Opeens was meneer Vitàl de bezitter van een vrij aanzienlijk vermogen!
Hij erfde alles, volgens wettelijk verloop, behalve twee uitkeeringen:
vijfduizend frank aan de oude meid, die gedurende meer dan dertig jaren
zoo lekker voor Nonkelken gekookt had; en vijftienduizend aan de jonge,
die slechts drie jaar bij hem woonde, doch hem op een andere wijze
groote diensten had bewezen. De oude snikte tranen van dankbaarheid,
maar de jonge was woedend ondanks haar genereus geschenk, en schold op
Nonkelken en op meneer Vital**, schreeuwend dat 't 'n schande was van
zoo'n oude smeerlap en dat ze 't alles aan de groote klok zou hangen,
indien de neef er niet heel wat bijpaste. Meneer Vitàl maakte korte
metten met haar. Hij gaf haar 't geld en zond haar op staanden voet weg;
maar aan de goedige oude vroeg hij om te blijven, in afwachting dat hij
besloten had hoe hij nu zelf zijn verder leven schikken zou.
Daar stond hij opeens voor 't groote, gewichtige vraagstuk. Hij was
bezig aan zijn laatste examen, waar hij reeds eenmaal voor gezakt was.
Dat was de schuld geweest van een der professoren, die een wrok tegen
hem had. Zoo beweerde hij althans en was ook diep overtuigd van wat hij
beweerde. Maar wat zou hij nu doen? Verder doorstudeeren, advocaat
worden om den broode**, dat hoefde niet meer. Hij kon voortaan doen en
laten wat hij wilde. Het schraal inkomentje, waarvan hij, na den dood
van zijn half-geruïneerden vader leven moest, was nu opeens als een
goudmijn geworden. Die nijdige professor, die, een week te voren, zijn
toekomst nog in handen had, kon hem nu niets meer deren, niets meer
schelen. Hij was zijn eigen heer en meester, hij had zich maar te laten
glijden op den eensklaps glad voor hem geworden levensweg en alles zou
goed zijn, hij was zeker, zéker van in veilige haven aan te landen. Doch
hij twijfelde en aarzelde. Met Nonkelkens ziekte en dood, met de
beslommeringen van begrafenis en erfenis, had hij noodzakelijk een tijd
verloren die, voor hem ten minste, die niet sterk geprepareerd was,
bijna niet ingehaald kon worden. De dag van zijn exaam lag tamelijk
dicht in 't verschiet; hij had geen tijd, en ook geen lust, althans niet
op dat oogenblik, om nog grondig te studeeren; zooveel andere zaken en
belangen vulden nu zijn hoofd; hij had nog niet eens al Nonkelkens
boerderijen,--nu zijn boerderijen--bezocht; hij wist nog niet waar de
bouwlanden lagen, waar de huizen stonden; en menschen kwamen hem reeds
spreken over herstellingen, veranderingen, over allerlei dingen waarvoor
hij tijd en rust moest hebben;.... dat alles warde en draaide in zijn
hoofd; en zoo zag hij zich weer vóór den nijdig-grinnikenden professor
zitten, die hem sarrend ondervragen zou, die alles zou uitpluizen om hem
nog eens te doen zakken, die juist van de moeielijkheid waarin hij zich
bevond gebruik zou maken om hem.... neen, neen, de mogelijkheid van zulk
een vernedering zou hij in zijn nieuwen toestand niet dulden; plotseling
was zijn besluit genomen; hij zou zich maar niet meer presenteeren,
althans dat jaar niet; hij zou kalm wachten tot alles in zijn leven vast
beredderd en op orde was en daarna zijn studies hervatten en eerst voor
het eind-examen opkomen, wanneer hij zóó sterk onderlegd was, dat hij
bij geen mogelijkheid meer zakken kon.
Dit vast besluit, hetwelk een einde stelde aan al zijn weifelingen,
vervulde hem eensklaps met een vol-bewust en bijna juichend gevoel van
stevige kracht. Zijn lippen sloten zich in een decisieve plooi op elkaar
en hij ging voor een spiegel staan, als zou hij er een uiterlijk nieuw
wezen in zijn eigen beeltenis ontdekken.
Hij zag zich, klein en eenigzins** gedrongen van gestalte, met vierkante
schouders en blond krulhaar. Een ernstige plooi lag tusschen zijn
wenkbrauwen gegroefd en zijn blauwe oogen glommen ietwat flets, als
vischoogen, achter de glazen van zijn lorgnet. Hij streek even, met
wijsvinger en duim, zijn rafelig, blond snorretje uit en trok het
opkrullend blond puntbaardje van zijn kin een paar keer naar beneden.
Toen keerde hij zich met een vastberaden beweging om en ging naar de
oude meid in de keuken.
"Mietje," vroeg hij, zonder omwegen, "hoe zoe je 't vinden as ik hier
bleef weunen?"
De meid, die bezig was met haar kachel te poetsen, keerde zich bruusk,
als onder een heftige ontroering, tot haar nieuwen meester om.
"O meniere, meniere!" stotterde zij, haar roetzwarte handen met
opengesperde vingers in de hoogte houdend.
"Hoe! Es 't ou goeste niet?" lachte hij.
"O, meniere, meniere!" herhaalde zij, nog dieper bewogen, en eensklaps
kwamen tranen in haar oogen, die zij haastig met haar mouwen wegveegde,
"o, meniere, 'k 'n kan hoast nie mier klappen van altroassie**, dat
'tmij zuk 'n greut plezier doet. 'K hè d'r toch al zeu dikkels** op
gepeisd; zòè menier hier nou nie blijven? Zòèdt hij nou da scheun
kastielke verloaten om weere noar de stad te goane? Zòèdt hij...."
"Joa moar, Mietjen," onderbrak meneer Vitàl den plotselingen
woordenvloed, "'t en es veur altijd nie, zulle; te noaste joare** moe 'k
toch weere noar de stad."
"Ha moar ge'n zilt dàt toch niet doen, meniere!" gilde de meid met
schrikoogen.
"Ha 't doet, Mietje, mijn loaste exoame."
"Tuttuttut ou loaste exoame! 'n Zij ne kier zeu onneuzel niet!" riep de
meid eensklaps verontwaardigd-familiair.--"Ge'n moet gij gien exoame
mier passeeren; ge zij gij ne kastielhiere en ge moet gij hier op ou
kastiel blijven, en noar ou pachters gaan, en joagen en uitrijen en ou
amezeeren mee d'ander hieren van 't dorp; dà moet-e gij doen. Es as g'
ou genoeg geämezeerd hèt ou 'n broaf, ierlijk meiske van goeje
famielde zoeken en d'r mee treiwen. En zeu lank of da ge nie getreiwd
'n zijt zal ik ou blijven dienen lijk da 'k Nonkel zoaliger gediend hè;
en den dag da ge treiwt weinsch ik ou geluk en goa 'k wig om hier
ploatse veur 'n ander te moaken.--Nie, nie," hoofdschudde zij op een
aanmerking van meneer Vitàl, die tevergeefs haar overstelpenden
woordenvloed poogde tegen te houden, "nie, nie, doar 'n moet-e mij nie
van spreken: 'n jonge mevreiwe en 'n oud meissen dat 'n kom noeit
overien; moar as ik ou ne road mag geven, menier Vitàl, zegt aan ou
vreiwe da ze gien al te jonge 'n neemt, want dat 'n deugt euk nie,
menier Vitàl, w'hên da hier ondervonden mee die Flavie, die ge
wiggezonden hèt. Och Hiere, och Hiere, dat 'n was toch gien goeje,
menier Vitàl! Kijk, 'k en zoe van niemand gien kwoad wille klappen, moar
lijk of ze zij mee Nonkelken dee,.... nie nie, nie nie, dat 'n was gien
goeje, menier Vitàl, dat 'n was gien goeje!"
"Joa?.... wat dee-ze dan?" vroeg meneer Vitàl, die eensklaps met groote
belangstelling luisterde.
Maar de oude meid, bewust wellicht dat ze te veel ging zeggen, had zich
reeds tot haar kachel gekeerd en was hoofdschuddend weer aan 't poetsen,
doende of ze meneer Vitàls vraag niet verstaan had. Hij lachte even in
zichzelf, maar drong niet verder aan. Hij begreep dat hij voor te groote
familiariteit van wege 't oudje op zijn hoede moest zijn. Hij zei alleen
nog maar dat hij zoo tevreden was omdat ze bij hem wilde blijven,
wenschte haar "goe-nacht" en ging naar zijn kamer.
"Goe-nacht, meniere," snikte 't weemoedig-gestemd oudje hem na. "'K ben
tòch zeu gelukkig, tòch zeu gelukkig..... da g'hier goat blijven."
Ontroerd keek meneer Vitàl nog even naar haar om.
"Bonne vieille,.... fidèle esclave," murmelde hij in zichzelf.
* * * * *
Boven op zijn kamer stonden de beide boogramen tegen 't helder-donkere
van den nacht wijdopen. Het sterren-flonkerend uitspansel stond er
omlijst in te tintelen als in twee groote, somber-blauwe schilden vol
stralende edelgesteenten. Hij ging voor een der ramen staan en staarde.
Alles was stil als in een rustelooze oneindigheid. De tuin lag
schaduwzwart, met hier en daar slechts de vaag-bleeke nevelvlekken van
bloeiende bloemperken en heesters, en van verre kwam een zoetgeurende
lucht zacht naar hem toegewaaid: de welriekende aroma's van het
versch-gemaaide gras uit de omliggende weilanden. Tot in het diepste van
zijn longen ademde hij die heerlijk-bedwelmend op. Wat was het alles
schoon, gezond en vreedzaam! Wat 'n weelde van levenskracht en geluk lag
daar voor 't grijpen om hem heen gespreid. De toekomst lachte hem
streelend aan; gezondheid, fortuin, onafhankelijkheid, eer, genot en
liefde, alles, àlles was voor hem; hij had het maar te nemen, hij had
het maar te willen. Hij dacht aan Nonkelken en glimlachte, stil, met
verteederden weemoed. Ook Nonkelken had hier vrij en gelukkig geleefd
en hij begreep en waardeerde nu beter dan vroeger 't leven van `t oud
viveurtje: alleen heer en meester, alles naar zijn zin en zijn
verlangen, lekkere keuken en knappe jonge meid, een pacha-leventje,
zonder zorgen noch lasten, egoïstisch-gelukkig voor zichzelf en voor de
enkelen, die zijn dagelijks geluks-bestaantje medeleefden. Geen zware
studies, geen overtollige fratsen, geen ongewenschte wereldsche
verplichtingen noch vormen, geen dwang van welken aard ook: enkel de
vrijheid, de heerlijke vrijheid, de volle harmonie van 't leven, in de
bestendige, ongedwarsboomde verwezenlijking van alle bereikbare
begeerten. Alleen dat leven zelf, waarvan Nonkelken soms te veel gevergd
had, had zich eindelijk gewroken; en dàt was Nonkelkens schuld en
zwakheid tegenover al zijn heerlijke voorrechten geweest. "L'alcóóól!"
zooals de dokter het brutaal had uitgeroepen; die had het hem gedaan!
diè had hem tien jaar voor zijn tijd geknakt! "Hoe was het mogelijk?"
dacht meneer Vitàl; hij begreep het niet. Maar 't was zoo: Nonkelken had
zich met een traag-werkend vergift gezelfmoord! En starend voor het open
raam in de rein-gezonde geuren-atmosfeer van den sereenen zomernacht,
dacht meneer Vitàl aan Nonkelkens onbewustheid over 't gevaarlijke van
zijn toestand, aan die vreemde aberratie** van het "bolleken", waaraan hij
vast geloofde en al zijn kwalen toeschreef. Hij glimlachte stil, maar
een huivering bekroop hem. De drank, en, met den drank de neiging tot
allerlei andere overdaad, dàt was de vijand, de groote vijand, de
wraak-vijand van het geluk der rijke menschen. Dat moest hij nooit
vergeten; daar moest hij steeds voor oppassen!
Daar zóú hij voor oppassen! Hij zuchtte, als loosde hij een pak van
't hart en keek een laatste maal over de glanzende, plechtige stilte heen,
voelend zich hoog en sterk boven alle gevaren, die zijn geluk konden
bedreigen.
Een ritseling bewoog de takjes van een cederboom onder zijn venster en
eensklaps zong de nachtegaal, heel even, met kristalhelder galmende
stem. Hij zweeg en herbegon niet meer. Weer daalde als een zegen de
ongestoorde, heilige stilte van den zomernacht. Alleen nog suisde in de
diepte van den tuin 't onzichtbaar beekje, heel zacht nu met gedempt
gekabbel, in 't rustig glijden van zijn helder water over de gladbemoste
ruggen van zijn glimmend keitjes-bed.
* * * * *