Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf
onderwerpen, en terugkeeren tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand
zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen allen onder den Hemel zijne
menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf of uit andere
menschen?”
Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de
definitie: „Jen (menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het
oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) is de kuische beschaving van
het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment weer,
dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen,
maar als iets diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de
goddelijke deugd werd verkregen. „Zichzelf onderwerpen” is volgens
Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten bedwingen” en
volgens anderen ook nog „alle egoïsme.”
Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen
(artikelen) toe te zeggen.”
De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is,
luister daar niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen
Lí is, maak daar geen (enkele) beweging van.” Yen Yoen zeide: „Ofschoon
ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden
(lessen) te maken.”
Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig
beleefdheidsvertoon was, maar ook een reine staat van inwendige
zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. a. in zijn commentaar te
zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke
begeerten).”
Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in
den vreemde gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten
ziet; het volk te gebruiken, alsof gij deelnaamt aan een groote
offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, dat niet aan
anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe
familie geen gemurmureer tegen u te hebben.”
Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik
trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.”
Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders,
(maar) ik alleen heb er geen.”
Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren zeggen: De dood en het
leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien zijn in
den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet
falen, laat hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan
zullen allen tusschen de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de
Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij geen broeders heeft?”
Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie
met gouden spreuken uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat
Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft gehoord, die dus de
eigenlijke zegsman is.
Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat
dáaruit dat zij moet zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting
voor soldaten, en dat het volk vertrouwen heeft (in den Vorst).”
Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er
weg, welke van deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?”
(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.”
Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er
weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het eerst weg
moeten doen?”
(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds
moeten allen tóch dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den
Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.”
De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius
antwoordde: „Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader
vader is en de zoon zoon is, (dan is er eene goede regeering).”
Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.”
Toen ter tijde was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet
overheerschen door zijn ministers, en er over dacht, zijn’ oudsten
zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was beroemd om
zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op
den kop troffen.
De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat
is Yioe!”
„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.”
Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het
bemiddelen, en het beslechten van gedingen, en om de trouw aan zijn
woord. Letterlijk staat in den tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet
over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.”
Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde:
„Regeeren, is recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk
voorgaat in het rechte, wie zal dan niet recht durven zijn?”
Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent,
ook met „recht” vertaald, het engelsche „right.” Recht, dat is
correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk
hiermede in verband staat het volgende.
Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover
Confucius. Confucius antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig
waart, al werden zij er voor beloond, zij zouden niet stelen.”
Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze
van antwoorden. Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in
Loe, was zelf een usurpator, die het wettige stamhoofd, een jongen
neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’
grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf
moesten voorgaan in het goede, dat hun deugd het volk tot de deugd
bracht, even zeker als hun ondeugd het tot zonde leidde.
Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen
Tao hebben te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben,
hoe is het daarmede (denkt gij)?”
De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de
regeering uitoefent? Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk
(vanzelf ook) goed. De deugden van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn
als de wind, de deugden van de kleine menschen (de inferieuren) als het
gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen gaat.”
Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben”
is dus „niet de Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe
van den Hemel volgen.” Legge vertaalt het met „the unprincipled”
wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao in zijne
beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel
anders zijn.
Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de
menschen liefhebben.” (Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide:
„(dat is) de menschen kennen.”
Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk
„menschelijkheid” (in den zin van de menschelijke deugden hebbend)
beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in
boeddhistische werken.
Fan Chʼi begreep het nog niet.
(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den
kant; dan kunnen de krommen recht worden.”
Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had
ik een onderhoud met den Meester, en vroeg hem over weten, en de
Meester zeide: „Gebruik de rechten en zet de krommen aan den kant, dan
kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede bedoeld hebben?”
Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk bezat
koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen
menschelijkheid hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk
bezat koos hij uit allen, en gebruikte Ie Yin en zij, die geen
menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).”
De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware
kennis, bestaat dus, volgens Confucius, uit het kiezen van de
geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, d. i. de oprechten
moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den
staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan
wal gezet. Want dan alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen
onder het volk door het voorbeeld der regeeringsambtenaren, en den
van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht worden.
Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend)
trouwelijk en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán
uit. Breng uzelf niet tot schande.”
Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het
karakter Tao diene, dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”.
Niet alleen kan het dus beteekenen „weg” maar zelfs „leiden” (op
een weg).