BOEK XX.

Yaou zeide: „O Shoen, de orde van successie van den Hemel rust (nu) op

úw lichaam. Houdt ernstig het Midden (Choeng) vast! Als er ellende is

binnen de vier zeeën zal uw traktement van den Hemel tot een eeuwig

einde komen.”

Met „de hemelsche orde van successie”, waar letterlijk staat: „de

voorgestelde en berekende getallen van den hemel” wordt bedoeld de

nalatenschap van vorige keizers en koningen, die elkaar telkens

opvolgden „als de seizoenen van den hemel.” Het „traktement” van

den Hemel, welk woord hier eenigszins vreemd klinkt, is in het

chineesch niet zoo leelijk, omdat verondersteld wordt, dat het

„loeh” van hooge mandarijnen hun door den Hemel beschoren is, en

het woord „loeh” eenigszins een heilig woord is.

Dezen last gaf ook Shoen aan Yü.

(Thʼang) zeide: „Ik, het kleine kind Lí, durf gebruiken een donker

gekleurd offerdier, en durf u aankondigen, alleropperste Shang Ti, dat

ik den zondaar niet durf vergeven, en ik uw ministers niet in het

duister zal laten. Het onderzoek van hen is in uw hart! Als ik zelf

fouten bega, ligt dat niet aan (het volk) der tienduizenden streken.

Als (het volk) in de tienduizenden streken fouten begaat, rust dat op

míjn lichaam.”

Vertaler moet bekennen, dat hij hier niet voor zijne versie

instaat, daar de tekst hem nog lang niet helder is. Thʼang uitte

deze woorden—een mannelijk rund tot offering daarbij

gebruikende—tegen het volk en de verschillende edelen, toen hij hen

opriep tegen Kjeh Wang, den tyran der Hia dynastie. Met den zondaar

wordt bedoeld Kjeh. Ik vermoed, dat zijne aanroeping tot Shang Ti

geschiedde (Legge vertaalt het door „God” wat geen chineesch idee

is), maar ik ben er niet geheel zeker van. Wat mij wèl duidelijk

is, is, dat hij beloofde, de waardige ministers niet in duisternis,

d. i. ongebruikt te laten; dat als hij zelf misdaden of fouten

beging, dit niet aan het volk lag, maar als het volk fouten beging,

dit aan hem, den vorst lag, omdat hij het dan niet goed genoeg

geleerd had. Dit laatste werd ook later een der hoofdstellingen van

Confucius. De „ministers van Shang Ti” zijn de waardigen en goeden,

die dus in staatsdienst moeten zijn.

Chow gaf groote gaven, en de goeden werden verrijkt.

Hij droeg nauwlettend zorg voor maten en gewichten, onderzocht de

wetten, herstelde de ten onrechte afgedankte ambtenaren (in dienst) en

de regeering ging haar (goeden) weg.

Hij deed uiteengevallen staten weer opbloeien, herstelde families,

welker afstammingslinie was afgebroken, hief in den staatsdienst

ambtenaren weder op, die zich teruggetrokken hadden, en de harten van

het volk in het geheele rijk keerden zich tot hem. Wat hij van gewicht

beschouwde was het voedsel van het volk, de rouw, en de offering. Met

zijn edelmoedigheid verkreeg hij (de liefde van) allen. Door zijn

oprechtheid vertrouwde het volk in hem. Door zijn activiteit verkreeg

hij (groote) werken. Door zijn gerechtigheid waren allen verheugd.

Met Chow wordt hier bedoeld Woe Wang.

Tszʼ Chang vroeg aan Confucius, en zeide: „Hoe moet iemand doen, zóó

dat hij de regeering (goed) kan leiden?”

De Meester antwoordde: „Laat hem de vijf schoone dingen eerbiedigen, en

de vier slechte dingen verbannen; dan zal hij de regeeringen (goed)

kunnen leiden.” Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vijf schoone

dingen noemt?” De Meester zeide: „Weldadig zijn en niet verkwistend

zijn; het opleggen van werk (aan het volk) zonder dat het mort;

verlangen zonder begeerigheid; waardig zijn zonder trotsch te wezen;

majestueus zijn en niet woest.”

Tszʼ Chang zeide: „Wat noemt gij weldadig zijn en niet verkwistend?” De

Meester zeide: „De dingen, waar het volk (natuurlijk) voordeel van

heeft nog voordeeliger te maken, is dit niet weldadig zijn en niet

verkwistend? Uit te kiezen de werken die kúnnen gedaan worden, en die

als werk opleggen, wie zal (daarover) morren? Zijn verlangen zetten op

menschlievende (regeering), en die menschlievendheid (dan ook)

verkrijgen, wie zal dat begeerigheid noemen? Zonder er op te letten of

hij met allen of met weinigen te doen heeft, met groote of kleine

zaken, geen oneerbiedigheid te toonen, is dit ook niet waardig zijn en

niet trotsch? Hij zet zijne kleederen en zijn muts recht, en maakt dat

hij waardigheid heeft in zijne blikken, zoodat hij, aldus in zijne

gestrengheid, met ontzag wordt aangezien; is dit niet majestueus zijn

en niet woest?”

Hier zij even tusschengevoegd, dat met de „iemand” in de beginvraag

van Tszʼ Chang natuurlijk wordt bedoeld „iemand die een hoogen

regeeringspost bekleedt, b. v. die van minister.”

Tszʼ Chang zeide: „Wat is het, dat gij de vier slechte dingen noemt?”

De Meester zeide: „Het niet geleerd hebben en (toch) het volk ter dood

brengen,—dit wordt genoemd wreedheid. Niet (eerst) gewaarschuwd hebben

en (direct) het volmaakte werk eischen (van het volk),—dit wordt

genoemd verdrukking. Zonder aandrang bevelen uitvaardigen en, als de

tijd aangebroken is (met de uiterste gestrengheid onmiddellijke

opvolging eischen),—dit wordt genoemd mishandeling. Over ’t algemeen,

(belooningen of salarissen) geven, en dat op een gierige manier doen,

dit is als enkel maar „ambtenaar” handelen (zonder menschelijkheid).”

De Meester zeide: „Zonder de decreten van den Hemel te kennen kan men

geen Kiün Tszʼ zijn.

Zonder de Lí (het Decorum) te kennen is het karakter nog niet

gevestigd.

Zonder te weten (wat) woorden (zijn) kan men de menschen niet kennen.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 106 / 107 题