[1] „The Life and Teachings of Confucius,” 7th edition, London. Kegan
Paul, Trench, Trübner & Co.
[2] De in dit werk voorkomende chineesche woorden heb ik in ’t
zoogenaamde „mandarijn-chineesch” gegeven.
[3] In deze meer het sanskriet „dana”.
[4] Dus „wat den mensch eigen is, zooals een mensch (oorspronkelijk)
is.”
[5] De mystiek hier en daar in de „Choeng Yoeng” is n.l.
hoogstwaarschijnlijk van Tszʼ Szʼ en niet van Confucius zelf.
[6] Zoo bekent eveneens Prof. Legge, die van het in de „Choeng Yoeng”
voorkomende „Chʼing” terecht zegt „The ideal of humanity,—the perfect
character belonging to the sage—is indicated by a single character, and
we have no single term in English which can be considered as the
complete equivalent of it.”
[7] Dr. H. C. Muller. Schets der Helleensche of Grieksche letterkunde,
blz. 166. De cursiveeringen zijn van mij.
[8] Uit Plato’s „Wetten”, 5e boek, en Confucius’ „Loen Yü”, 11e boek.
Schoonheid hier in den zin van lichamelijke schoonheid natuurlijk, niet
in den allerhoogsten zin.
[9] Wetten. Boek 3, naar de fransche vertaling van de Grou en Becker.
[10] Wetten. Boek 4.
[11] Choe Hie leefde van 1130 na C. tot 1200 n. C.
[12] Letterlijk staat er „alle menschen binnen de vier zeeën” enz. (In
de „Loen Yü”.)
[13] Prof. Legge zegt o. a.: „The answer to Confucianism is China!”
Maar kan men dan niet even goed in China zeggen: „Het antwoord op
Christendom is Europa?”—Opium en christendom zijn in China met geweld
van ironclads ingevoerd, en het christendom handhaaft in China de leer
van oog om oog, tand om tand. Men kan onmogelijk eene filosofie of een
godsdienst beoordeelen naar den toestand van het land, waarin zij
ontstonden. Evenmin als Confucianisme China heeft het Christendom
Europa rein gemaakt. Maar niet naar den uitslag, naar de innerlijke
waarde moet hier gezien worden.
[14] Ik behandel hier de chineesche geschiedenis tot Confucius zoo
beknopt en kort mogelijk, alleen juist genoeg om te doen uitkomen, wie
de vorsten waren, die Confucius verheerlijkt.
[15] De zendelingen der protestante missies hebben God met Shang Ti
vertaald. Maar ofschoon deze naam nog de beste was, hebben de chineezen
daardoor meestal hun chineeschen Shang Ti voor den christelijken God
gehouden.
[16] Dat gebed om regen is ook nog tegenwoordig in gebruik.
[17] De familienaam van dezen Shoeh Liang Heih (dat zijn aparte
mandarijnennaam is) was Khʼoeng, dien dus later ook zijn zoon droeg,
dien men „Khʼoeng Foe Tsoe” ging noemen. Foe Tsoe is een titel, die
ongeveer ons „Meester” beteekent en aan vele geleerden werd gegeven.
[18] De naam „Kʼioe” is heilig geworden, en mag niet uitgesproken
worden met dien klank maar als „moh”. Moet de chineesche geleerde of
student het karakter schrijven, dan zet hij het eerbiedig in een
vierkantje □, om het te onderscheiden.
[19] „Loen Yü.”
[20] In een volgend deel van dit werk hoopt de schrijver meer speciaal
de taoïstische filosofie te beschouwen, en zal hij bij die gelegenheid
ook de gesprekken tusschen Confucius en Lao Tszʼ behandelen.
[21] Hwang Ti (de Gele Keizer), een keizer uit de oudheid, die van af
2697 v. C. 100 jaar regeerde. Thʼang of King Thʼang bevrijdde het rijk
van den tyran Kjeh Wang (1765 v. C.) of Kjeh Kwei en werd zelf keizer.
Hij is een der beroemde „Ouden”, de eerste van de Shang dynastie.
[22] Yiau en Shoen (2356 v. C. en later) zijn twee keizers, onder wier
regeering een tijd van volmaakten bloei moet hebben geheerscht. Zij
zijn dan ook het ideaal gebleven van keizers, die zich beschouwden als
de vaders van het volk.
[23] „Loen Yü” XII.
[24] „Loen Yü” XVIII.
[25] Eigenaardig is dat de eerwaarde abbé Grosier hiervan zegt: „Quel
système de philosophie aurait pu tenir contre un essaim aussi
redoutable de jeunes beautés folâtres, empressées de plaire, et armées
de tous les moyens de séduction?” En dat nog wel een abbé! (Zie zijn
„De la Chine, ou Description Générale de cet Empire.” Paris, Pillet.
1820.)
[26] Waar ik in vertalingen in dit werk „schoonheid” gebruik, lett.
„kleur”, is dit volgens de chineesche beteekenis van dat woord altijd
in slechten zin b. v. schoonheid van vrouwen als verleiding tot lust en
slechte hartstochten.
[27] Tsieh Yü was niet werkelijk krankzinnig; hij hield zich maar zoo,
om niet geroepen te worden tot een publiek ambt. Zijne woorden
zinspelen er op, dat Confucius verkeerd deed, zijne principes in zulk
een’ tijd van wanorde aldoor maar tevergeefs, zonder de minste kans op
succes, te verkondigen en als weg te werpen. Tsieh Yü’s echte naam was
Loeh Tʼoeng.
[28] Zooals in ’t begin van dit hoofdstuk reeds door mij is vermeld
heette Confucius ook „Kʼoeng Kʼioe.”
[29] De bedoeling was ironisch „dat hij (Confucius), die zoo
voortdurend van land naar land trok, en zoo overal een betrekking bij
de regeeringen zocht, dan ook dat veer diende te weten.”
[30] Andere naam van Tszʼ Loe.
[31] Den zin heb ik tot goed begrip niet letterlijk van den tekst naar
de letter vertaald, maar naar de bedoeling, verduidelijkt in den
commentaar.
[32] Lett.: „mijn Leer is uitgeput.”
[33] Volgens anderen was Confucius’ dood in 479 v. C.
[34] Met de werken van Meng Tszʼ (Mencius) samen vat men deze werken
samen onder den naam „Szʼ Shoe”, „De vier Boeken.”
[35] Deze heerschte van 960–1127 n. C.
[36] De chineezen noemen zich dan ook volgaarne „Han Jen” d. i.
Han-menschen.
[37] Mencius.
[38] Symbool van trouw en onvergankelijkheid.
[39] Een verre afstammeling van Confucius leeft nog, en wordt met
groote onderscheiding behandeld en aan het hof toegelaten.
[40] Szʼ Ma Tsʼien is een der beroemdste geschiedschrijvers van China,
wien europeesche geleerden den naam van „de Herodotus van China” hebben
gegeven. In zijn werk „Shʼ Ki” wordt de geschiedenis van China gegeven
van af keizer Hwang Ti tot den tijd van Woe Wang van Chow.
[41] Men versta hier meer onder „geest.” Het chineesche hiëroglyphische
karakter voor hart drukt èn hart èn geest uit. Ook wordt het hart
beschouwd als de zetel der ziel.
[42] Dit is gelatiniseerd in „Mencius,” zooals Khʼoeng Foe Tszʼ in
Confucius.
[43] Zie „Inleiding” blz. 13 over „Kiün Tszʼ.”—
[44] Yen Hwoey was de lievelingsdiscipel van Confucius.
[45] Tszʼ Loe, of Yioe, was een der beste en trouwste discipelen van
Confucius, die echter een groote neiging tot strijden had en beroemd
was meer om zijn groote dapperheid dan om zijn helder doorzicht. In de
„Loen Yü” hooren wij meer van deze discipelen.
[46] D. i. Het heilige Boek der Odes, één der vijf „Kings.”
[47] Dit „wonen” (lett. vertaald) heb ik behouden, daar ik deze
chineesche uitdrukking zeer juist vind voor „altijd iets blijven
betrachten zonder verandering.”
[48] Men zie vooral tot goed begrip van dit hoofdstuk eerst de
„Historische Ophelderingen,” vóór in dit boek.
[49] Zie „Historische Ophelderingen.”
[50] Ouderlievendheid.
[51] Zie vooral Inleiding blz. 8 over „menschelijkheid, Jên”.
[52] Let op blz. 8 (Inleiding) over wat hier met „menschelijkheid”
bedoeld wordt. n.l. „de volmaakte deugd van het hart.”—
[53] Ik heb hier Tao onzijdig genomen, waar elders mannelijk, om
verwarring met „den Wijze” te voorkomen. Strikt genomen kan het
geenerlei geslacht hebben natuurlijk.
[54] Zooals ik reeds in „Het Leven van Confucius” zeide, wordt het
betwijfeld, of Confucius wel dezen tekst ooit uitsprak en of Tsĕng Sin
wel de uitlegger en schrijver der volgende hoofdstukken was, en bestaat
hieromtrent geen zekerheid. Vertaler geeft echter Choe Hie’s opinie er
bij, omdat die nu eenmaal in bijna alle chineesche edities aan den
tekst is toegevoegd.
[55] Dit zou óók volgens de chineesche constructie kunnen beteekenen:
„is dicht bij den Tao (dan hier „Leer”) (van den Ta Hiŏh) zijn” en is
ook door velen zoo opgevat.
[56] Vroeger werd met penseelen op tabletten van bamboe of zijde
geschreven, nog niet op papier.
[57] Een geografische lí is 1458,53 voet, waarvan tien een fransche
„lieu” uitmaken (Wells Williams).
[58] Het einde der Shang dynastie wordt ook Yin dynastie genoemd.
[59] Men zou kunnen lezen „een grooten Weg” maar dit is het juiste toch
niet. Tao is in Confucius „het volgen van de Sing” dus „het volgen van
zooals goddelijk is,” „the doing of what is right.”
[60] Wells Williams geeft: „De ster Dubhe α in Ursus Major.”
[61] Dit is werkelijk het geval met de hooge chineesche poëzie die niet
alleen aan aesthetische, maar vooral aan ethische vereischten moet
voldoen.
[62] Meng Ie was een hoog mandarijn in Loe. Zijn eigen naam was Ho Kie.
[63] Faan Chʼi was een der mindere discipelen van Confucius.
[64] Meng Woe was de zoon van Meng Ie.
[65] Tszʼ Yioe was een van Confucius’ voornaamste discipelen, beroemd
om zijn kennis van Lí. Zijn naam was Yen Yang.
[66] Deze Hwoey is de beroemde Yen Hwoey, Confucius’ liefste discipel,
die in de „Loen Yü” herhaaldelijk wordt geprezen.
[67] Yioe was de familienaam van Tszʼ Loe.
[68] De hertog van Loe.
[69] Koning Woe verjoeg de Shang dynastie en werd onder den naam Kie Fa
de eerste keizer der Chow dynastie.
[70] Familienaam van Tseng Sin.
[71] Vooral hiermede bedoeld „de literatuur” wat echter in chineeschen
zin vanzelf ook godsdienst, ethica en moraliteit medebrengt.
[72] De afstand van de vorstelijke plaats wordt gerekend met graden of
stappen, naar gelang het aantal hooge staatsdienaren, die volgens rang
daar op zijde van staan.
[73] In den zin van „niet in gala gekleed”, „huisdracht.”
[74] Anderen naam van Fan Chʼi.
[75] somtijds meer als „vorst en minister” op te vatten.