1) Mooi.

Zijn oogen lachten oolijk, peilend, op meneer Vitàl gericht; en

eensklaps flapte hij 't er uit:

"Hier,.... hier in 't dorp es er 'n meisken da percies ou affeiren zoe

zijn: 'n scheun, malsch jong, zille, en chic; mais pas de fortune."

"Wie ès 't, docteur, wie ès 't?" riepen zij allen, hoogst benieuwd over

de tafel buigend.

"Tuttuttut, dat 'n es gien spek veur ulderen bek," zei minachtend de

dokter; "mais pour lui, un garçon d'éducation," hernam hij, naar meneer

Vitàl wijs-vingerend, "veur hem es da geknipt!"

"Joa moar, wie ès 't, docteur, wie ès 't? We meugen toch wel weten wie

dat 't ès!" drongen zij allen ongeduldig aan.

"Mademoiselle de Saint Valéry, 't nichtsje van den búrgemiester,"

verklaarde de dokter.

Een algemeene, ernstige stilte viel plotseling om de tafel. Gewichtig

goedkeurend knikten de hoofden.

"Wie es dat, dokteur, woar weunt ze?" vroeg meneer Vitàl nu eindelijk

ook geïntrigeerd.

"Hoe! Kent-e ze gij nog niet? riep meneer Van der Muijt

verwonderd.--"Ginter, 't jonk meiske van 't kastiel, die bij heur

nonkel, 't barontsje, weunt!"

Meneer Vitàl kende haar niet, had haar nooit. gezien. Hij kende ook nog

zoo weinig menschen op het dorp. Wel had hij een paar keer

't burgemeestertje gezien en ook om zijn kasteel gewandeld, dat nog al

een eindje buiten de kom der gemeente lag, maar dat was ook alles. Van de

verdere familie had hij niets gemerkt. Hij wist niet eens dat het

barontje een nicht bij zich aan huis had.

"Goat-e noeit noar d'heugmesse?" vroeg de dokter. Meneer Vitàl schudde

't hoofd. Hij ging altijd naar de tweede mis.

"Hawèl, goa zondag ne kier noar d'heugmesse en zet ou 'n beetse van

veuren, ge zil ze zien; ze komt er altijd mee heur nonkel en heur

tante."

Meneer Vitàl glimlachte. Dat voorstel van den dokter maakte hem

vroolijk. Hij had volstrekt nog geen zin om te trouwen; hij dacht aan

zijn vriendinnetje in de stad. Die heeren moesten 't eens weten, ze

zouden zeker vreemd opkijken!

"Non, mais ce n'est par pour rire; 't es heul serieus, zille," drong de

dokter aan.---"Goa zondag ne kier noar d'heugmesse: vous verrez, elle

est charmante. Mais pas de fortune, zille; orpheline ruinée. Da z' heur

nonkel nie 'n ha, ze zoe moeten in 'n kleuster goan."

"Oui mais, docteur, une demoiselle noble n'épouse pas un roturier**; elle

dérogerait**," plaagde meneer Vitàl.

"Joa? Zoe-je 't peizen? Probeert-e kier; ge zilt ze wel krijgen."

Hij glimlachte nog schalkscher, knipte met zijn oogen; en, op

vertrouwelijken toon:

"Z' hè al noar ou geïnformeerd, weet ge?"

"Haaa!" riepen al die heeren uiterst belangstellend.

Meneer Vitàl voelde zich een lichte kleur krijgen. Hij begon iets

onkiesch te vinden in de wending van 't gesprek. Toch was hij weer sterk

geïntrigeerd, en half met tegenzin, half ongeloovig, kon hij toch niet

laten nog even te vragen:

"Joa? Da verwondert mij. A propos van watte? Z'n kent mij toch niet."

"Curiosité de femme, mon cher. Z' hè mij da gepasseerde weeke gevroagd,

binst da 'k in 't kastiel op visite was, veur heur tante.--Ze wist da

g'hier nou weunt in de ploatse van Nonkelken; en ze wilde weten hoe da

g'er uit zag, hoe oud da ge woart, waarmee da g' hier ouën tijd

passeerde en of ge van gedacht woart om hier winter en zomer te blijven.

Ah! ces femmes, ce que ça vous interroge!"

"Cé** l'amour!" riep plomp een grove stem over de tafel; en weer brak een

algemeene schaterlach los.

Meneer Vitàl lachte heel stilletjes mee, rookend op zijn stoel

achterovergeleund. Hij voelde zich gelukkig, hij had op 't oogenblik

geen onvoldane wenschen. Het leven mocht voor hem zoo voortduren; hij

zou voorloopig niets beters en niets anders verlangen. Hij liet opnieuw

de glazen vullen, gaf de sigaren rond en belde om de koffie en

likeuren.--Langzaam daalde de avond. Zij zaten al uren aan tafel en er

was geen een die sprak van op te staan. Ook van het doel hunner

bijeenkomst--de nieuwe jacht-regeling--was nog geen enkel woord gerept.

Maar 't kon meneer Vitàl niet schelen, hij voelde zich gelukkig. Hij

keek naar buiten in den tuin, waar stille grijze mist in schemering

begon op te wasemen, langzaam stijgend naar de onbewegelijke toppen van

de boomen, waar reeds hier en daar een heldergele streep van voorbarig

herfstloover tusschen de groene kruinen vlamde. Hij had geen zin om uit

te gaan en ook geen zin om op te staan; het was hier goed zoo, met den

rug naar 't knappend houtvuur, dat rooder in de neerzijgende duisternis

zijn vlammen-tongetjes uitlikte, dansend-schijnend op de donkerroode

tronies van de opgewekte gasten, in den geurigen damp van de sigaren.

Hij voelde zich daar als een prins in een klein vorstendom en af en toe

keek hij werktuigelijk op naar het portret van Nonkelken, dat grimmig

wegsmolt in de schemering, tusschen de langzaam-tanende glimstreepen van

zijn gouden lijst. "L'alcool et Flavie!".... meneer Vitàl glimlachte,

stil en innig, met getemperd-ondeugende blikken naar het konterfeitsel

van het oud viveurtje. Opgepast! Heden was ook hij op de grens.... maar

't was niets voor één keer. Morgen zou de dag weer kalm en het hoofd

weer helder zijn.

Netje kwam binnen en vroeg of zij 't licht zou aansteken. Meneer Vital

knikte goedkeurend; maar dokter Van der Muijt stond plotseling op:

"Menieren, blijf gulder nog moar watte, moar mij moet g' excuseeren, 'k

hè nog zieke te bezoeken."

"O! docteur! docteur! En w'n hên nog van de jacht nie gesproken!"

protesteerden zij allen.

"Wel, arrangeer het moar onder mallekoar; veur mij es 't al goed wat da

ge beslist, moar 'k moe veurt."

"O, as 't azeu es we goan euk," zeiden die andere heeren.

Eensklaps was de stemming gestoord en er kwam iets nuchters over het

gezelschap.

"Blijf nog 'n beetsen, we zillen nog 'n potje pakken," zei meneer Vitàl,

ook spijtig dat het nu zoo ineens uit zou wezen.

Die heeren aarzelden even; maar de stemming wàs er niet meer. Enkelen

waren reeds opgestaan en hadden hun stoel weggeschoven en nu kwam de

ontvanger De Reu met een voorstel voor den dag, dat onmiddellijk de

goedkeuring van allen had:

"Loat ons liever 'n partijtje goan kaarten bij Sietjen, in _d'Ope van

Vrede_. Komt-e mee ons mee, meneer Vitàl?"

Meneer Vitàl was totnogtoe** in geen enkele dorpsherberg geweest. Hij

voelde wel dat hij er onvermijdelijk eens toe komen zou, maar nu, in de

verbroken stemming die hem vaag ontnuchterde en misnoegde, had hij er

een instinctieven weerzin tegen. Neen; hij zou dezen keer nog maar niet

meegaan; liever op een anderen avond. Zij drongen aan, doch hij bleef

stug bij zijn besluit, sterker voelend zijn weerzin, het voelend als

iets dat hem sarde en plaagde en dat hij van zich af wou schudden.

Zij namen afscheid en vertrokken zonder hem. Hij leidde ze uit tot aan

de voordeur, zag hun plompe groep vaag in de schemerige stilte van de

straat wegsmelten; en toen hij weer in de verlaten eetzaal kwam, bij de

rommelige tafel met leege borden en glazen en bemorst kleed, stond hij

daar even als verdwaald en wist hij verder niet meer wat te doen. Zou

hij hen toch maar nagaan? Het was plotseling zoo akelig stil en eenzaam

in huis. Hij stond er even over na te denken, roerloos, besluiteloos, de

oogen op het vuur. Neen, tòch niet; hij wilde niet. Het was te dom, hij

had er eensklaps genoeg van, van die stompe lui. Wat 'n verloren middag!

Zij hadden nog niet eens dat beredderd waar ze voor gekomen waren: de

regeling der jacht. Neen, hij ging niet. Maar wat dan? 't Was nog maar

zeven uur; eten zou hij niet meer, in lezen had hij geen zin, van rooken

was hij beu en zóó vroeg kon hij immers ook naar bed niet gaan. Hij

aarzelde, misnoegd, ontevreden. Hij nam toch nog 'n sigaar, trok een

overjas aan, zette 'n pet op en ging in den tuin, Maar ook daar

verveelde 't hem al dadelijk. Het was er grijs, kil, nattig, somber,

ongezellig. Op 't bruggetje over het beekje stond hij een poos te

soezen, de armen op de leuning, de oogen in de diepte, naar het grauwe,

klotsende water. Plotseling kreeg hij een idee: met zijn automobiel

uitrijden! Maar waar naartoe? Naar de stad, bij Irma, zijn

vriendinnetje!....

Met vluggen tred liep hij terug naar huis toe. In de keuken hielp

Louitje, de chauffeur, Mietje en Netje de vaten omwasschen. Meneer Vitàl

roemde even Mietjes fijn diner, dat al die heeren zoo bizonder lekker

hadden gevonden en vroeg dan aan Louitje of de phares van den wagen wel

in orde waren.

Het chauffeurtje knikte bevestigend.

"Goa-je nóú nog uitrijen, meniere?" riep Mietje haast verschrikt.

"Joa ik, Mietjen, 'k moe 'n beetse vessche lucht scheppen."

De jongen liet zijn afwasscherij in den steek, veegde zijn handen droog

en liep naar de deur.

"Moe 'k mee, meniere?" vroeg hij.

"Nie g' Louitje; 'k goa 'n endeken alliene. Moar steekt de lichten aan

en zet in gank."

"O, meniere, past toch op veur d' ongelukken," zei Mietje met bezorgd

gezicht.

"Ge meugt gerust zijn, Mietje," glimlachte hij.

"En wanneer komt-e dan soupeeren, meniere!"

"O, Mietje, 'k en zoe nie mier keunen!"

"Ha moar ge zilt honger krijgen onderwig, meniere! Weet-e wa da 'k zal

doen, 'k zal wa geried zetten tegen da ge thuis komt."

Netje bracht hem zijn bril, zijn dikke pet, zijn leggings en zijn

zwaren, bonten mantel. Hij zei goên avond en ging buiten.

In de wijd-open remise stond de wagen, helderwit-stralend uit zijn drie

aangestoken phares, reeds te ruischen. 't Was als een glanzend manelicht

tot ver over het grasveld en de heesters. Hij stapte in, zette in gang,

beantwoordde met een licht hoofdgeknik den groet van Louitje, die zijn

pet afnam, en reed met een langzamen, sierlijken zwaai om de bocht rond

het kasteeltje van het erf. Plotseling hield hij in. Hij was reeds een

eind in de stille straat en kwam achterwaarts teruggereden. Louitje, die

hem bij het hek stond na te kijken, kwam ijlings toegesneld.

"Mankeert er iets, meniere?"

"Nien nien 't, Louitje, moar 'k was de verkierde kant uit; 'k goa noar

Amertinghe rijen."

De wagen reed nog even met groot gedruisch scheef-achteruit, plofte weer

stil en knarste, keerde zich half en gleed eindelijk zacht-zingend, in

de mee-vliegende glinstering van zijn heldere lichten, het dorp uit en

den nacht in.--Meneer Vitàl had zich bedacht.--Om rechtstreeks naar de

stad te rijden moest hij de herberg, _d'Ope van Vrede_, waar die heeren nu

zaten, voorbij. Zij zouden hem hooren en 't beschaamde hem vaag. Liever

reed hij langs een verren omweg naar de stad.

De wagen snorde, gezellig zacht-zingend en veerend, in matige vaart. De

schitterende phares strooiden hun manelichtend schijnsel, wit als

sneeuw, ver vóór hem uit, fel-beglanzend ook de zware boomstronken en

't klaterend struikgewas aan beide kanten van den weg. Hier en daar stond

een huisje fantastisch midden in het groen: een huisje

wit-of-geel-gekalkt, met vlammend-roode pannendak, en dat door al zijn

schel-verlichte ruitjes als met flikker-lachende oogjes in dolle

huppelvaart op hem scheen afgevlogen en gedanst te komen, om dan

plotseling, met de harder bruischende voorbijtocht van den wagen, als

't ware omgegooid, weer in 't nacht-duistere te verdwijnen. De frissche

koelheid van het rennen deed hem goed, de nevelen verwaaiden uit zijn

hoofd en hij genoot heerlijk van het vrije vliegen, zoo heel alleen in

zijn lichtend-en-dansenden wagen, door de donkere avond-eenzaamheid. Hij

zette grootere versnelling op. De wagen zoemde, scheen zich uit te

rekken, schuifelde als een vuurkogel tusschen de dubbele rij

helder-verlichte boomstammen. Wat was 't verrukkelijk zoo te vliegen! Er

bestonden geen afstanden meer. Maar plotseling vertraagde hij

aanzienlijk, hield bijna stil.--Daar reed hij vlak voorbij de oprijbaan

van het kasteel en eensklaps dacht meneer Vitàl weer aan de conversatie

van de dorpsheeren, aan dat jong, hem onbekend nichtje van den

burgemeester, dat daar met haar oom en tante op het kasteel inwoonde.

Een soort van medelijden greep hem aan. Wat moest het pijnlijk zijn zoo

in de frissche vrije jaren van je jeugd aldoor maar het genadebrood te

eten! De weg kronkelde, liep in een breede bocht om 't kasteel en van

verre zag meneer Vitàl, tusschen de zwarte kruinen van het park, een

paar verlichte ramen, boven en beneden. Wellicht zat ze daar ergens, bij

een lamp, lezend of bordurend, bij dien oom of die tante. En zonder er

iets van af te weten stelde hij zich haar leven van ongefortuneerd jong

nichtje als saai en kleurloos voor, een leven zonder echte vreugd noch

zonneschijn, een leven van stille verdrukking. Zou het wel waar zijn,

dat ze naar hem geïnformeerd had, of was dat maar een verzinsel van dien

kluchtigen dokter? Een vage nieuwsgierigheid ontstond in hem, hij wou

haar toch wel eens zien. Misschien zou hij zondag naar de hoogmis gaan

en wat vooraan komen zitten.--'t Kasteel was uit het zicht, de weg

kronkelde verder door, meneer Vitàl draaide even aan een kraantje en

weer snorde de wagen vliegensvlug vooruit. Hij reed door dorpjes, suffig

ingedommeld reeds, met hier en daar een schamel lichtje achter

neerhangende gordijntjes, en waar zijn late doortocht even een gedruisch

verwekte, dat met hem verdween; hij kwam ten slotte op een breeden,

lijnrechten, met reusachtige boomen beplanten steenweg, die zich zonder

eind scheen uit te strekken. Lichtjes blikkerden in 't verschiet, hij

kruiste zwaarbeladen vrachtwagens, rijtuigen, karren; en nu en dan zag

hij in de verte, onder het zwart-donkere der als tot een tunnel

in-elkaar-gegroeide kruinen, twee helder-glanzende vuur-oogen op hem

afkomen, stralend-witte oogen van verblindend licht, die, evenals zijn

phares, hun dansend-flikkerend schijnsel in een breed vlak voor zich

uitstrooiden. Een horengetromp brulde, hij trompte tegen, de lichten

vloeiden samen en weken van elkander af en de twee auto's snorden

bruisend-weerlichtend, als sneltreinen, elkaar voorbij. Hij naderde de

groote stad, de lichten werden talrijker, de eerste huizen spatieerden

zich aan beide kanten van den weg, vormden van lieverlede korte, telkens

onderbroken rijen, sloten zich eindelijk tot een straat, met tram-rails

in het midden en wandelaars vóór de heldere winkelramen, aan elkaar.

Langzamer reed hij, nu en dan trompend. Hij kruiste rechts en links door

zijstraten, stak dwars over een plein, reed eindelijk, heel traag

zwenkend, binnen in een groote hal, waar nog enkele auto's en ook

rijwielen en stoomfietsen stonden. Een bediende kwam naar hem toe, hielp

hem den wagen een plaats geven, vroeg of er iets aan gedaan moest

worden. Meneer Vitàl bestelde olie en benzine en zei dat hij over een

paar uur terug zou komen. Zijn dikken mantel, zijn leggings en zijn bril

lei hij op de zitbank neer, stak een sigaret op en verliet de garage.

Hij had een plannetje. De flinke tocht door de avondkoelte had hem weer

eetlust gegeven; als Irma toevallig nog niet gesoupeerd had, zou hij

haar naar een restaurant meenemen.

't Was al een oude, sleurige connectie, die van hem en Irma. Hij had met

haar kennis gemaakt, enkele jaren geleden, in het café-chantant waar zij

haar liedjes uitkraaide, was daar avond aan avond als stamgast komen

zitten, domweg zijn geld, zijn tijd en gezondheid er aan verknoeiend,

tot hij eindelijk dat leven beu, er haar had weggenomen en gekamerd**.

Een tijdlang was 't dan een gezellig en plezierig leventje geweest, pret

en vrijheid gansche dagen; maar toen het geld op raakte hadden zij

gekibbeld, waren van elkaar gegaan, hadden zich weer verzoend, waren nog

eens gescheiden en opnieuw weer bij elkaar gekomen, tot het hen beiden

niet meer schelen kon en zij maar samen bleven uit gewoonte, in

onderlinge afspraak dat zij wederzijds vrij waren weer van elkander weg

te gaan, wanneer het hun believen zou. Tot aan Nonkelkens dood was het

zoo een onsamenhangende aaneenschakeling van ruptures en verzoeningen

geweest; maar na zijn groote erfenis had Irma flink de hand op hem

gelegd en was opeens héél zoet en lief geworden, bewerend dat ze

doodelijk veel van hem hield en waarlijk zonder hem niet zou kunnen

leven. Hij was er de dupe niet van, maar wel een beetje bang voor

geworden, had eensklaps als een dwang over zijn leven gevoeld, waarvan

hij niet meer zoo gemakkelijk zich los zou kunnen worstelen. Nooit mocht

hij nu langer dan een paar dagen van haar wegblijven; en dan nog klaagde

zij dat zij hem zoo weinig zag en dreigde telkens hem op zijn dorp te

komen opzoeken. Zij was heel kwaad, omdat hij op dat dorp nu woonde en

begreep niet hoe of hij zich met die "schtoemme boeren", zooals zij in

haar eigenaardig grens-duitsch, al de dorpelingen over één kam

geschoren, minachtend noemde, amuseeren kon. Zij wilde nauwelijks

aannemen dat hij er wezen moest om zijn belangen na te gaan en verweet

hem dat hij er zeker een ander lief had zitten, zooals zijn oude

pierewaaier van 'n oom er destijds ook in huis op nahield. Meneer Vitàl

moest haar nu telkens met beloften en cadeautjes paaien en voelde soms

sterk den heimelijken lust om van haar af te zijn. Doch van een anderen

kant was hij door gewoonte en sleur aan haar verslaafd en 't idee dat

zij een ander lief zou nemen was hem vlijmend-onuitstaanbaar van

sensueele jaloezie. Hij voelde instinctief dat zij er best toe in staat

was en dat stoorde zijn rust en op de ongewachtste** uren kwam hij soms

bij haar invallen, maar had nog nooit iets verdachts kunnen ontdekken.

Zij woonde boven een sigarenwinkeltje in een stille, ietwat afgelegen

buurt. Met vlugge schreden stapte hij er heen. Hij zag van verre

't licht van het uitstallingsraampje in de donkere, verlaten straat; en

schuivend in de schaduw langs de huizen kwam hij er binnen.

Het deurbelletje klingelde en door een glazen binnendeur met gordijntjes

kwam een juffrouw in het winkeltje te voorschijn.

"Mademoiselle Irma thuis?" vroeg hij, gewoon, zooals hij altijd deed.

Het meisje schudde langzaam, ietwat verlegen glimlachend het hoofd:

"Nie, meniere, z'es uitgegaan."

"Zeu," zei hij, teleurgesteld. En in ontevredenheid versomberde zijn

gelaat.

"Z'es noar de cirque, meniere, mee ne kameroad."

Ne kameroad! Hij kon zich aan dat woord maar niet wennen. Telkens meende

hij dat het een man was.

"Mee wie, mademoiselle?** vroeg hij vorschend, wenkbrauw-fronsend.

"Mee Palmyre, meniere, woar da ze dikkels mee uitgaat."

Die Palmyre, was een gewezen bar-maid**, thans door een ouden heer

onderhouden. Haar vriendschap met Irma ergerde en verveelde meneer

Vitàl. Vroeger waren er dikwijls scènes door ontstaan. Maar hij had er

zich al lang bij neergelegd, wel begrijpend dat zij toch niet altijd kon

alleen zitten en trouwens ook geen andere vriendinnen dan van dit soort

krijgen zou.

"'t Es goed," zei hij.--Hij kocht zich enkele sigaren en ging heen.

Buiten stond hij even stil, aarzelend. Een vage lust kwam in hem op om

maar dadelijk weer naar de garage te gaan en met zijn automobiel te

vertrekken. Maar hij voelde zich geprikkeld, hij wou nu wel graag bij

haar zijn en althans wilde hij weten of ze de waarheid gezegd had, en

werkelijk met die Palmyre naar den cirque was.

Hij nam ineens zijn besluit, keerde zich om en stapte naar 't paardespel**

toe. Hij zou zich ergens in een hoekje schuil houden en haar van daar

uit in de zaal trachten te ontdekken.

Na enkele minuten loopens kwam hij vóór het groot gebouw. De ruime

vestibule, waarin slechts een politie-agent en een pompier met elkaar

stonden te praten, was één schel-schittering van oranje-glanzend licht

en achter de zware, dichte tochtdeuren galmde, in een chaos van

geluiden, dof-dreunende muziek en handgeklap en stemgejuich van menigte.

Hij nam zijn kaartje en ging binnen.

Vlak vóór hem stond de korte, breede gang naar de arena gevuld door

chicque heeren met lichte handschoenen en glimmende hooge hoeden. Dat

trof uitstekend. Hij was niet groot van gestalte; tusschen de ruggen

door zou hij goed kunnen zien, zonder zelf opgemerkt te worden.

Hij zag trouwens eerst niets anders dan een wemelende schitter-chaos. De

reusachtige ruimte was goed bezet, honderden en honderden gezichten

vertoonden zich in den halven cirkel, als zooveel ronde, lichte vlekken

zonder physionomie-uitdrukking naar hem toegekeerd, terwijl alle oogen

vast stonden geboeid op de bewegingen der kunstrijdster, die in haar

flikkerend, tegen de knieën plakkend en naar achter wegwaaiend

pailjettenrokje, recht op het zadel rondom de smalle arena zwierde. Een

livrei-man die in 't midden stond, langzaam als een as om zichzelf

draaiend, klapte aanhoudend met een lange zweep, en de bleeke, tamelijk

zware schimmel galoppeerde in muziek-kadans, onverschillig onder de druk

beenen-spartelende écuyère**, die ook door korte zweepslaagjes en

schrille gilletjes het ietwat luie beest aanwakkerde.

Meneer Vitàl schoof zich een weinig meer naar voren en keek aandachtig

rond. Eén voor één nam hij al de vakken op, links en rechts, rij voor

rij, van onder tot boven. Nergens was Irma met haar vriendin te zien.

Hij trok zich terug, volgde even den circkel**-binnengang, kwam door een

tweede, korte en breede opening, waar ook enkele toeschouwers stonden,

omzichtig weer tot dicht bij den drempel der zaal, en keek opnieuw.

Maar ook van af die plaats ontwaarde hij haar niet. Zijn wenkbrauwen

trokken zich boos-fronsend samen, zijn hart joeg sneller, hij begon zich

bedrogen te voelen en scherp stak weer de doorn der jaloezie. Het was

een plots hevig verlangen naar haar; een bijna vicieuze behoefte, die

toenam en vlijmender werd naarmate zijn kans verminderde. Zij was van

hem, hij had recht op haar, hij moest en wilde haar vinden en hebben.

In den cirk** dreunde en daverde 't plotseling van wild-uitbarstend

geschetter. De lichte rijdster wipte gracieus door roze hoepels, telkens

met een gilletje in 't zijig scheuren van 't papier den kunstsprong

wagend, neervallend met haar roze knietjes op het breede zadel, weer

opwippend en dadelijk in kadans-gewieg weer aanloop nemend om opnieuw te

springen, steeds sneller en sneller, met scherpere gilletjes en

onverpoosde zweepslagen, tot zij zich eindelijk vermoeid liet neerzakken

en glimlachend, met sierlijke buigingen en stralende oogen, aanhoudend

groette 't dankbaar-juichend volk. De muziek zweeg, de rijdster klopte

met haar kleine hand over de manen van 't nu rustig-stappend paard; en

eensklaps kwamen, onder reusachtig joel-gejuich, de clowns in de arena

aangebuiteld, een kleine magere en een groote dikke, beide met

meel-witte gezichten en opgekuifde pruik, en die dadelijk overdreven

begonnen te kibbelen en elkander oorvegen te geven, dat zij er tegen den

grond bij ploften. Te gelijkertijd greep op een der boven-gaanderijen

een heftig spektakel plaats. Een rare man met wit gezicht en vuurrooden

neus, in een belachelijk-langen zwarten rok gekleed, met een witte kraag

waarvan de tippen tot over zijn ooren uitstaken, met een lang, wit vest

dat op zijn knieën bengelde en daaronder broekspijpen die nauwelijks tot

aan zijn enkels reikten, stond daar onder razend lawaai te schreeuwen en

te gesticuleeren; en plotseling stortte hij buitelend en rollend, dwars

door het schrilgiegelend en uit elkaar stuivend publiek naar beneden,

struikelde tegen een bediende dien hij terloops een klinkende mep gaf,

sprong op den dikken clown en wierp hem met een plof omver, waarbij iets

in den man, als onder een kanonknal, scheen te barsten; vloog daarop

naar den kleinen magere, deed hem ronddraaien als een tol en vluchtte

eindelijk weer naar boven, stampvoetend, springend en giegelend, gekke

gezichten trekkend en uitbundig schermend met armen en beenen, als in

dol-onbedaarlijke pret.

Het volk zat zich te kronkelen van uitgelaten joligheid; en eensklaps

zag meneer Vitàl, werktuigelijk met den blik de aftocht van den August

volgend, de vruchteloos gezochte Irma zitten naast haar vriendin Palmyre

in een loge, vlak tegenover hem, dicht bij de plaats waar nu de clown

weer zat te schimpen, te lawaaien en te grinniken. Zij lachten en zij

schaterden om 't meest, het hoofd naar August omgewend, en niemand

anders was er om of bij haar, geen heer noch hofmaker. Zij vierden,

louter om de pret, haar circus-avondje.

Een vreemd gevoel kwam plotseling in meneer Vitàl geslopen: een soort

van toegevend medelijden, met wroeging gemengd; en meteen ontstond in

hem een wondere kalmte, terwijl zijn vurig, bijna kwaadaardig verlangen

naar haar als ijle damp verzwond. Hij had ineens niet de minste behoefte

meer haar bij zich te hebben; een zachte gewaarwording van rust liet hem

geheel bevredigd en werktuigelijk trok hij zich in 't donkere van den

binnengang terug, opdat zij hem niet zien zou. Nog eventjes bleef hij

van verre naar haar kijken, toegevend-genietend van haar kinderlijke

pret; en toen weer de muziek opgalmde en 't lichte paarde-danseresje in

de schittering van haar pailletten-rokje op het galoppeerende paard

begon te zwieren, verliet hij stil het rumoerig gebouw en verloor zich

onopgemerkt in de menigte bij den uitgang.

Hij was nu weer goed en gelukkig gestemd en dacht een grapje uit. Hij

liep even terug naar het sigaren-winkeltje en vroeg er een enveloppe en

een stukje papier. Hij schreef haar slechts één enkelen regel:

"Bien amusée au cirque avec Auguste?" en teekende.

Glimlachend ging hij weg, nam in zijn eentje nog een lekker potje bier

in een café, keerde terug naar de garage en stoomde alleen huiswaarts,

door de landelijke stilte van den nacht.

Mietje was nog op en vroeg hem met bezorgd-ernstig gezicht wat hij nu

eten zou.

"Niemedalle, Mietje," glimlachte hij. "'K hè zéú goed geëten van doage

en 'k ben moe; 'k goa noar mijn bedde."

Op zijn kamer brandde 't licht. Vlug kleedde hij zich uit, nam een boek

en legde zich ter ruste.

Hij las maar enkele minuten. De beteekenis der zinnen vervaagde en

verwarde in zijn slaperige hersens, mengde zich met de herinnering aan

de gebeurtenissen van den afgeloopen dag. Hij lei zijn boek op

't beddetafeltje, blies met inspanning het lampje uit, zuchtte zwaar en

sloot de oogen. Onsamenhangende beelden en impressies zweefden nog een

poosje vóór zijn troebelen geest, zacht-slaperig in hem gewiegd door

't vaag geruisch in ondertoon van 't kabbelend beekje. Nonkelken, de

dorpsheeren, 't verhaal over het meisje van 't kasteel, het snorren van

zijn motor, het lichtend vliegen, van den wagen door den nacht met de

dansflikkering in de ruitjes der hem tegemoet hollende huisjes; en dan

de lichte rijdster op haar paard, 't gejuich van het gepeupel in den

circus en de pret van Irma en Palmyre om den August.... alles warde en

woelde als een wemelende chaos door elkaar.--Maar alles verzwond

eindelijk weer in vage doezeling en alleen het onbekende beeld van

't meisje uit 't kasteel hield hij even nog onduidelijk in zich vast. Toen

was 't of hem een spotgeest plagen kwam: de spotgeest van dokter Van der

Muijt, die hem grinnikend in 't oor blies, als sprak hij nog van

Nonkelken:

"L'alcóóóól et Flavie!"

Hij grijnslachte in zijn slaap en keerde zich op zij, als om de tergende

woorden van den plaaggeest te ontwijken. Maar telkens kwam het, als een

zeurdeuntje terug: "L'alcóóóól et Flavie!" en meteen zag hij iets dat op

en neer ging, een vervelend rond balletje, een kleurloos, waterig,

glasachtig dingetje, voortdurend stijgend en weer dalend,

treiterig-onverjaagbaar. Hij sloeg er naar en het verdween dan voor een

poosje; maar 't oogenblik daarna was het er weer, steeds sarrend opgaand

en dalend, dansend vóór zijn geest een spotdansje, als om hem voor de

gek te houden. Plotseling wipte 't in zijn keel en met een benauwde

slikzucht schrikte hij half wakker:

"Tonnerre de Dieu!" brabbelde hij.

"L'alcóóóól et Flavie!" treiterde de spotstem. En weer begon het

balletje te dansen.

Hij keerde zich naar den muur en sloot de vuisten op zijn oogen.

Het balletje verdween en hij sliep rustig in.

Zacht-eentonig zong in de sombere diepte van den tuin het kabbelend

beekje op zijn glimmend bed van keien...

Den volgenden ochtend ontving hij al vroeg, per extra-spoed-bestelling,

van Irma een briefje:

"Oh! quel domage, mon cher chéri à moi," schreef zij in het eigenaardig

Fransch, dat zij in het café-chantant geleerd had, "que tu soi parti

hier san matendre. J'auré tan aimé t'embraser. Méchan! Tu as donc été au

cirque et tu m'as vu san venir me cherché: Tu voi comme je te sui

fidele. Quan je dis d'allé quelque par j'y vai et pas ailleur. Revien--

moi vite maintenan, car je t'attend avec impasiance.

Ta petit femme qui t'embrase folleman.

't Bolleken · 第 9 / 36 题