(De Meester zeide:) „Ik heb gehoord, dat zij, die het hoofd van een
rijk of eene familie zijn, er niet bezorgd over zijn, dat hun volk
weinig in getal zoude zijn, maar wel, dat elk niet zijn deel zoude
krijgen; dat zij er niet bezorgd over zijn, dat (hun volk) arm zoude
zijn, maar wel, dat (het) geen rust zoude hebben. (Want) als elk zijn
deel heeft, is er geen armoede, als (het volk) rust heeft, is er geen
rebellie.”
Het „elk zijn deel hebben,” of, zooals het meer voorkomt, „elk zijn
oorspronkelijk deel hebben” is een typisch chineesche uitdrukking.
De chineezen gelooven dat elk, van arm tot rijk, een hem
voorbeschikt „deel” heeft, dat hij niet overschrijden kan. Vandaar
misschien die tevredenheid en gelatenheid van chineezen in de
grootste misère. Choe Hie geeft voor rust hebben „dat hoogen en
lagen met elkaar in rust zijn.” Onmiddellijk hierop volgt:
„Ja, zóó is het. Daarom, als het volk van véraf zich niet onderwerpt,
dan moet de cultivatie van de beschaving en de deugd het (tot ons) doen
komen. En als het tot komen is aangetrokken, dan is het (ook) tot rust
gebracht.”
Deze woorden zeide Confucius tot Yen Yioe en Kie Loe, toen zij hem
berichtten, dat hun vorst, het hoofd der Kie clan, tegen het
staatje Choeën Yu wilde te velde trekken. Niet door geweld van
wapenen, zeide dus Confucius, maar door de aantrekkingskracht van
beschaving en deugd, moeten vreemde volken onderworpen worden.
Merkwaardig is te weten dat het karakter „wen”, dat meestal
„literatuur” beteekent, ook wordt gebruikt voor „beschaving”.
(De Meester zeide:) „Als er Tao is (in de regeering) van het rijk
zullen er geen (heimelijke) redeneeringen zijn onder het gewone volk.”
Confucius zeide: „Er zijn drie dingen, waar de Kiün Tszʼ zich voor
hoedt: In den tijd der jeugd, als zijn fysieke natuur nog niet
vastgesteld is, hoedt hij zich voor schoonheid. Als hij zijne
(volledige) sterkte bereikt heeft en zijne fysieke natuur in volle
kracht is, hoedt hij zich voor vechtlustigheid. Als hij den hoogen
ouderdom heeft bereikt, en zijne fysieke natuur verkwijnd is, hoedt hij
zich voor begeerigheid.”
Met „fysieke natuur” is het chineesche „hüeh kʼi” onvolledig
vertaald. „Hüeh” is lett. vertaald „het bloed” en „kʼi” is, wat
Wells Williams terecht noemt „nervous matter or the stamina of a
being”, een soort „vital fluid” dat de chineesche filosoof in den
mensch onderstelt. „Hüeh” is van „Yin”, het vrouwelijke of duistere
principe, „kʼi” is van „Yang”, het mannelijke of lichte principe.
Onder „schoonheid” heeft men natuurlijk weer te verstaan
„schoonheid van vrouwen”, die lust opwekt, niet de ideale
schoonheid.
Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft drie (eerbiedige) vreezen. Hij
vreest de besluiten van den Hemel. Hij vreest groote mannen. Hij vreest
de woorden der heiligen.”
„De kleine mensch weet de besluiten van den Hemel niet, en vreest ze
(dus) niet. Hij is oneerbiedig tegen groote mannen. Hij vermaakt zich
over de woorden der Wijzen.”
De geleerde Yin Shi teekent hierbij aan, dat deze „drie vreezen”
zijn de volmaking der cultivatie van het eigen karakter.
Confucius zeide: „Zij, die geboren zijn met het (ál) weten zijn de
hoogsten (onder de menschen). Zij, die (eerst) leeren, en dan weten
volgen hierop. Zij, die ellendig zijn, en het (toch) leeren volgen hier
weder op. Zij, die ellendig zijn, en (toch) niet leeren, zijn de
laagsten (onder de menschen).”
Met „ellendig” wordt hier natuurlijk bedoeld bot en dom. Het
chineesche karakter, voorstellende een boom, opgesloten in een
omringend vierkant, geeft symbolisch de beteekenis „kwijnend, uit
gebrek aan ruimte.” Vergelijk met dit hoofdstuk ook de „Choeng
Yoeng”, Hfdst. XX. No. 3.
Confucius zeide: „De Kiün Tszʼ heeft negen dingen, waarin hij
(aandachtig) nadenkt. In ’t zien denkt hij er om, dat hij helder moet
zien. In ’t hooren denkt hij er om, dat hij duidelijk moet hooren. (Met
betrekking op) zijn gelaatsuitdrukking denkt hij er om, dat zij
vriendelijk moet zijn. (Met betrekking op) zijne houding denkt hij er
om, dat zij eerbiedig moet zijn. (In het spreken van) zijne woorden
denkt hij er om, dat zij oprecht moeten zijn. In (het doen van) zijne
zaken denkt hij er om, dat hij reverent moet zijn. In zijn twijfelen
denkt hij er om, dat hij (anderen) moet vragen. In zijn toorn denkt hij
om de moeilijkheden (die er door kunnen ontstaan). Als hij ziet dat er
winst te behalen is, denkt hij om rechtmatigheid.”
Het „reverent” zijn in zaken doen is het eerbied hebben voor de
principes van eerlijkheid en plicht, en die met vreeze in het oog
houden.
De hertog King van Tsʼi had duizend span van vier paarden, maar op den
dag van zijn’ dood prees het volk hem voor geen enkele deugd. Poh Ie en
Shoe Tsʼi stierven van honger aan den voet van den Shau Yang berg, en
het volk prees hen tot den huidigen dag.
Poh Ie en Shoeh Tsʼi waren twee broeders, en zonen van den koning
Koe Choeh, ergens gelegen in de tegenwoordige provincie Pechili.
Zij leefden in de laatste periode der Shangdynastie. Daar de oude
koning den jongsten zoon, met voorbijgang van den oudsten tot
opvolger benoemde, weigerde deze uit broederliefde, en verlieten
beiden het rijk, om in afzondering te leven. Toen koning Woe van
Chow tegen den tyran Cheu Sin optrok en hem overwon, wilden zij
niet onder de nieuwe dynastie dienen, en stierven liever van honger
onder een boom. Sedert werden zij vereerd om hun broederliefde en
hun trouw.
Chʼin Kang vroeg aan Poh Yü: „Hebt gij ook iets anders gehoord (van uw’
vader) dan wat hij tot ons heeft gesproken?” (Poh Yü) antwoordde: „Nog
niet! Hij stond eens alleen toen ik haastig beneden de zaal doorging,
en zeide: „Hebt gij de Odes bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.”
(Toen zeide hij:) „Als gij de Odes niet hebt bestudeerd valt er met u
niet te converseeren.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Odes. Op
een’ anderen dag stond hij (weder) alleen. Ik ging door de zaal voorbij
en hij zeide: „Hebt gij de Lí bestudeerd?” Ik antwoordde: „Nog niet.”
„Als gij de Lí niet hebt bestudeerd” (zeide hij) „is uw deugd nog niet
gevestigd.” Toen ging ik heen en bestudeerde de Lí. Deze twee dingen
heb ik (alleen) gehoord.”
Chʼin Kʼang ging heen en zeide verheugd: „Ik vroeg één ding en kreeg er
drie. Ik heb gehoord van de Odes. Ik heb gehoord van de Lí. Ik heb
bovendien gehoord, dat de Kiün Tszʼ zijn’ zoon ver van zich houdt.”
Men herinnere zich, dat Poh Yü Confucius’ zoon was. Chʼin Kʼang of
Tszʼ Kʼin, o. a. ook voorkomende in het 7e. door mij aangehaalde
fragment uit Boek I, was een der mindere discipelen van Confucius.
Het „ver van zich houden” is door velen beschouwd, alsof Confucius
niet bizonder van zijn’ zoon hield. Maar Choe Hie neemt in zijn
commentaar de uitlegging op van den geleerde Yin Shih, die
verklaarde, dat dit niet anders beteekende dan „dat Confucius aan
zijn’ zoon niet anders leerde, dan wat hij zijn discipelen leerde.”
Dus ook, dat Confucius zijne discipelen beschouwde als zijne
kinderen. In dit licht gezien wordt het schijnbaar onsympathieke
van dit geval juist sympathiek.