BOEK XIX.

De geleerde (die in staatsdienst is) is, als hij gevaar ziet, gereed

zijn leven te geven. Als hij (winst) te verkrijgen ziet denkt hij om

rechtmatigheid. In de offering denkt hij om reverentie. In het rouwen

denkt hij om de smart. Deze is, zooals hij wezen moet.

Tszʼ Hia zeide: „Elken dag erkennen, wat ons (nog) ontbreekt, en elke

maand niet vergeten, wat men (reeds) kan, kan met recht liefde voor de

studie heeten, naar ik meen.”

Tszʼ Hia zeide: „Handwerkslieden wonen in hun winkels om hun werk te

volmaken. De Kiün Tszʼ studeert om zijne principes tot het hoogste op

te voeren.”

Tszʼ Hia zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie gedaanteverwisselingen. Van

ver af gezien is hij streng; naderbij gekomen is hij zacht; als zijne

woorden worden gehoord is hij beslist en ernstig.”

Tszʼ Hia zeide: „Als de Kiün Tszʼ (eerst) het vertrouwen van zijn volk

heeft, kan hij het later werk opleggen. Als hij dat vertrouwen niet

heeft, zal het voor hem zijn of hij het verdrukt. Als hij eerst het

vertrouwen (van zijn’ Vorst) heeft, kan hij hem later vermanen. Als hij

dat vertrouwen niet heeft, zal (de Vorst) van hem denken, dat hij hem

belastert.”

Met „de Kiün Tszʼ” wordt hier blijkbaar bedoeld „de Kiün Tszʼ, die

een minister of hoog ambtenaar is.” Als voorbeeld van de

uitgebreide en dikwijls geheel met elkaar in contrast zijnde

beteekenissen, die één chineesch karakter kan hebben, diene, dat

het woord „Lī” dat in het vorige fragment „majestueus”, „ernstig”

en „beslist” kon beteekenen, hier „verdrukken” is.

Tszʼ Hia zeide: „De ambtenaar (als zijn dienst is afgedaan) moet zijn

overige krachten besteden aan de studie; de (geleerde) als zijne

studies (afgedaan zijn) moet zijn overige krachten besteden aan (de

studie van) regeeren.”

Tszʼ Hia zeide: „De rouw moet tot het hoogste opgevoerd worden van de

smart, en daarmede uit.”

Ook hier, evenals in vele vorige gevallen, zien wij, dat

buitensporig uiterlijk rouwvertoon volstrekt niet werd vereischt,

maar het ware wezen van den rouw, de smart, het eenige was dat hare

waarde bepaalde.

De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: „Iemand

kan nog niet het alleruiterste waartoe hij in staat is getoond hebben,

en het dan (later) toonen in den rouw voor zijne ouders.”

M. a. w. het beste wat in den mensch is komt dikwijls eerst te

voorschijn als een groote smart over hem is gekomen.

De filosoof Tseng zeide: „Ik heb onzen Meester hooren zeggen: De Hiao

(ouderlievendheid) van Meng Choeang was iets, wat andere menschen ook

(wel) kunnen, maar zijn niet veranderen van de ministers zijns vaders

en van de regeering zijns vaders, dat was iets moeilijks om te kunnen

(doen).”

Meng Choeang was het hoofd van de groote clan Meng, en leefde kort

voor Confucius.

Tszʼ Koeng zeide: „De fouten van den Kiün Tszʼ zijn als de zon- en

maaneclipsen. Hij faalt, en alle menschen zien het; hij verandert

(weer) en alle menschen zien er tegen op.”

Shoeh Soen Woe Shoeh zeide tot de hooge ambtenaren aan het hof: „Tszʼ

Koeng is eerwaardiger (mensch) dan Choeng Ni (Confucius).”

Tszʼ Foeh King Poh deelde dit mede aan Tszʼ Koeng. Tszʼ Koeng zeide:

„Laat mij dit vergelijken met een huis en zijn ommuring. Mijn muur komt

(slechts) tot de schouders. Als men er (overheen) gluurt ziet men wat

er voor goeds in moge zijn.

„De muur van mijn’ Meester is vele vademen hoog. Als men de deur niet

(te vinden) krijgt om binnen te komen, ziet men niet de schoonheid van

den voorvaderlijken tempel en de rijke glorie van de vele mandarijnen.

Maar er zijn er misschien weinigen, die de deur vinden.

„Was (dus) het gezegde van uwen Meester (die immers die deur niet wist)

niet, wat hij wel móest zeggen?”

Shoe Soen Woeh Shoeh was het hoofd der groote clan Shoeh Soen. Tszʼ

Koeng, die beroemd was om zijn vaardigheid in ’t spreken, geeft

hier in een zeer dichterlijk beeld een goed bewijs van zijne

welsprekendheid. Het volgende sluit hierbij aan:

Toen Shoeh Soen Woe Shoeh (eens) beleedigend van Choeng Ni (Confucius)

sprak, zeide Tszʼ Koeng: „Doe maar geen moeite. Choeng Ni kán niet

besmet worden. De deugden en talenten van andere menschen zijn (als)

heuveltjes en walletjes waar men overheen kan stappen. Choeng Ni is

(als) de zon of de maan, waar men niet overheen kan stappen. Al wil

iemand zich geheel afsnijden (van zijn omgang) hoe kan hij (ooit) de

zon of de maan kwetsen?”

Chan Tszʼ Kʼin sprak Tszʼ Koeng aan, en zeide: „Gij zijt (te) nederig.

Hoe kan Choeng Ni eerwaardiger zijn dan gij, Heer?”

Tszʼ Koeng zeide: „Om één woord wordt iemand (veelal) voor wijs

gehouden, en om één woord wordt iemand (veelal) voor dom gehouden. Wij

moeten stellig voorzichtig zijn met onze woorden.

„Men kan niet aan den Meester toe komen, evenals men den Hemel niet

langs trappen op kan stijgen.

„Als onze Meester eens (de regeering over) een staat of eene familie

verkreeg, zou hij wat hij deed precies doen zooals het wezen moest.

„Hij zou het volk planten, en het zou dadelijk gevestigd zijn. Hij zou

het leiden en het zou dadelijk (achter hem aan) gaan. Hij zou het tot

rust brengen, en (uit verre streken) zou het dadelijk aankomen (naar

zijn staat). Hij zou het opwekken en het zou dadelijk in harmonie zijn.

In zijn leven zou hij beroemd zijn. Bij zijn’ dood zou hij diep

betreurd zijn. Het aldus zijnde, hoe zou hij (ooit) te bereiken zijn?”

Met het „planten” zal wel bedoeld zijn het volk in een goede

omgeving plaatsen, elke klasse en soort in die voor haar eigen

positie.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 105 / 107 题