BOEK XV.

De hertog Ling van Wei vroeg Confucius over tactiek. Confucius

antwoordde: „Ik heb alles gehoord van offervazen, maar militaire zaken

heb ik niet geleerd.” Den volgenden dag aanvaardde hij zijn vertrek.

De Meester zeide: „Tsʼze, gij ziet mij meen ik aan voor iemand, die

veel leert en dat onthoudt?”

Tszʼ Koeng antwoordde: „Ja, of is het niet zoo?”

De Meester zeide: „Neen,—ik breng het (alles) tot Één (terug).”

Zie Boek IV. No. XV met de Bespreking. Letterlijk staat er „ik rijg

het (alles) met één aan elkaar.”

Tszʼ Chang vroeg over het gedrag (van den Kiün Tszʼ zoodat hij overal

geapprecieerd zou worden). De Meester zeide: „Zijn woorden (moeten)

oprecht en waar (zijn), zijn daden eerlijk en reverent; al is men onder

de wilde barbarenstammen van ’t Zuiden of Noorden, moet men zich zoo

gedragen. Zijn zijne woorden niet oprecht en waar, en zijne daden niet

eerlijk en reverent, al is hij in (zijn eigen) „cheu”, hoe zal zulk een

gedrag geapprecieerd worden?”

„Als hij staat, laat hem (dan) die twee dingen zien, alsof ze vóór hem

waren. Als hij in zijn wagen is, laat hem ze dan zien (als) aan zijn

juk gehecht. Dan zal hij ze later ook in practijk kunnen brengen.”

Tszʼ Chang schreef deze raadgevingen op zijn gordel.

Een „cheu” is een streek van 2500 families.

De Meester zeide: „De vastbesloten geleerde en de mensch van volmaakte

deugd willen niet leven als zij hun menschelijkheid er door benadeelen.

Zij willen hun lichaam dooden om hun menschelijkheid te volmaken.”

Confucius leerde dus, dat, liever dan te leven ten koste zijner

menschelijkheid, de geleerde (of de deugdzame) zijn leven opofferde

om zijn menschelijkheid te redden.

De Meester zeide: „Als een mensch niet bezorgd denkt om wat veraf is,

zal het verdriet nabij zijn.”

De Meester zeide: „Het is gedaan! Ik heb nog géén gezien, die de deugd

liefheeft als de schoonheid.”

De Meester zeide: „Hij, die van zichzelf véél vergt, en van anderen

weinig, zal wrok vér van zich hebben.”

De Meester zeide: „Als een mensch niet (gewoon is) te zeggen: „Wat moet

ik hier van denken? Wat moet ik hier van denken?” zou ik niet weten wat

ik van hem moest denken.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is in nood over zijn (eigen) onkunde;

hij is niet in nood omdat de menschen hem niet kennen.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ heeft er een afkeer van dat na zijn’

dood zijn naam niet (meer) genoemd zal worden.”

Hierin verschilt Confucius geheel van Lao Tszʼ die leerde, dat als

het werk maar overbleef, de naam van den mensch er niets meer toe

deed.

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ zoekt (het) in zich zelven. De kleine

mensch zoekt (het) in anderen.”

De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ steekt geen mensch in de hoogte (enkel)

om zijn woorden, (maar) verwerpt (ook) geen woorden om den mensch (die

ze uitspreekt).”

De Meester zeide: „Als alle menschen iemand haten, moet men daar

stellig onderzoek in doen. Als alle menschen iemand liefhebben, moet

men daar stellig onderzoek in doen.”

Tszʼ Koeng vroeg over deugd. De Meester zeide: „De handwerksman, die

zijn zaken goed wil doen, moet stellig eerst zijne gereedschappen

scherpen. Als gij in een staat leeft, neem dan dienst met de meest

eerwaardigen onder de hooge ambtenaren, en wees vrienden met de

menschelijken onder de geleerden.”

De meester zeide: „Fouten hebben en ze niet verbeteren, dit is (eerst

recht) fouten hebben te noemen.”

De Meester zeide: „Voor het volk is menschelijkheid méér dan water of

vuur. Ik heb gezien, dat wie op water of vuur traden stierven, (maar)

ik heb nooit gezien, dat wie in (het pad van) de menschelijkheid traden

stierven.”

De Meester zeide: „(Ieder) moet de menschelijkheid op zichzelf nemen.

Men mag haar niet aan zijn’ Meester overlaten.”

De Meester zeide: „In ’t dienen van zijn’ Vorst doet (de Kiün Tszʼ)

zijn dienstzaken in reverentie, en zijn eten beschouwt hij als een

latere zaak.”

Dit sloeg op de begeerigheid der ambtenaren, die hun traktement als

de hoofdzaak beschouwen.

De Meester zeide: „Is er onderricht dan zijn er geen klassen (van

menschen).”

Confucius was alzoo het liberale en democratische beginsel

toegedaan, dat door goed onderricht alle menschen, van welken rang

of stand ook, gelijken konden worden.

De Meester zeide: „Zijn hunne principes niet gelijk, dan kunnen

menschen niet samen plannen maken.”

Letterlijk staat er „Is de Tao niet gelijk,” wat ik meen hier met

„principes” te mogen vertalen. Confucius bedoelde, dat als de

grondbeginselen, de fundamenteele ideeën „van wat goed of slecht

is,” zooals Choe Hie in zijn commentaar zegt, niet gelijk zijn, er

ook verder geen redeneering of samenwerking mogelijk is. Twee

menschen kunnen elk van hun standpunt gelijk hebben, maar de

kwestie is, welke die principieele standpunten zijn. Wij zouden

deze gelijkheid van principes gerustelijke eene „sympathie” kunnen

noemen. Waar die tusschen menschen ontbreekt is samenwerken en

begrijpen onmogelijk.

De Meester zeide: „De taal moet (de bedoeling) overbrengen, daarmede

houdt het op.”

Eenvoud, leerde Confucius dus, moet het kenmerk van de taal zijn,

die simpel de meening moet uitdrukken, anders niets. Choe Hie voegt

er in zijn commentaar aan toe: „Men moet geen werk maken van

rijkheid of mooiïgheid (van taal).”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 101 / 107 题