Fan Chʼi vroeg (den Meester) om hem landbouwkunde te leeren. (De
Meester) zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude
landbouwer.”
(Fan Chʼi) vroeg (den Meester) om hem tuinieren te leeren. (De Meester)
zeide: „Ik ben niet zoo goed daarvoor als een oude tuinman.”
Toen Fan Chʼi uitgegaan was, zeide de Meester: „Wat een klein mensch,
die Fan Sü! [74] Als die van boven de Lí (het Decorum) liefheeft, dan
zal het volk niet oneerbiedig durven zijn. Als die van boven de
plichtmatigheid liefheeft, dan zal het volk het niet durven, zich niet
(aan hem) te onderwerpen. Als die van boven de oprechtheid en trouw
liefheeft zal het volk niet durven, niet oprecht te zijn. Welnu, als
het zóó is, zal het volk uit alle vier windstreken naar hem toe komen,
hunne kinderen op den rug dragend. Van wat voor nut zou dan
landbouwkunde (voor hem) zijn?”
Confucius vond dus, dat dingen als landbouwkunde, tuinieren enz.
voor het volk waren, maar dat „die van boven”, d. i. de Kiün Tszʼ,
de minister en de vorst de hoogere dingen hadden te kennen. Choe
Hie zegt dan ook „Lí, Iʼ en Sin zijn de zaken van den grooten
mensch.” Ik wijs er nog eens op dat men Lí vertalende door Decorum,
Iʼ door plichtmatigheid (of, zooals Legge geeft, righteousness), en
Sin door oprechtheid en trouw, wel heel dicht bij het chineesche
begrip is, maar het niet gehéél omvat. Lí heb ik reeds omschreven
door Choe Hie’s gezegde: „De kuische beschaving van het principe
van den Hemel,” voor Iʼ geeft Wells Williams „dat, wat het hart in
staat stelt, zichzelf te regeeren, en de dingen om op hun juiste
plaats te zijn,” en ook „dat wat per se gepast en juist is.” Sin is
zoowel oprechtheid, waarheid, integriteit en trouw, volgens Wells
Williams.
De Meester zeide: „Als iemand (al) driehonderd Odes kan opzeggen,
(maar) als hij in de regeering met iets belast wordt, niet bedreven is,
(of) als hij naar een der vier windstreken met een opdracht wordt
gezonden, niet (zelf) alleen kan antwoorden, al (leerde hij) ook nóg
zooveel, wat presteert hij er mede?”
De Odes van de Shi King zijn van dien aard, dat, als men ze goed
bestudeerd en gevoeld had, men vanzelf van regeeringszaken en
opdrachten af moest weten, zóóveel staat er van in. Het opzeggen
van de Odes zonder ze practisch te kunnen toepassen vond Confucius
echter van geen nut.
De Meester zeide: „Als zijn eigen karakter recht is, zal de regeering
(van den Vorst) goed gaan zonder (het uitvaardigen van) bevelen. Als
zijn eigen karakter niet recht is, al (vaardigt de Vorst) bevelen uit,
men zal ze niet opvolgen.”
De Meester zeide: „Als eenigen onder de Vorsten mij wilden gebruiken,
zou ik in twaalf maanden iets (belangrijks) hebben kunnen doen. In drie
jaren (zou de regeering) volmaakt zijn.”
De Meester zeide: „Als goede menschen een’ staat honderd jaren
achtereen regeerden, zouden zij ook de allerslechtsten kunnen vervormen
(tot goeden) en de doodstraf afschaffen. Hoe volmaakt waar zijn deze
woorden!”
De Meester zeide: „Als er eens een (echte) koning was, zouden er
stellig dertig jaar verloopen en daarna zou er menschelijkheid zijn.”
Choe Hie wijst er op, dat deze koning een heilige wijze zou moeten
zijn. Chʼing Tsoe wijst hierbij op het feit, hoe onder de regeering
van koning Woe (de eerste regeerder der Chow dynastie) de Lí en de
Muziek gingen bloeien.
De Meester zeide: „Als een minister zijn eigen karakter recht maakt,
wat zal er dan (moeilijks) voor hem zijn in het deelnemen aan de
regeering? Als hij zijn eigen karakter niet recht maakt, wat heeft hij
dan (andere) menschen recht te maken?”
De hertog Ngai vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Eene goede
regeering bestaat) als zij die nabij zijn gelukkig zijn, en zij die
veraf zijn (naderbij) komen.”
Fan Chʼi vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „(Dat is) thuis
zijnde bedaard en ernstig zijn, in het behandelen van zaken een
eerbiedige nauwgezetheid hebben, en in den omgang met anderen loyaal
zijn. Al mocht gij onder barbaarsche stammen zijn, mocht gij deze
dingen niet veronachtzamen.”
Tszʼ Koeng zeide, vragend: „Hoe moet iemand zijn, om ambtenaar te mogen
genoemd worden?” De Meester zeide: „Hij, die in zijn eigen gedrag
(gevoel voor) schaamte heeft en ergens in de vier windstreken gezonden,
den last van zijn’ Vorst geen oneer aandoet, mag een ambtenaar worden
genoemd.”
De Meester zeide: „De Kiün Tszʼ is waardig en niet trotsch. De kleine
mensch is trotsch en niet waardig.”
De Meester zeide: „Als een goed mensch het volk zeven jaren onderwijst,
dan kan men het ook in den oorlog gebruiken.”
Het volk, om moreel geschikt te zijn, zijn vaderland te verdedigen,
moet eerst onderwezen zijn in de deugden die zijn land groot maken.
„Ouderlijke liefde, broederlijke liefde, loyauteit en trouw” noemt
Choe Hie onder dezen op.
De Meester zeide: „Een niet-onderwezen volk voor den oorlog gebruiken
is het weggooien.”
De laatste chineesch-japansche oorlog heeft de waarheid dezer
woorden nog eens bewezen. Men ziet, dat het den chineezen niet aan
goeden raad heeft ontbroken.