De jacht was geopend. Meneer Vitàl, die daar nog alles van te leeren
had, ging met die heeren mee.--In den beginne vond hij 't wel wreed om
die weerlooze beestjes zoo ruw neer te schieten, maar hij was er al
spoedig aan gewend en beschouwde ook weldra het wild als een gewoon,
bewegend doel, dat hij door zijn knapheid en behendigheid moest zien te
treffen. Het duurde niet lang of hij werd een hartstochtelijk jager, die
elke invitatie of gelegenheid voor een jachtpartij met gretigheid
aanvaardde. Zoo kwam hij ook van zelf in intiemere aanraking met al die
dorpsheeren en ook met andere, die op omliggende gemeenten woonden. Zij
vertrokken samen met hun vier-of-vijven naar de jachtterreinen, somtijds
te voet, somtijds per trein of rijtuig, en, als 't te verre was, met
meneer Vitàls automobiel. Zij lunchten op het veld of ergens in een
landelijk herbergje; er was gezelligheid, verbroedering, pret, zoodat
het hen telkens speet als 't avond werd en zij bij hun terugkomst in het
dorp uit elkaar moesten gaan. Voornamelijk meneer Vitàl. Die voelde zich
dan 's avonds zoo eenzaam na den ganschen dag gezellig samen-zijn.
Vooreerst ging het nog, de dagen waren tamelijk lang, hij was vermoeid
en begaf zich vroeg naar bed; maar naarmate de dagen korter werden, toen
het van lieverlede om zes uur, om halfzes en weldra om vijf uur en nog
wat vroeger begon te duisteren, wist hij heelemaal niet meer wat met de
laatste, trage uren van den langen dag te doen. Het regende of waaide,
de wegen lagen slijkerig, het was geen weer om nog 's avonds met de auto
uit te rijden, zijn studies had hij nog maar niet hervat en 't lezen in
boeken of couranten** begon hem ook al spoedig te vervelen of te
vermoeien; hij liep steeds doelloos en verloren een paar uren rond en
was blij wanneer zijn avondmaal werd opgedischt en hij al heel spoedig
daarop naar bed kon gaan. Iets ontbrak in zijn leven, iets essentiëels,
het zachtste en het beste, zonder hetwelk ook al het overige
minderwaardig werd.
"Kom toch bij ons, op stamenee, woar da 'w iederen oavend zitten; we
zillen 'n partijtje biljoart spelen of koarten en ge zilt ou amezeeren,"
zeiden telkens die heeren, als hij over zijn eenzaamheid
klaagde.--Eindelijk deed hij 't. Op een avond kwam hij bij hen in _d'Ope
van Vrede_ en bracht er een paar uurtjes door.
Het was de eerste maal dat hij in een dorpsherberg den voet zette. Hij
vond er enkele van die heeren, die gelukkig waren hem te zien, hield er
een praatje en speelde een partijtje met de kaarten. Bepaald gezellig of
opwekkend vond hij 't niet; maar het hield hem althans bezig en de
vervelendste stonden van den dag gingen er mee heen. Die heeren vroegen
of hij nu vast besloten was, ook nà het jachtseizoen, dat op zijn einde
liep, den winter in "'t Kasteelken" door te brengen.
Dat dacht hij niet, maar hij aarzelde, nog niet heelemaal eens met
zichzelf wat hij wèl zou doen.
Hij had nog steeds zijn kamers in de stad, maar voelde ook weinig lust
om dáár te overwinteren. Zijn plan was eigenlijk, hoewel nog vaag, om
een paar maanden in het zuiden door te brengen; doch het verveelde hem
ook alweer alleen te moeten reizen en hij wist evenmin van een vriend
die mee zou willen.
"Neemt 'n vriendin mee," knipoogde schalks dokter Van der Muijt.
Ietwat onthutst staarde meneer Vitàl den dokter even aan. Zou die soms
weten.... van Irma....? Doch neen; wat de dokter bedoelde was heel iets
anders. Hij boog zich over 't tafeltje waaraan zij met hun vieren zaten;
en, op gedempten toon, om niet gehoord te worden door het herbergmeisje,
Sietje, die schuin-loerend in een hoekje aan haar naaimachine zat:
"Mademoiselle de Saint Valéry," fluisterde hij. "Zij-je nog noar d'
heugmesse nie geweest? Het-e ze nog nie gezien en mee heur kennesse
gemoakt?"
Meneer Vitàl kreeg een kleur. Het kwetste hem, als ergerlijk-onkiesch,
dat daarover in de herberg werd gesproken. En toch streelde 't hem
inwendig en wilde hij er wel meer van hooren.
"Vous ne pensez pourtant pas que je l'enlèverai?" glimlachte hij
gegeneerd, op zijn beurt stil-fluisterend, met wantrouwige oogen naar
het herbergmeisje.
"Non, mais vous l'épouserez peut être," murmelde de dokter. En hij
lachte eensklaps luid en sloeg, als van dolle pret, met de beide handen
op zijn knieën.
Ook de andere heeren: meneer De Reu, de ontvanger, en meneer Taghon, de
brouwer, moesten daarbij hardop lachen, herhaaldelijk goedkeurend
hoofdknikkend. Er was een korte stilte. Sietje deed haar machine zacht
gonzen, schijnbaar in haar werk verdiept; en alle drie keken meneer
Vitàl met strak-nieuwsgierige oogen aan, als wachtend op een
hoogst-belangrijk antwoord. Maar meneer Vitàl, diep-halend aan zijn
pijp, antwoordde niets meer en zat daar even onbewegelijk starend, onder
verwarde impressies en gedachten. Hij had het meisje wèl gezien, eens,
op een zondag, in de hoogmis, waar zij met haar oom en tante zat; en
haar uiterlijk was hem op 't eerste zicht niet meegevallen. Hij vond
haar wel chic, zooals de dokter zei, maar niet mooi, te bleek, te fijn,
te mager. Alleen het weelderig-blond, sierlijk-gekapt haar had hem
bekoord. Toen had hij haar een tweede maal gezien, terwijl hij in zijn
automobiel en zij in een karretje zat, waarvan ze 't paard zelf mende,
met een groom** naast zich; en ditmaal had ze op hem een heel andere
impressie gemaakt. Hij had haar eensklaps mooi, bepaald mooi gevonden,
met een frissche kleur en sprekend-bezielde blauwe oogen; en hij had
haar gegroet, machinaal en vrij onhandig, terwijl hij met zijn wagen,
waarvan hij den motor even deed zwijgen, wijd voor haar uitweek. Hij
wist niet eens of ze zijn groet wel had beantwoord, hij had zich
plotseling kinderachtig-gegeneerd gevoeld; en sinds dat oogenblik had
hij gewenscht haar nog eens te ontmoeten, niet om haar aan te spreken of
nadere kennis met haar te maken, maar om zijn eerste, eenigszins
belachelijke onhandigheid wat te verbeteren, om haar nu eens gewoon en
onbevangen te groeten, zooals om 't even welke heer beleefd een dame
groet. 't Had niet meer mogen lukken; hij had haar niet terug gezien,
maar hij wist dat de adellijke familie steeds het gansche jaar op het
kasteel vertoefde; en dat weten, gepaard met de vage hoop van een
nieuwe, op den duur haast onvermijdelijke ontmoeting, was een der
hemzelf onbewuste oorzaken, die hem zoo laat in 't jaar nog buiten
hielden en het hem moeielijk maakten zijn winterplannen vast te stellen.
En al die heeren schenen instinctief iets van zijn strijd te voelen en
hadden er een soort oolijke pret in, die emotie in hem wakker te houden.
Intusschen zat hij nog maar steeds met Irma opgescheept. Zijn vage
plannen van scheiding met haar vormden zich niet tot daden en hij bleef
haar bezoeken, geregeld twee- of driemaal in de week. Hij begreep wel,
dat het niet zonder moeite zou gaan en dat het hem in elk geval veel
geld zou kosten. Daar zag hij minder tegen op. Hij was eerder bang voor
schandaal en scènes. Sinds enkele weken, nochtans, was zij minder
veeleischend geworden, verweet hem niet meer zijn lang buiten-blijven,
dreigde niet meer met een plotselingen inval op 't "kasteelken", indien
hij haar niet dikwijls genoeg kwam bezoeken. Zij scheen het nu
natuurlijk te vinden, dat ze hem soms in drie of vier dagen niet zag en
die verandering wekte in hem een vaag wantrouwen op, of zij soms ook
andere plannen had, die hij nog niet kon doorgronden. Herhaaldelijk nu
kwam hij haar gansch onverhoeds verrassen, op uren dat ze hem stellig
niet verwachtte, maar evenmin als vroeger had hij iets verdachts
gemerkt. Zij was lief-vleierig als altijd, troonde hem gaarne mee naar
paardenspel of variété-opvoering, meer zelfs dan hij gewenscht zou
hebben en met een soort van ostentatie**, die hem ergerde, als wilde zij,
door 't publiek vertoonen van hun liaison, haar gehechtheid aan hem
sterker laten blijken. En juist dat maakte hem heimelijk achterdochtig,
terwijl hij ook in gansch haar uiterlijk: in haar blikken, in haar
manieren en haar houding, in haar geheele wijze van zich voor te doen
iets onoprechts en iets gedokens meende te voelen, dat hem, als onder de
dreiging van een vaag en onbekend gevaar, bestendig voor haar op zijn
hoede deed zijn.
Middelerwijl was zijn omgang met die heeren geregelder en intiemer
geworden. Hij aarzelde noch streed weldra meer tegen wat hij in 't begin
als een vernedering voelde; verveling en gewoonte dreven hem nu elken
dag, wanneer hij niet bij Irma was, op vaste uren naar de herbergen,
waar hij wist dat hij hen vinden zou. Voor iederen dag der week hadden
zij een andere gelegenheid, met de afwisselende spelen of praatjes, die
hun lange, leege winter-avond-uren vulden. Maandags en vrijdags was het
in _d'Ope van Vrede_, de oude, deftige herberg, waar al de voornaamste
ingezetenen regelmatig kwamen; dinsdags in _Cecilia_, waar de
fanfaren-maatschappij haar repetities hield, woensdags in _Den Dubbelen
Arend_, waar de whistclub was gevestigd, donderdags in _Den Handboog_,
waar de schuttersgilde haar lokaal had. Zaterdags zaten zij in
't _Gemeentehuis_, waar niets speciaals gebeurde en 's zondags liepen zij
van de eene herberg naar de andere. Eerst ging meneer Vitàl slechts in
den vooravond uit, van vijf of half zes tot half acht, het uur van zijn
souper, waarna hij thuis bleef lezen en vroeg naar bed ging. Maar ook de
avond-eenzaamheid begon hem weldra zwaar te vallen en 't duurde niet
lang of na zijn souper ging hij ook nog eens uit. En hetzelfde gebeurde
ook eindelijk 's ochtends: op koude, regenachtige winterdagen, wanneer
hij, na 't ontbijt, zijn brieven en couranten had gelezen; wanneer het
weer te slecht was om te gaan jagen of automobielen en het hem aan lust
ontbrak om Irma te bezoeken, wist hij evenmin wat hij anders nog zou
uitvoeren; en als van zelf liep hij dan weer tusschen elf en één enkele
herbergen af, waar hij kans had zijn gezellen aan te treffen.
Zoo werd hij langzaam aan, geleidelijk en haast onbewust, een trouwe
stamgast van de dorpsherbergen. 't Werd zulk een sleur, dat hij een vage
leegheid en een onvoldaanheid voelde, wanneer het soms gebeurde dat een
toevallige omstandigheid hem verhinderde op de vaste plaatsen waar hij
verwacht werd aanwezig te zijn. En toch, hij dronk er weinig en in de
diepte van zijn wezen knaagde nog heimelijk de vernederende wroeging van
zijn doen. 't Was in hem als een doffe smart van zelf-minachting terwijl
hij luisterde naar de kleinzielige kletspraatjes, terwijl hij met de
niet meer frissche kaarten speelde, terwijl de valsche tonen der muziek
schril in zijn ooren schetterden of hij met een keu bij de groezelige
biljarttafel stond. Zijn wenkbrauwen trokken zich als gepijnigd samen,
een gevoel van opstand kwam in hem, hij wilde weg, verweg uit dat
ellendig-bekrompen milieu, hij snakte naar lucht, naar vrijheid, naar
ruimte, hij kòn het er niet langer uithouden; nog liever, nog
duizendmaal liever bracht hij uren en zelfs dagen in het toch nog
minder-vernederend gezelschap van Irma door. En hij ging werkelijk weg,
als in een vlucht, walgend-hoofdschuddend tot groote verbazing van al
die andere heeren, die er maar niets van begrepen. Stug en moedwillig
bleef hij dagen lang weg, in een weldadig bewustzijn van verzoening met
zichzelf in weergekregen eigenwaarde; maar weldra kwam opnieuw de
verveling, de doelloosheid, de suffe eentonigheid in zijn
gedesoriënteerd leven; en werktuigelijk ging hij er, ondanks zijn
afkeer, weer heen, fataal gedreven, alsof 't niet anders kon.
Er kwam een vreemde machteloosheid over hem, iets apathisch, dat in de
saaie, triestige kleurloosheid der eindelooze winterdagen, alle
veerkracht in hem verlamde. 't Was eind December nu, de jachttijd was
voorbij en weer drong vaag in hem 't verlangen om op reis te gaan. Hij
sprak er over met die heeren, hij zei dat hij weldra vertrekken zou,
maar wist nog steeds niet goed waarheen. Italië, Zuid-Frankrijk leken
hem nu zoo verre, zoo vermoeiend, hij dacht dat hij misschien wel maar
eenvoudig naar Parijs zou gaan en daar een week of vier verblijven. Maar
zelfs tegen de reis en de drukte van Parijs zag hij heimelijk op;
't leek hem ook al te veel inspanning en moeite en de dagen en de weken
gingen voorbij zonder dat het tot iets kwam, en meer en meer voelde hij
zich vastroesten in de sufheid van zijn alledaagsch dorps- en
herbergleven.
Op het herhaald aandringen van die heeren was hij nu ook eindelijk lid
geworden van al de dorpsgenootschappen, waar zij zelven deel van
maakten. Hij was eerelid van het fanfarenkorps, lid van de
handboog-schuttersgilde, lid van den whist-en biljartclub. Al die
vereenigingen hielden 's winters hun feestvergaderingen en banketten; en
hij liep mee met de andere eereleden achter de spelende muziek rondom
het dorp, herberg in en herberg uit, en zat ook 's avonds met hen aan de
feesttafel, midden in het lomp lawaai en 't akelig etenslikken van die
grove lui. Nu liet hij trouwens ook niet meer, als in 't begin, zijn
glazen vol of halfleeg wegnemen. Het schraal, zurig bier boezemde hem
een afkeer in, maar de verbaasde opmerkingen van die andere heeren, die
steeds hun groote glazen tot den bodem leegdronken, begonnen hem
eindelijk te hinderen; en, opdat het niet zou opvallen, bestelde hij nu
meestal borreltjes, die zooveel minder van voluum waren. Hij proefde er
even van, trok een zuur gezicht en schoof het dan op zij. Toch gaf het
hem een niet onaangenaam gevoel van prikkeling, het maakte hem althans
niet zoo wee in zijn maag als dat akelig flauw bier; en hij proefde nog
eens, en nog eens, en had het glaasje leeg voor hij 't zichzelf bewust
was.--Dan voelde hij zich eensklaps opgewekt, dan zat hij niet zoo
suffig meer te staroogen. Alles leek hem vroolijker en lichter, hij kon
even, zonder verveling of ergernis, over iets onbeduidends meepraten;
hij voelde zelfs een soort gezelligheid om daar nog wat te blijven; en
als er nog eens zou gedronken worden, bestelde hij opnieuw een
borreltje.
En het werd ook alweer een gewoonte. Telkens nu, wanneer hij in een
herberg kwam, bestelde hij in plaats van bier een borreltje, zonder het
daarom altijd uit te drinken. Maar ook al proefde hij er slechts even
van, 't werd op den duur toch veel; en als hij nu 's avonds naar bed
ging, was hij in een heel andere stemming dan vroeger. Geen roes, lang
niet; eerder een gevoel van aangename doezeling, iets dat hem gezellig
aandeed en hem, als na een dag van flinke beweging, in een zwaren slaap
van vergetelheid dompelde. Weg waren dan alle zeurige bekommernissen en
verveling, 't was dof in hem maar rustig, het deed goed. Wel waren ook
de ochtenden dan zwaar, zonder dat frisch-verrukkende van vroeger,
zonder die levendige behoefte om nog even vóór 't ontbijt rondom zijn
tuin te hollen en met breeduitgezette longen de zuivere lucht in te
ademen; wel voelde hij zich 's ochtends zelfs wat moe nog, en ook
lusteloos en vaag-chagrijnig, met doffe, scheele hoofdpijn; maar
't duurde slechts een korte poos; een kopje sterke koffie knapte hem weer
op; en met den damp van 't eerste, in 't begin nog wat wrang-smakend
pijpje, verdwenen eindelijk de laatste nevelen van den vorigen avond uit
zijn weer opgehelderd hoofd.
* * * * *