Al de heeren hadden met groot genoegen de uitnoodiging aanvaard; en, op
den gestelden dag, even vóór één uur, kwamen ze naar het "kasteelken"
toe, door dokter Van der Muijt geloodst. Meneer Vitàl, die wachtend voor
een raam te kijken stond, zag de troep van verre naderen, "Quels types!"
murmelde hij in zichzelf. Zij liepen langzaam, op hun best gekleed, de
meesten in 't donker, een in 't lichtgrijs en een ander in 't geel,
midden op den hobbelig-geplaveiden weg, met iets wiebelends en
schommelends in hun tragen gang, alsof zij luilakkig slenter-wandelden
en tevens toch iets onzichtbaar-zwaars achter zich meesleepten. Er waren
dikkerds bij met rooden kop en scheeve schouders; ook 'n paar
spicht-magere, met bleek gezicht en lange, stokkerige beenen. Ze waren
met hun achten, oude en jonge. Deuren gingen op hun langzamen
voorbijtocht open en menschen kwamen hen nieuwsgierig op de drempels
nakijken. Toen ze slechts een vijftig passen van zijn huis meer waren,
trok meneer Vitàl zich van voor het raam terug en ging wat dieper in de
kamer staan. Hij riep naar 't tweede meisje dat die heeren daar
aankwamen en of zij al vast de deur wilde gaan openen. Maar tot zijn
groote verbazing zag hij de geheele troep eensklaps midden in de straat
stilhouden, terwijl een der heeren, een dikke, rooie,
scheefgeschouderde, links naar de huizenrij toeging en door een
wenkgebaar de anderen met zich mee poogde te krijgen. Een aarzeling
scheen plaats te hebben, een der heeren haalde zijn horloge uit en
schudde 't hoofd, terwijl hij naar 't "kasteelken" keek; maar langzaam
hadden al de anderen, als een gedweeë kudde, den rooien dikkerd reeds
gevolgd en allen zag meneer Vitàl ze eindelijk binnengaan in een klein
herbergje, waarvan hij van uit zijn raam het uithangbord "_In
't Kloefken_" lezen kon.
"Ah bah! nú nog borrels drinken, zoo vlak voor 't eten!" dacht hij met
verbazing.
Hij hoorde Netje, die reeds op de stoep te wachten stond, de deur
sluiten en weer in huis komen.
"Ze zijn nog iest dreupels goan drinken!" klonk haar hoog stemmetje in
den gang naar de keuken toe.
Onthutst, verschrikt bijna, kwam de oude keukenmeid haar verhit,
zweetend gezicht in de deuropening van den salon vertoonen.
"Ha moar meniere toch! zoên ze nie hoast komen? Mijnen diner goa
bedirven!" riep zij ontsteld.
"'K peis 't toch, Mietjen; moar ze zijn nog iest in 't Kloefken nen
dreupel goan pakken," antwoordde meneer Vaal, met moeite bij 't ontdaan
gezicht der oude meid zijn opkomende lachlust bedwingend.
"Ha moar z'hên hier dreupels zeuveel of da z'er willen!" riep Mietje,
komisch-verontwaardigd naar een ontkurkte portflesch en glazen op een
presenteerblad wijzend.
"Wa keunt-e gij doar aan doen, Mietjen, da es meschien 'n specioale
seeve** die z'in 't Kloefke vinden," gekscheerde meneer Vitàl. Maar
plotseling zag hij 't verstoord gelaat der oude meid als onder een
zonnestraal zich opklaren. "Ze zijn doar!" riep ze, door het venster
wijzend; en met haastig geklapper van rokken liep ze terug naar haar
keuken, terwijl Netje, door haar opgeroepen, weer naar de voordeur
aangetrippeld kwam.
De heeren waren binnen. Meneer Vitàl hoorde dof gestommel om de kapstok
en hij trad hen op den drempel der salondeur te gemoet.
Dokter Van der Muijt stelde ze om de beurt aan hem voor. Meneer Vitàl
keek heel vriendelijk naar de gezichten, hoorde de onbekende namen,
drukte de naar hem uitgereikte handen.
"Kom binnen, heeren, kom binnen; ge zij allemoal welgekomen," herhaalde
hij. En hij bood stoelen en fauteuils aan, terwijl Netje, op een wenk
van hem, onverwijld met het presenteerblad en de port rondging.
Er was een oogenblik ietwat beklemde stilte. Die heeren keken rond met
eenigszins verbauwereerde** gezichten. Allen detoneerden** in een salon en
dat schenen zij te voelen, instinctmatig. De rooie dikkerds zaten zwaar
in de fauteuils gezakt, met ongemakkelijk scheefgestrekte of getrokken
beenen; en de twee lange magere, de in het grijs gekleede en de gele,
wisten zich niet goed te plaatsen en stonden stijf met hun glas in de
hand, als 't ware klaar om weg te loopen. Alleen de dokter was heel
familiaar op zijn gemak en praatte even onbevangen met meneer Vitàl,
terwijl al de anderen met zijdelingsche blikken stom-stil bleven, of met
gewichtige gezichten fluisterende opmerkingen maakten.
Netje, die even verdwenen was, kwam zacht weer binnen en wenkte meneer
Vitàl dat men aan tafel kon gaan.
"Menieren, den diner es geried," zei meneer Vitàl opstaande.
Een dubbele deur werd opengeschoven en in de eetkamer, die uitzicht op
den mooien tuin had, schitterde de rijk-gedekte tafel, met een
prachtigen tuil late rozen in het midden. Het weer begon al ietwat naar
den herfst te zweemen, en meneer Vitàl, die kouwelijk was, had een open
houtvuur laten aanmaken, dat vroolijk en gezellig in de ruime haardsteê
knapte en brandde.
"Ghààà! ça va faire du bien," riep dokter Van der Muijt, verrukt zijn
handen wrijvend. Een der dikke heeren, door het vroolijk mooi gezicht
van vuur en tuin en tafel opgewekt, schudde zijn boersche verlegenheid
plotseling van zich af, kwam met een breeden glimlach van genot naar
meneer Vitàl toe en zei, met dikke tong en plompe uitspraak, ook in
't beetje Fransch dat hij destijds op school geleerd had:
"Ah! ça est beau ici, mónsieu Fietàl! Je vous fé mon compliment!"
"Ce n'est pas moi qui l'ai choisi," antwoordde meneer Vitàl leukweg.
"Ah! ça ne fé rien, ça ne fé rien, çè beau tout de mim!" herhaalde de
dikhuidige man in onverstoorbare overtuiging.
't Gevoel van benauwdheid was overwonnen. Allen nu waagden hun
bewonderende opmerkingen, hoofd-knikten gewichtig naar elkaar, elkander
langzaam drijvend als een kudde naar de vensterramen, om vooral den tuin
te zien. Maar Netje stond roerloos in wit schort bij een dien-tafeltje
naast den dampenden soepkom te wachten en meneer Vitàl riep opgeruimd:
"Aan toafel, as 't ulder blieft, menieren, aan toafel! De soepe zoe koud
worden. We zillen straks wel in den hof goan wandelen. Zet ulder maar,
ieder noar zijn gedacht, woar dat hij wilt. Allons, docteur, gij aan den
overkant, recht over mij as 't ou b'lieft; en alleman op zijn gemak en
doen lijk thuis."
Ze waren gezeten en aten. De soep was warm en lekker, heerlijke
tomaten-soep met bruine korstjes, die knapten onder de tanden. De
etenswarmte steeg hun naar 't gezicht; de koppen glommen. Toen de borden
leeg waren ging Netje nog eens rond en meest al die heeren namen een
tweede bord soep. De dokter zei dat het uitstekend was; menschen, vooral
buitenmenschen, die veel in de open lucht waren, mochten gerust twee
flinke borden soep eten. Ça** procurait une sensation agréable et ça vous
collait un fond. On ne mangeait pas ensuite avec excès des plats trop
consistants." Na de soep kwam een verrukkelijke schotel paling met
champignons en garnalen. Die paling was gevangen door den tuinman in
't beekje dat door 't erf liep. De heeren klapten en smakten met de tong.
Zij knipoogden elkander toe dat 't zoo verbazend lekker was en het
gesprek liep over 't visschen en de wonderbare gebeurtenissen die haast
allen daarbij hadden meegemaakt. Die heeren kwamen los. Meneer De Reu,
de lange magere ontvanger, die geheel in 't lichtgrijs gekleed was, met
een oranje das, vertelde aan een hoek der tafel van een reuzensnoek van
veertien kilo, dien hij vroeger in zijn dorp, met een eenvoudig
schepnetje gevangen had.
"O gie leugenoare!" riep Daniël Taghon, de zoon van den brouwer, een der
jongste van 't gezelschap.
Een luid gelach steeg op, maar de ontvanger maakte zich heel kwaad en
schreeuwde, de hand als 't ware uitdagend over tafel naar den jongen
brouwer uitgestrekt:
"Gewed? Veur ne souper?"
"Wedden! da es onneuzel? Hoe kan ik wedden? Wie zal 't er da kome
getuigen?** weerlegde schouder-ophalend de jonge Taghon.
"Wie? Al die 't gezien hên, in mijn dorp!" gilde de ontvanger. "Gewed?
Veur ne souper en zes flasschen champagne?"
Al de stemmen klapten even onder elkaar als zweepslagen om dien hoek der
tafel; maar dokter Van der Muijt, vlak tegenover meneer Vitàl gezeten,
knikte knipoogend naar den gastheer en vroeg hem, zijn half
leeggedronken glas witte wijn in de hand:
"C'est encore de ce vieil ambré de l'oncle, hein? Je le connais."
"Tout est ici de l'oncle," glimlachte meneer Vitàl.
En er werd over Nonkelken gesproken. Het snoek-gekibbel om den hoek der
tafel hield op, vorken en menschen** werkten trager in de borden, onder
't smullen aan een zalige roastbeef met tomaten en morieljes**, en allen
hadden 't lang en breed over Nonkelkens gaven en deugden en drukten nog
eens hun spijt uit dat hij veel te vroeg gestorven was. Diè had verstand
gehad van leven, diè wist wat goed en lekker was, diè had van zijn
fortuin geprofiteerd en er ook anderen van laten profiteeren!
"Il avait une cave, de vieux bordeaux, de fins bourgognes, onder ander
ne Romanée** van 't joar tsjeventig; je ne vous dis que ça!" juichte de
dokter; en hij zond met zijn vingers aan den mond een klakkerigen zoen
in de lucht.
"Le vin.... et la fààmme!" ging plotseling een zware stem aan den
versten hoek der tafel op.
Een overweldigend gelach barstte onweerstaanbaar los, eensklaps door een
benauwde stilte gevolgd. Allen keken even schuw op naar meneer Vitàl, of
hij 't niet kwalijk nam. Maar meneer Vitàl lachte hartelijk mee en
dadelijk kwam ook weer de vrije, blijde stemming over het gezelschap.
Opnieuw praatten zij allen ondereen, in den toenemenden roes van lekker
eten en veel drinken; en haast allen wisten anecdoten te vertellen over
Nonkelken, waarbij de overige gasten van pret op hun stoel zaten te
schudden. Nauwelijks hielden zij zich even in, telkens wanneer Netje in
de kamer kwam, maar niet zoo gauw was ze weg of weer begon het, hoe
langer hoe grappiger en gewaagder, tot innige verbazing en
nieuwsgierigheid van meneer Vitàl, die wel veel van Nonkelkens fratsen
gehoord had, maar niet dacht dat hij het zóó bont had gemaakt. Het
benieuwde en prikkelde hem tevens, hij voelde haast een soort van
jaloezie, een vaag bewustzijn dat hij,--Nonkelkens erfgenaam en
opvolger,--wat hij ook deed, nooit zoo ongegeneerd en zoo ruim van het
leven zou kunnen genieten; en telkens werd zijn blik, als begoocheld,
weer aangetrokken naar den overwand, waar Nonkelkens geschilderd
konterfeitsel** hing te prijken: Nonkelken reeds op gevorderden leeftijd,
zijn nijdig, rood rimpel-gezicht met grijze bakkebaarden en dunne grijze
krulharen, als 't ware minachtend van uit zijn gouden lijst op de gasten
neerziende, in den trots en de voornaamheid van 't rood
decoratie-vlammetje**, dat zijn zwarte jas versierde. Ja, ja, Nonkelken
was een kerel geweest! Hij had gedomineerd, helder alles om zich heen
gedomineerd en aan zijn lusten onderworpen. Alleen de ziekte en de dood
hadden hem kunnen knakken.
"Il était fort! C'était un gaillard! Moar hij dronk te veel dzjenuiver,"
orakelde de dokter. "En op zijne leeftijd 'n deugt 't vreiwevolk euk nie
mier. Die loaste die 't hij hier g'had hèt, die Flavie, da was 'n
kanoalde**! L'alcóóól et Flavie, voilà ce qui l'a tué!"
"'t Bolleken!" riep een spotstem.
Weer proestte en giegelde** 't om de heele tafel; en de dokter lachte luid
mee om zijn geestige zet. "L'alcóóól et Flavie", ja, vooral Flavie, die
had hem den laatsten knak gegeven. En nu spraken zij allen over die
knappe, maar venijnige meid, die zoo klaarblijkelijk geprobeerd had
Nonkelken op 't einde van zijn leven heel en al in te palmen.
"'t Was tijd dat 't gedoan was, mesieu Vitàl, anders was 't hier amoal
't heure," verzekerde de dokter.
Het dessert stond op tafel, de champagnekurken knalden, de geestige wijn
parelde in de bekers. Meneer Vitàl voelde een heerlijk welbehagen in
zich komen. Hij at niet meer, hij zat achterovergeleund op zijn stoel,
rookend een groote, lekkere havana, zacht-voelend in zijn rug de
gezellige warmte van het houtvuur, de oogen rustig en vaag-spottend
kijkend naar de verhitte tronies van zijn gasten om de rumoerige tafel.
"L'alcool et Flavie! de drank en de vrouwen!" dat zouden ook zìjn
groote vijanden kunnen worden, vooral de drank, de overdaad in 't lekker
smullen en drinken. Maar hij kende 't gevaar en zou oppassen. Hij zou
van 't goede profiteeren, wel zeker, doch met mate. Nu en dan een enkele
keer, dat kwam er niet op aan, alleen 't dagelijksch exces, dàt was de
ramp. En meest allen die daar zaten,--die eters en drinkers,--konden hem
tot schrikbeeld dienen. Hun gezwollen roode gezichten, hun doorloopen,
uitpuilende oogen, hun dikke nekken en dikke buiken, alles getuigde van
overdaad en onhygiënisch leven. Allen reeds waren min of meer
beschadigd; en zij hadden mooi te gekken met het "bolleken" dat
Nonkelken gedood had, hun beurt zou ook wel komen; al de
overdaadsrampen: jicht, hartkwaal, pootje**, bolleken en nog meer, zaten
klaar om bij hen uit te barsten.
Dokter Van der Muijt, van lieverlede onder het gulle genieten zeer
familiaar geworden en tot intieme mededeelingen gestemd, riep eensklaps
dwars over de tafel tot meneer Vitàl:
"Da 'k in ou ploatse woare 'k zoe treiwen, mesieu Vitàl; c'est plus
hygiénique!"
Verbaasd en eenigszins onthutst keek meneer Vitàl hem aan. De anderen,
plotseling stil om de tafel, zaten met glimlachende belangstelling te
luisteren, benieuwd naar wat de dokter nog meer zou durven zeggen.
"Joa zeker," herhaalde deze met nadruk, "'k zoe mij 'n scheune, jonge,
malsche poeze zoeken."
De heele tafel schaterde.
"Lach gulder moar, lach gulder maar," voer de dokter
ongestoord-vrijpostig voort; "'k mien 't beter of da 'k het 'n zegge.
Geld 'n zoe ze nie moeten hén, moar ze zoe moeten snel 1) zijn, en
surtout gezond."