Meneer Vitàls nieuw leven was begonnen en de eerste weken waren vol
verrukkende verrassingen. Hij was eerst bang geweest voor te veel vrijen
tijd, voor gebrek aan bezigheid; maar alle dagen waren tot nog toe zoo
goed bezet, dat die vrees al dadelijk week, terwijl hij meer en meer tot
de overtuiging kwam, dat het hem integendeel veel moeite, inspanning en
wilskracht kosten zou, zelfs later de noodige gelegenheid en rust te
vinden, om zijn onderbroken studies voort te zetten en te beëindigen.
Dit bleef niettemin zijn vast voornemen. Hij wilde zijn diploom van
advocaat bezitten, wel niet om in de praktijk te gaan, maar om het
althans te hebben als een eeretitel, uit een gevoel van trots en
eigenwaarde tegenover zichzelf en de wereld. Maar de dagen, de weken en
weldra ook de maanden verliepen en van studeeren was geen kwestie meer.
Zijn boeken en cahiers lagen op elkaar gestapeld in een la van zijn
werkkabinet, hij zag ze en bevoelde ze haast elken ochtend, hij nam ze
soms ter hand en doorbladerde ze even, met van inspanning gefronste
wenkbrauwen enkele paragrafen lezend; maar hij voelde dat hij er reeds
uit was, hij raakte er elken dag meer en meer uit en in zijn geest kwam
een soort onvermogen, als door 'n ankylose** van zijn hersens, terwijl
een toenemende afkeer van de studie, die somtijds tot walg steeg, hem in
kwellende machteloosheid nederdrukte. Hij schudde zuchtend 't hoofd en
keek naar buiten, waar het lieve zomerweer zoo machtig lokte, hij sloeg
weldra zijn boeken dicht en schoof ze diep weer in de la, niet langer in
staat de bekoring te weerstaan. Ach neen, het ging niet, het gedwongen
werken in een duffe kamer, terwijl buiten de vogeltjes zongen en de
bloempjes geurden; hij stond maar op, ontstak een pijpje, zette een pet
op en ging wandelen in den tuin. Waarom ook zou hij zich nog nutteloos
geweld aandoen? Het hoefde immers niet, er was nu tijd genoeg voor hem;
en op een ochtend besloot hij naar zijn cahiers en boeken niet meer om
te zien voordat de korte, slechte winterdagen hem gedwongen zouden thuis
zetten. Dan zou hij vanzelf wel weer aan de studie gaan, dan zou er geen
afleiding meer zijn, dan zou hij niets anders meer te doen hebben. En
zoo gaf hij zichzelf opnieuw vacantie tot den winter, in volle vrijheid
zonder zorgen, om nog eens goed en ruim, gedurende enkele weken, te
genieten van alles wat hij tot nog toe, in zijn tamelijk kleurloze,
financiëel-bezwaarde jeugd, had moeten ontberen.
Hij had een rijwiel, waar hij eerst veel mee uitreed; maar dat leek hem
nu wel wat te schraal in zijn gefortuneerde positie en hij kocht zich
een automobiel. 't Was ook zoo inspannend en vervelend dat aanhoudend
trappen en schokken over de straatsteenen. Met de automobiel huurde hij
ook een jongen chauffeur. De oude keukenmeid had zelve reeds, al spoedig
na 't vertrekken van Flavie, voor een tweede meisje,--een jong nichtje
van haar--gezorgd.
Nu reed meneer Vitàl er maar den ganschen dag lustig op los. Het nieuwe
van de pret, 't gezellig snorren van den motor, het zachte veeren van de
banden, het heerlijk vliegen door de wijde ruimte, 't was alles een en
al verrassing en verrukking! Hij voelde zich alsof hem plotseling sterke
vleugelen waren aangegroeid, hij was geen oogenblik meer gebonden aan
een vaste plek; hij was hier en daar in een minimum van tijd; hij nam,
in minder dan één halven dag, het beeld en 't leven van een gansche
landstreek in zich op. Het gaf hem iets wilds, iets rusteloos, iets
uitgelatens, iets dat vroeger heelemaal niet in hem was. Hij had al
sinds lang in de stad een vriendinnetje--een gewezen
café-concert-zangeres--en hij kon haar nu naar hartelust* bezoeken; maar
ook zonder bij haar aan te gaan, voor een of andere beuzelarij, om een
paar handschoenen, een doosje sigaretten of een dasje te koopen, nam hij
zijn wagen en reed naar de vijf-en-twintig kilometer ver gelegen stad.
Daar trof hij soms zijn vroegere vrienden aan, bleef met hen eten of
inviteerde ze mee op zijn buiten; en bracht hen dan 's avonds terug naar
de stad. Door hem kwam plotseling een heel nieuw leven en beweging in
het dorpje, al was het tot nog toe een leven dat er door- en langs
heenvloog, zonder er zich bepaald in te mengen. Populair was hij lang
nog niet, zooals Nonkelken geweest was, maar de menschen mochten hem
toch wel, al kenden zij hem nog weinig, en hoopten, dat hij later zich
vanzelf meer met zijn dagelijksche omgeving zou bemoeien.
Trouwens, het begon reeds. Naarmate de zomer verstreek was de
automobiel-pret aan 't afnemen en in 't najaar wilde hij gaan jagen.
Daar had hij hulp en raad voor noodig, want hij wist er heel weinig van
af en zoo kwam hij vanzelf in aanraking met enkele dorpsheeren, die
jagers waren. Meneer Van der Muijt, Nonkelkens vroegere dokter, hielp
hem met de kennismaking. Hij stelde meneer Vitàl voor aan den
kantonrechter, aan den notaris, aan den ontvanger, aan den stoker, den
brouwer en nog een paar andere voorname heeren, allen jagers. En die
jachtkwestie bleek terstond een héél gewichtige en zelfs ietwat
ingewikkelde zaak, waarover grondig diende nagedacht en beraadslaagd te
worden. Meest al die heeren, namelijk, bezaten hun jachtterreinen om en
bij meneer Vitàls hofsteden en landerijen en vroeger hadden zij met
Nonkelken een vriendschappelijk accoord gesloten, waarbij zij wederzijds
op elkanders gronden gingen jagen en op gemeenschappelijke kosten
jachtbewakers en koddebeiers** aanstelden. Dat had een tijdlang
uitstekend gewerkt, maar de laatste jaren was, door Nonkelkens ziekte,
het accoord verbroken en ieder weer zijn eigen gang gegaan. De groote,
belangrijke kwestie zou nu zijn de vroegere schikking op eenigszins
gewijzigde grondslagen, daar er nieuwe mededingers waren bijgekomen,
weer tot stand te brengen.
"Doet er mee lijk of ge wilt, veur mij es alles goed," zei meneer Vitàl.
"A la bonne heure! In da geval moên we'n vergoarijnge beleggen," meende
dokter Van der Muijt.
Meneer Vitàl dacht eventjes na, en eensklaps inviteerde hij, gulhartig:
"Wel.... weet-e watte.... Komt al te goare bij mij dineeren, we zillen
'n decisie nemen."
De dokter keek hem vroolijk, schalks-knipoogend aan.
"Tiens, l'idée n'est pas mauvaise," glimlachte hij.--"Zal ik het aan die
heeren zeggen? Tegen wannier?"
"Nen dag van toekomende weeke,.... dijssendag, weunsdag, as ge wilt,
't es mij iender."
"Entendu," zei de dokter, die steeds graag zijn gewoon Vlaamsch dialekt
met wat min of meer fransche zinnetjes doorspekte. "We vergoaren van den
aovend** in den _Dobbelen Oarend_ en 'k zal ulder d'invitoassie
meedielen. A propos, mesieu Vitàl, woarom 'n komt-e gij zelve noeit op
stamenee? Ge zoedt da ne kier moeten doen; vous rencontreriez de joyeux
camarades?"*
Eenigszins onthutst keek meneer Vitàl den dokter aan.
'K en weet 't nie," aarzelde hij. "K en hè doar lijk nog nie op gepeisd.
'K zal meschien wel e kier komen."
"C'est ca, doet datte; vous nous ferez plaisir."
Toen de dokter weg was stond meneer Vitàl even roerloos na te denken.
Hij schudde 't hoofd. "Neen, dat doe ik toch niet," dacht hij in
zichzelf. En hij voelde ook reeds vage spijt over zijn tè spontane
invitatie. Waarom ook had hij 't gedaan? Dat hoefde toch immers niet. En
wat had hij ook aan dien plotseling intiemen omgang in zijn huis, met
menschen, waarvan hij enkelen zelfs niet van uiterlijk kende? Enfin,
't was nu te laat berouwd. Hij was wat onbesuisd geweest, maar in
't vervolg zou hij beter oppassen.
* * * * *