BOEK XIV.

Hjen vroeg, wat schaamte was.

De Meester zeide: „Als er goede regeering in den staat is (alleen om)

traktement te denken, en als er geen goede regeering in den staat is

(ook alleen om) traktement te denken, dat is om schaamte over te

hebben.”

Er staat weer letterlijk „Als de staat Tao heeft” enz. Een goede

regeering is n.l. óók volgen van de hemelsche natuur. Hjen of Yuen

Szi was een der discipelen van Confucius, die zich bizonder

onderscheidde door zijn onverschilligheid voor rijkdom en

wereldsche dingen, en in groote armoede leefde. Hij bekleedde eerst

het ambt van gouverneur eener stad, maar na Confucius’ dood trok

hij zich geheel terug.

De Meester zeide: „Een geleerde, die veel van gemak houdt, is niet

genoeg waard om een geleerde te zijn.”

De Meester zeide: „Als er een goede regeering in den staat is (mogen)

de woorden hoog-verheven en de daden hoog-verheven zijn; als er geen

goede regeering in den staat is (mogen) de daden hoog-verheven zijn,

maar de woorden bescheiden.”

De Meester zeide: „Kiün Tszʼs, die toch niet (altijd) menschelijkheid

hadden, zijn er geweest, maar er zijn nog geen kleine menschen geweest,

die menschelijkheid hadden.”

De Meester sprak er over dat hertog Ling van Wei geen Tao had. Kie

Kʼang zeide: „Als het zóó met hem was, hoe komt het dan, dat hij het

rijk niet verloor?” Confucius zeide: „Yü, de Choeng Choeh, was de

superintendent voor (de ontvangst van) gasten en vreemden; Tʼo, de

litanist, had het beheer over den voorvaderlijken tempel, en Wang Soen

Kia had het beheer over het leger; welnu, dit aldus zijnde, hoe zou hij

het rijk verliezen?”

De goede, hooge staatsdienaren behielden het rijk, waar de vorst

alleen het zoude verliezen. „Choeng Choeh” is een naam voor zekeren

familiegraad.

De Meester zeide: „Als iemands woorden niet bescheiden zijn, zal het

uitvoeren (daarvan) moeilijk zijn.”

Kü Pih Yuh zond een bode naar Confucius. Confucius zat met hem, en

vroeg: „Wat doet uw Meester (alzoo)?” (De bode) antwoordde: „Mijn

Meester begeert zijne fouten weinigen te maken, maar heeft het nog niet

gekund.” De bode ging uit, en de Meester zeide: „Wat een bode! Wat een

bode!”

Dit bewijst, dat Confucius ook kernachtige antwoorden in anderen

apprecieerde. Kü Pih Yuh was een mandarijn van den staat Wei, en

een van Confucius’ discipelen.

Iemand zeide: „Hoe denkt gij over het met vriendelijkheid beantwoorden

van beleediging?”

De Meester zeide: „Waarmede moet men dan vriendelijkheid beantwoorden?

Beantwoordt beleediging met recht, beantwoordt vriendelijkheid met

vriendelijkheid.”

Het „met vriendelijkheid beleediging beantwoorden” is een der

teksten uit de Tao Teh King van Lao Tszʼ. Uit dit enkele fragmentje

kan men reeds zien, hoe véél verder en hooger Lao Tszʼ ging dan

Confucius.

De Meester zeide: „Helaas, er is niemand, die mij kent!”

Tszʼ Koeng zeide: „Wat bedoelt gij met dat men u niet kent?” De Meester

antwoordde: „Ik murmureer niet tegen den Hemel. Ik toorn niet op de

menschen. Laag (begint) mijne studie en hoog doordringt zij den Hemel.

Wie míj kent, dat is de Hemel!”

Confucius’ studie begon dus laag, bij de eenvoudigste dingen, om

daarna den Hemel te doordringen, te omvatten.

Tszʼ Loe vroeg over den Kiün Tszʼ. De Meester zeide: „(De Kiün Tszʼ

betracht) cultivatie van zijn Zelf, in reverentie.” (Tszʼ Loe) zeide:

„En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(De Kiün Tszʼ) betracht

de cultivatie van zijn Zelf om anderen tot rust te brengen.” (Tszʼ Loe)

zeide: „En is het hiermede uit?” (De Meester) zeide: „(Hij) cultiveert

zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Hij) cultiveert

zijn Zelf om het geheele volk tot rust te brengen. (Zelfs) Yaou en

Shoen waren hier nog begeerig naar.”

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 100 / 107 题