BOEK XVI.

(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een

rijk of eene familie zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk

weinig in getal zoude zijn, maar wel, dat elk niet zijn deel zoude

krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun volk) arm zoude

zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn

deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen

rebellie.”

Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn

oorspronkelijk deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking.

De chineezen gelooven dat elk, van arm tot rijk, een hem

voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. Vandaar

misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de

grootste misère. Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en

lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk hierop volgt:

„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt,

dan moet de cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen

komen. En als het tot komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust

gebracht.”

Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem

berichtten, dat hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het

staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. Niet door geweld van

wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht van

beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden.

Merkwaardig is te weten dat het karakter „wen”, dat meestal

„literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt voor „beschaving”.

(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk

zullen er geen (heimelijke) redeneeringen zijn onder het gewone volk.”

Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor

hoedt: In den tijd der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet

vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. Als hij zijne

(volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle

kracht is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen

ouderdom heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij

zich voor begeerigheid.”

Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig

vertaald. „Hüeh” is lett. vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat

Wells Williams terecht noemt „nervous matter or the stamina of a

being”, een soort „vital fluid” dat de chineesche filosoof in den

mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke of duistere

principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe.

Onder „schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan

„schoonheid van vrouwen”, die lust opwekt, niet de ideale

schoonheid.

Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij

vreest de besluiten van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest

de woorden der heiligen.”

„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze

(dus) niet. Hij is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich

over de woorden der Wijzen.”

De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen”

zijn de volmaking der cultivatie van het eigen karakter.

Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de

hoogsten (onder de menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten

volgen hierop. Zij, die ellendig zijn, en het (toch) leeren volgen hier

weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) niet leeren, zijn de

laagsten (onder de menschen).”

Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het

chineesche karakter, voorstellende een boom, opgesloten in een

omringend vierkant, geeft symbolisch de beteekenis „kwijnend, uit

gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng

Yoeng”, Hfdst. XX. No. 3.

Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij

(aandachtig) nadenkt. In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet

zien. In ’t hooren denkt hij er om, dat hij duidelijk moet hooren. (Met

betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij er om, dat zij

vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij er

om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden

denkt hij er om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne

zaken denkt hij er om, dat hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen

denkt hij er om, dat hij (anderen) moet vragen. In zijn toorn denkt hij

om de moeilijkheden (die er door kunnen ontstaan). Als hij ziet dat er

winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.”

Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de

principes van eerlijkheid en plicht, en die met vreeze in het oog

houden.

De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den

dag van zijn’ dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en

Shoe Tsʼi stierven van honger aan den voet van den Shau Yang berg, en

het volk prees hen tot den huidigen dag.

Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning

Koe Choeh, ergens gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili.

Zij leefden in de laatste periode der Shangdynastie. Daar de oude

koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten tot

opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten

beiden het rijk, om in afzondering te leven. Toen koning Woe van

Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok en hem overwon, wilden zij

niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever van honger

onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en

hun trouw.

Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’

vader) dan wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog

niet! Hij stond eens alleen toen ik haastig beneden de zaal doorging,

en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.”

(Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd valt er met u

niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op

een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij

en hij zeide: „Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.”

„Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” (zeide hij) „is uw deugd nog niet

gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Lí. Deze twee dingen

heb ik (alleen) gehoord.”

Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er

drie. Ik heb gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb

bovendien gehoord, dat de Kiün Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.”

Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of

Tszʼ Kʼin, o. a. ook voorkomende in het 7e. door mij aangehaalde

fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius.

Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius

niet bizonder van zijn’ zoon hield. Maar Choe Hie neemt in zijn

commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die

verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan

zijn’ zoon niet anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.”

Dus ook, dat Confucius zijne discipelen beschouwde als zijne

kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke

van dit geval juist sympathiek.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 102 / 107 题