van den vreemdeling getrokken, die plots
meneer Vitàl ontwaarde en meteen, als tot een redder, naar hem toe kwam.
"Ah! nom d'un chien!" bromde dof meneer Vitàl, die van zijn kant
terstond een van zijn dagelijksche dorps- en kroeg-gezellen: den
ontvanger De Reu herkend had.
De kerel stond al vóór hem. Hij groette, plomp en boersch, terwijl een
uitdrukking van diepe verbazing op zijn gezicht kwam, met een vlug
gebaar naar zijn vulgairen deukhoed, Irma, die slechts heel even uit de
hoogte en minachtend naar hem opkeek; en, zonder zich te laten
voorstellen noch excuseeren, of eenige verdere notitie van haar te
nemen, lei hij zijn hand met vuile nagels op het witte kleed van
't tafeltje waaraan zij zaten en vroeg abrupt, in zijn gewoon patois, met
bezorgd gezicht en gefronste wenkbrauwen aan meneer Vitàl:
"Goat-e gij van den oavend nog mee ouën automobiel noar huis?"
Meneer Vitàl, volkomen onverhoeds verrast, kreeg een plotselinge kleur,
staarde den storenden indringer met verbauwereerdheid** aan, als had hij
hem niet goed begrepen, waagde even een vluggen blik naar Irma, die hem
stil-spottend zat aan te kijken, en antwoordde eindelijk, geheel van
streek, niet meer goed wetend wat hij zei:
"Of ik van doage nog noar huis goa?.... Misschien,.... 'k peis
't toch,.... mijnen automobiel stoa hier toch."
"Joa moar," drong de ontvanger aan, terwijl hij bedremmeld achter zijn
oor krabde, "'t es da 'k wel mee zekerheid zoe moete weten of da 'k mee
ou mee kan rijen. 'k Hè mijnen trein gemankeerd en anders moe 'k 'n
voiture pakken. Mijn vreiw 'n zoe thuis niet wete wa peizen."
Als een vlijm voelde meneer Vitàl Irma's tergenden spotblik in zich
boren. Hij ontweek hem, maar voelde, dat ze geen oog van hem afwendde en
't maakte hem inwendig razend, hij moest zich inhouden om haar geen
scheldwoorden naar 't hoofd te slingeren. Doch een beslist antwoord
moest hij nu wel geven; en, te trotsch om zijn eerste woorden nog terug
te trekken en eensklaps ook te nijdig om den avond verder met haar door
te brengen, terwijl hij, van een anderen kant, toch niet als een knecht
door dien meneer De Reu wenschte gebruikt te worden, antwoordde hij,
kortaf en bruusk, niet in staat de ergernis van het gansche geval
behoorlijk te verkroppen:
"Joa ik, 'k goa, en ge keun mee, moar 't zal meschien loate worden, 'k
moe nog...."
"O, dat 'n geef niet, dat 'n geef niet, 'k zal noar huis goan
telegrafieren," viel hem de ontvanger haastig in de rede. "Van de moment
da 'k er mag op rekenen es alles goed. Zeg mij waar da 'k ou moe vinden
en hoe loate."
"Ten elven, in de garage. Dan zijn we nog véúr twoalven
thuis; es 't azeu goed?" vroeg meneer Vitàl met onverholen tegenzin.
Maar De Reu merkte er niets van. "Uitstekend!" riep hij, "uitstekend!
Merci; allons, bon appétit. 'k goa nou euk al gauwe wa eten en dan
telegrafieren. En ten elven in de garage, e-woar?" Hij drukte haastig
meneer Vitals hand, groette opnieuw met een gebaar naar zijn smerigen
hoed, Irma, die niet eens meer verpinkte en ging een eind verder schuin
tegenover hen zitten, op een plaats, van waar hij hen nog zien kon. Een
kellner kwam bij hem en hij bestelde wat; en toen lei hij eindelijk ook
zijn hoed af en zat daar even wachtend en plomp-nieuwsgierig van verre
naar Irma en meneer Vitàl te kijken. Irma zei eerst geen woord. Zij zat
roerloos op haar bord te staren, maar haar gezicht vertrok en eenklaps
barstte zij in een korten proestlach uit:
"Tiens-toi donc tranquille, nom de Dieu! Nous ne sommes pas au
beuglant 1) ici!" riep hij schor-boos.
Zonder zich over zijn razenden uitval te ergeren, hield ze haar lachlust
in en vroeg grinnikend, in spottend gefluister: "C'est un ami du
village?"
"C'est un idiot, un imbécile!" troefde hij haar plotseling aanvallend
af.