Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op
úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is
binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig
einde komen.”
Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk staat: „de
voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de
nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens
opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van
den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het
chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het
„loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en
het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is.
Dezen last gaf ook Shoen aan Yü.
(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker
gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat
ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het
duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf
fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken.
Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op
míjn lichaam.”
Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie
instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte
deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij
gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen
opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar
wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping tot Shang Ti
geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee
is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk
is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis,
d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten
beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging,
dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg
geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van
Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden,
die dus in staatsdienst moeten zijn.
Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt.
Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de
wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en
de regeering ging haar (goeden) weg.
Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families,
welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst
ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van
het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht
beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met
zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn
oprechtheid vertrouwde het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg
hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd.
Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang.
Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó
dat hij de regeering (goed) kan leiden?”
De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en
de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed)
kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone
dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend
zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort;
verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen;
majestueus zijn en niet woest.”
Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De
Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van
heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet
verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die
als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op
menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook)
verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of
hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine
zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en
niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat
hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne
gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn
en niet woest?”
Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag
van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen
regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.”
Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?”
De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood
brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben
en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt
genoemd verdrukking. Zonder aandrang bevelen uitvaardigen en, als de
tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke
opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen,
(belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen,
dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).”
De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men
geen Kiün Tszʼ zijn.
Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet
gevestigd.
Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.”