IV.

Al de heeren hadden met groot genoegen de uitnoodiging aanvaard; en, op

den gestelden dag, even vóór één uur, kwamen ze naar het "kasteelken"

toe, door dokter Van der Muijt geloodst. Meneer Vitàl, die wachtend voor

een raam te kijken stond, zag de troep van verre naderen, "Quels types!"

murmelde hij in zichzelf. Zij liepen langzaam, op hun best gekleed, de

meesten in 't donker, een in 't lichtgrijs en een ander in 't geel,

midden op den hobbelig-geplaveiden weg, met iets wiebelends en

schommelends in hun tragen gang, alsof zij luilakkig slenter-wandelden

en tevens toch iets onzichtbaar-zwaars achter zich meesleepten. Er waren

dikkerds bij met rooden kop en scheeve schouders; ook 'n paar

spicht-magere, met bleek gezicht en lange, stokkerige beenen. Ze waren

met hun achten, oude en jonge. Deuren gingen op hun langzamen

voorbijtocht open en menschen kwamen hen nieuwsgierig op de drempels

nakijken. Toen ze slechts een vijftig passen van zijn huis meer waren,

trok meneer Vitàl zich van voor het raam terug en ging wat dieper in de

kamer staan. Hij riep naar 't tweede meisje dat die heeren daar

aankwamen en of zij al vast de deur wilde gaan openen. Maar tot zijn

groote verbazing zag hij de geheele troep eensklaps midden in de straat

stilhouden, terwijl een der heeren, een dikke, rooie,

scheefgeschouderde, links naar de huizenrij toeging en door een

wenkgebaar de anderen met zich mee poogde te krijgen. Een aarzeling

scheen plaats te hebben, een der heeren haalde zijn horloge uit en

schudde 't hoofd, terwijl hij naar 't "kasteelken" keek; maar langzaam

hadden al de anderen, als een gedweeë kudde, den rooien dikkerd reeds

gevolgd en allen zag meneer Vitàl ze eindelijk binnengaan in een klein

herbergje, waarvan hij van uit zijn raam het uithangbord "_In

't Kloefken_" lezen kon.

"Ah bah! nú nog borrels drinken, zoo vlak voor 't eten!" dacht hij met

verbazing.

Hij hoorde Netje, die reeds op de stoep te wachten stond, de deur

sluiten en weer in huis komen.

"Ze zijn nog iest dreupels goan drinken!" klonk haar hoog stemmetje in

den gang naar de keuken toe.

Onthutst, verschrikt bijna, kwam de oude keukenmeid haar verhit,

zweetend gezicht in de deuropening van den salon vertoonen.

"Ha moar meniere toch! zoên ze nie hoast komen? Mijnen diner goa

bedirven!" riep zij ontsteld.

"'K peis 't toch, Mietjen; moar ze zijn nog iest in 't Kloefken nen

dreupel goan pakken," antwoordde meneer Vaal, met moeite bij 't ontdaan

gezicht der oude meid zijn opkomende lachlust bedwingend.

"Ha moar z'hên hier dreupels zeuveel of da z'er willen!" riep Mietje,

komisch-verontwaardigd naar een ontkurkte portflesch en glazen op een

presenteerblad wijzend.

"Wa keunt-e gij doar aan doen, Mietjen, da es meschien 'n specioale

seeve** die z'in 't Kloefke vinden," gekscheerde meneer Vitàl. Maar

plotseling zag hij 't verstoord gelaat der oude meid als onder een

zonnestraal zich opklaren. "Ze zijn doar!" riep ze, door het venster

wijzend; en met haastig geklapper van rokken liep ze terug naar haar

keuken, terwijl Netje, door haar opgeroepen, weer naar de voordeur

aangetrippeld kwam.

De heeren waren binnen. Meneer Vitàl hoorde dof gestommel om de kapstok

en hij trad hen op den drempel der salondeur te gemoet.

Dokter Van der Muijt stelde ze om de beurt aan hem voor. Meneer Vitàl

keek heel vriendelijk naar de gezichten, hoorde de onbekende namen,

drukte de naar hem uitgereikte handen.

"Kom binnen, heeren, kom binnen; ge zij allemoal welgekomen," herhaalde

hij. En hij bood stoelen en fauteuils aan, terwijl Netje, op een wenk

van hem, onverwijld met het presenteerblad en de port rondging.

Er was een oogenblik ietwat beklemde stilte. Die heeren keken rond met

eenigszins verbauwereerde** gezichten. Allen detoneerden** in een salon en

dat schenen zij te voelen, instinctmatig. De rooie dikkerds zaten zwaar

in de fauteuils gezakt, met ongemakkelijk scheefgestrekte of getrokken

beenen; en de twee lange magere, de in het grijs gekleede en de gele,

wisten zich niet goed te plaatsen en stonden stijf met hun glas in de

hand, als 't ware klaar om weg te loopen. Alleen de dokter was heel

familiaar op zijn gemak en praatte even onbevangen met meneer Vitàl,

terwijl al de anderen met zijdelingsche blikken stom-stil bleven, of met

gewichtige gezichten fluisterende opmerkingen maakten.

Netje, die even verdwenen was, kwam zacht weer binnen en wenkte meneer

Vitàl dat men aan tafel kon gaan.

"Menieren, den diner es geried," zei meneer Vitàl opstaande.

Een dubbele deur werd opengeschoven en in de eetkamer, die uitzicht op

den mooien tuin had, schitterde de rijk-gedekte tafel, met een

prachtigen tuil late rozen in het midden. Het weer begon al ietwat naar

den herfst te zweemen, en meneer Vitàl, die kouwelijk was, had een open

houtvuur laten aanmaken, dat vroolijk en gezellig in de ruime haardsteê

knapte en brandde.

"Ghààà! ça va faire du bien," riep dokter Van der Muijt, verrukt zijn

handen wrijvend. Een der dikke heeren, door het vroolijk mooi gezicht

van vuur en tuin en tafel opgewekt, schudde zijn boersche verlegenheid

plotseling van zich af, kwam met een breeden glimlach van genot naar

meneer Vitàl toe en zei, met dikke tong en plompe uitspraak, ook in

't beetje Fransch dat hij destijds op school geleerd had:

"Ah! ça est beau ici, mónsieu Fietàl! Je vous fé mon compliment!"

"Ce n'est pas moi qui l'ai choisi," antwoordde meneer Vitàl leukweg.

"Ah! ça ne fé rien, ça ne fé rien, çè beau tout de mim!" herhaalde de

dikhuidige man in onverstoorbare overtuiging.

't Gevoel van benauwdheid was overwonnen. Allen nu waagden hun

bewonderende opmerkingen, hoofd-knikten gewichtig naar elkaar, elkander

langzaam drijvend als een kudde naar de vensterramen, om vooral den tuin

te zien. Maar Netje stond roerloos in wit schort bij een dien-tafeltje

naast den dampenden soepkom te wachten en meneer Vitàl riep opgeruimd:

"Aan toafel, as 't ulder blieft, menieren, aan toafel! De soepe zoe koud

worden. We zillen straks wel in den hof goan wandelen. Zet ulder maar,

ieder noar zijn gedacht, woar dat hij wilt. Allons, docteur, gij aan den

overkant, recht over mij as 't ou b'lieft; en alleman op zijn gemak en

doen lijk thuis."

Ze waren gezeten en aten. De soep was warm en lekker, heerlijke

tomaten-soep met bruine korstjes, die knapten onder de tanden. De

etenswarmte steeg hun naar 't gezicht; de koppen glommen. Toen de borden

leeg waren ging Netje nog eens rond en meest al die heeren namen een

tweede bord soep. De dokter zei dat het uitstekend was; menschen, vooral

buitenmenschen, die veel in de open lucht waren, mochten gerust twee

flinke borden soep eten. Ça** procurait une sensation agréable et ça vous

collait un fond. On ne mangeait pas ensuite avec excès des plats trop

consistants." Na de soep kwam een verrukkelijke schotel paling met

champignons en garnalen. Die paling was gevangen door den tuinman in

't beekje dat door 't erf liep. De heeren klapten en smakten met de tong.

Zij knipoogden elkander toe dat 't zoo verbazend lekker was en het

gesprek liep over 't visschen en de wonderbare gebeurtenissen die haast

allen daarbij hadden meegemaakt. Die heeren kwamen los. Meneer De Reu,

de lange magere ontvanger, die geheel in 't lichtgrijs gekleed was, met

een oranje das, vertelde aan een hoek der tafel van een reuzensnoek van

veertien kilo, dien hij vroeger in zijn dorp, met een eenvoudig

schepnetje gevangen had.

"O gie leugenoare!" riep Daniël Taghon, de zoon van den brouwer, een der

jongste van 't gezelschap.

Een luid gelach steeg op, maar de ontvanger maakte zich heel kwaad en

schreeuwde, de hand als 't ware uitdagend over tafel naar den jongen

brouwer uitgestrekt:

"Gewed? Veur ne souper?"

"Wedden! da es onneuzel? Hoe kan ik wedden? Wie zal 't er da kome

getuigen?** weerlegde schouder-ophalend de jonge Taghon.

"Wie? Al die 't gezien hên, in mijn dorp!" gilde de ontvanger. "Gewed?

Veur ne souper en zes flasschen champagne?"

Al de stemmen klapten even onder elkaar als zweepslagen om dien hoek der

tafel; maar dokter Van der Muijt, vlak tegenover meneer Vitàl gezeten,

knikte knipoogend naar den gastheer en vroeg hem, zijn half

leeggedronken glas witte wijn in de hand:

"C'est encore de ce vieil ambré de l'oncle, hein? Je le connais."

"Tout est ici de l'oncle," glimlachte meneer Vitàl.

En er werd over Nonkelken gesproken. Het snoek-gekibbel om den hoek der

tafel hield op, vorken en menschen** werkten trager in de borden, onder

't smullen aan een zalige roastbeef met tomaten en morieljes**, en allen

hadden 't lang en breed over Nonkelkens gaven en deugden en drukten nog

eens hun spijt uit dat hij veel te vroeg gestorven was. Diè had verstand

gehad van leven, diè wist wat goed en lekker was, diè had van zijn

fortuin geprofiteerd en er ook anderen van laten profiteeren!

"Il avait une cave, de vieux bordeaux, de fins bourgognes, onder ander

ne Romanée** van 't joar tsjeventig; je ne vous dis que ça!" juichte de

dokter; en hij zond met zijn vingers aan den mond een klakkerigen zoen

in de lucht.

"Le vin.... et la fààmme!" ging plotseling een zware stem aan den

versten hoek der tafel op.

Een overweldigend gelach barstte onweerstaanbaar los, eensklaps door een

benauwde stilte gevolgd. Allen keken even schuw op naar meneer Vitàl, of

hij 't niet kwalijk nam. Maar meneer Vitàl lachte hartelijk mee en

dadelijk kwam ook weer de vrije, blijde stemming over het gezelschap.

Opnieuw praatten zij allen ondereen, in den toenemenden roes van lekker

eten en veel drinken; en haast allen wisten anecdoten te vertellen over

Nonkelken, waarbij de overige gasten van pret op hun stoel zaten te

schudden. Nauwelijks hielden zij zich even in, telkens wanneer Netje in

de kamer kwam, maar niet zoo gauw was ze weg of weer begon het, hoe

langer hoe grappiger en gewaagder, tot innige verbazing en

nieuwsgierigheid van meneer Vitàl, die wel veel van Nonkelkens fratsen

gehoord had, maar niet dacht dat hij het zóó bont had gemaakt. Het

benieuwde en prikkelde hem tevens, hij voelde haast een soort van

jaloezie, een vaag bewustzijn dat hij,--Nonkelkens erfgenaam en

opvolger,--wat hij ook deed, nooit zoo ongegeneerd en zoo ruim van het

leven zou kunnen genieten; en telkens werd zijn blik, als begoocheld,

weer aangetrokken naar den overwand, waar Nonkelkens geschilderd

konterfeitsel** hing te prijken: Nonkelken reeds op gevorderden leeftijd,

zijn nijdig, rood rimpel-gezicht met grijze bakkebaarden en dunne grijze

krulharen, als 't ware minachtend van uit zijn gouden lijst op de gasten

neerziende, in den trots en de voornaamheid van 't rood

decoratie-vlammetje**, dat zijn zwarte jas versierde. Ja, ja, Nonkelken

was een kerel geweest! Hij had gedomineerd, helder alles om zich heen

gedomineerd en aan zijn lusten onderworpen. Alleen de ziekte en de dood

hadden hem kunnen knakken.

"Il était fort! C'était un gaillard! Moar hij dronk te veel dzjenuiver,"

orakelde de dokter. "En op zijne leeftijd 'n deugt 't vreiwevolk euk nie

mier. Die loaste die 't hij hier g'had hèt, die Flavie, da was 'n

kanoalde**! L'alcóóól et Flavie, voilà ce qui l'a tué!"

"'t Bolleken!" riep een spotstem.

Weer proestte en giegelde** 't om de heele tafel; en de dokter lachte luid

mee om zijn geestige zet. "L'alcóóól et Flavie", ja, vooral Flavie, die

had hem den laatsten knak gegeven. En nu spraken zij allen over die

knappe, maar venijnige meid, die zoo klaarblijkelijk geprobeerd had

Nonkelken op 't einde van zijn leven heel en al in te palmen.

"'t Was tijd dat 't gedoan was, mesieu Vitàl, anders was 't hier amoal

't heure," verzekerde de dokter.

Het dessert stond op tafel, de champagnekurken knalden, de geestige wijn

parelde in de bekers. Meneer Vitàl voelde een heerlijk welbehagen in

zich komen. Hij at niet meer, hij zat achterovergeleund op zijn stoel,

rookend een groote, lekkere havana, zacht-voelend in zijn rug de

gezellige warmte van het houtvuur, de oogen rustig en vaag-spottend

kijkend naar de verhitte tronies van zijn gasten om de rumoerige tafel.

"L'alcool et Flavie! de drank en de vrouwen!" dat zouden ook zìjn

groote vijanden kunnen worden, vooral de drank, de overdaad in 't lekker

smullen en drinken. Maar hij kende 't gevaar en zou oppassen. Hij zou

van 't goede profiteeren, wel zeker, doch met mate. Nu en dan een enkele

keer, dat kwam er niet op aan, alleen 't dagelijksch exces, dàt was de

ramp. En meest allen die daar zaten,--die eters en drinkers,--konden hem

tot schrikbeeld dienen. Hun gezwollen roode gezichten, hun doorloopen,

uitpuilende oogen, hun dikke nekken en dikke buiken, alles getuigde van

overdaad en onhygiënisch leven. Allen reeds waren min of meer

beschadigd; en zij hadden mooi te gekken met het "bolleken" dat

Nonkelken gedood had, hun beurt zou ook wel komen; al de

overdaadsrampen: jicht, hartkwaal, pootje**, bolleken en nog meer, zaten

klaar om bij hen uit te barsten.

Dokter Van der Muijt, van lieverlede onder het gulle genieten zeer

familiaar geworden en tot intieme mededeelingen gestemd, riep eensklaps

dwars over de tafel tot meneer Vitàl:

"Da 'k in ou ploatse woare 'k zoe treiwen, mesieu Vitàl; c'est plus

hygiénique!"

Verbaasd en eenigszins onthutst keek meneer Vitàl hem aan. De anderen,

plotseling stil om de tafel, zaten met glimlachende belangstelling te

luisteren, benieuwd naar wat de dokter nog meer zou durven zeggen.

"Joa zeker," herhaalde deze met nadruk, "'k zoe mij 'n scheune, jonge,

malsche poeze zoeken."

De heele tafel schaterde.

"Lach gulder moar, lach gulder maar," voer de dokter

ongestoord-vrijpostig voort; "'k mien 't beter of da 'k het 'n zegge.

Geld 'n zoe ze nie moeten hén, moar ze zoe moeten snel 1) zijn, en

surtout gezond."

't Bolleken · 第 8 / 36 题