Hjen vroeg, wat schaamte was.
De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om)
traktement te denken, en als er geen goede regeering in den staat is
(ook alleen om) traktement te denken, dat is om schaamte over te
hebben.”
Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede
regeering is n.l. óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen
Szi was een der discipelen van Confucius, die zich bizonder
onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en
wereldsche dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst
het ambt van gouverneur eener stad, maar na Confucius’ dood trok
hij zich geheel terug.
De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet
genoeg waard om een geleerde te zijn.”
De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen)
de woorden hoog-verheven en de daden hoog-verheven zijn; als er geen
goede regeering in den staat is (mogen) de daden hoog-verheven zijn,
maar de woorden bescheiden.”
De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid
hadden, zijn er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest,
die menschelijkheid hadden.”
De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie
Kʼang zeide: „Als het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het
rijk niet verloor?” Confucius zeide: „Yü, de Choeng Choeh, was de
superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; Tʼo, de
litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen
Kia had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij
het rijk verliezen?”
De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst
alleen het zoude verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren
familiegraad.
De Meester zeide: „Als iemands woorden niet bescheiden zijn, zal het
uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.”
Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en
vroeg: „Wat doet uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn
Meester begeert zijne fouten weinigen te maken, maar heeft het nog niet
gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: „Wat een bode! Wat een
bode!”
Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen
apprecieerde. Kü Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en
een van Confucius’ discipelen.
Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden
van beleediging?”
De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden?
Beantwoordt beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met
vriendelijkheid.”
Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der
teksten uit de Tao Teh King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje
kan men reeds zien, hoe véél verder en hooger Lao Tszʼ ging dan
Confucius.
De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!”
Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester
antwoordde: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de
menschen. Laag (begint) mijne studie en hoog doordringt zij den Hemel.
Wie míj kent, dat is de Hemel!”
Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om
daarna den Hemel te doordringen, te omvatten.
Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ
betracht) cultivatie van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide:
„En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht
de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te brengen.” (Tszʼ Loe)
zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert
zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert
zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en
Shoen waren hier nog begeerig naar.”