BOEK XII.

Yen Yuen vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Zichzelf

onderwerpen, en terugkeeren tot de Lí, is menschelijkheid. Als iemand

zichzelf voor één dag onderwerpt, zullen allen onder den Hemel zijne

menschelijkheid roemen. Komt menschelijkheid uit het zelf of uit andere

menschen?”

Choe Hie geeft in zijn commentaar ter verduidelijking nog eens de

definitie: „Jen (menschelijkheid) is de volmaakte deugd van het

oorspronkelijke hart” en „Lí (decorum) is de kuische beschaving van

het principe van den Hemel.” Men ziet ook aan dit fragment weer,

dat het Decorum niet beschouwd werd als enkel beleefdheidsvormen,

maar als iets diviens, een beschaving van zeden, die alleen door de

goddelijke deugd werd verkregen. „Zichzelf onderwerpen” is volgens

Choe Hie „al zijne heimelijke lusten en begeerten bedwingen” en

volgens anderen ook nog „alle egoïsme.”

Yen Yuen zeide: „Ik verzoek U, mij daar de (verschillende) stappen

(artikelen) toe te zeggen.”

De Meester zeide: „Wat geen Lí is, zie daar niet naar. Wat geen Lí is,

luister daar niet naar; wat geen Lí is, spreek daar niet over; wat geen

Lí is, maak daar geen (enkele) beweging van.” Yen Yoen zeide: „Ofschoon

ik niet actief en knap ben, zal ik trachten mijne zaak van deze woorden

(lessen) te maken.”

Alweer een bewijs, dat Lí volstrekt niet enkel een uitwendig

beleefdheidsvertoon was, maar ook een reine staat van inwendige

zedelijkheid, geeft Choe Hie weer, door o. a. in zijn commentaar te

zeggen: „Geen Lí is het egoïsme van het zelf (met de heimelijke

begeerten).”

Choeng Koeng vroeg over menschelijkheid. De Meester zeide: „Als gij in

den vreemde gaat, (te doen) alsof gij in alle (vreemden) hooge gasten

ziet; het volk te gebruiken, alsof gij deelnaamt aan een groote

offering; wat gij zelf niet wenscht gedaan te worden, dat niet aan

anderen doen, in den staat geen gemurmureer tegen u te hebben; in uwe

familie geen gemurmureer tegen u te hebben.”

Choeng Koeng zeide: „Ofschoon ik niet actief en knap ben, zal ik

trachten mijne zaak van deze woorden (lessen) te maken.”

Szi Ma Nioe zeide bezorgd: „De (andere) menschen hebben allen broeders,

(maar) ik alleen heb er geen.”

Tszʼ Hia zeide: „Ik heb het volgende hooren zeggen: De dood en het

leven hebben hun vast lot (van den Hemel); rijkdom en aanzien zijn in

den Hemel (vastgesteld). Laat een Kiün Tszʼ reverent zijn en niet

falen, laat hem tegenover de menschen eerbiedig zijn, en Lí hebben, dan

zullen allen tusschen de vier zeeën zijne broeders zijn. Waarom zou de

Kiün Tszʼ bedroefd zijn, omdat hij geen broeders heeft?”

Zoowel in dit fragment als in „Choeng Yoeng” zal men eene analogie

met gouden spreuken uit den bijbel zien. Choe Hie geeft aan, dat

Tszʼ Hia dit weer van Confucius heeft gehoord, die dus de

eigenlijke zegsman is.

Tszʼ Koeng vroeg over regeering. De Meester zeide: „(Die bestaat

dáaruit dat zij moet zorgen dat er) genoeg eten (is), genoeg uitrusting

voor soldaten, en dat het volk vertrouwen heeft (in den Vorst).”

Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er

weg, welke van deze drie dingen zou men dan het eerst weg moeten doen?”

(De Meester) zeide: „De uitrusting van soldaten (moet dan eerst) weg.”

Tszʼ Koeng zeide: „Als er stellig niets aan te doen is of één moet er

weg, welke van de twee (overige) dingen zou men dan het eerst weg

moeten doen?”

(De Meester) zeide: „Het eten (moet dan eerst) weg. (Want) van ouds

moeten allen tóch dood. Maar als het volk geen vertrouwen heeft (in den

Vorst) is (de Staat) niet gevestigd.”

De hertog King van Tsʼi vroeg aan Confucius over regeering. Confucius

antwoordde: „Als de Vorst Vorst is, de minister minister is, de vader

vader is en de zoon zoon is, (dan is er eene goede regeering).”

Choe Hie zegt er bij: „Dit is de wortel (oorsprong) van regeering.”

Toen ter tijde was er in Tsʼi groote wanorde, daar King zich liet

overheerschen door zijn ministers, en er over dacht, zijn’ oudsten

zoon van het erfschap uit te sluiten. Confucius was beroemd om

zijne treffende, laconieke antwoorden, die altijd den spijker op

den kop troffen.

De Meester zeide: „Wie met een half woord processen kan beslechten, dat

is Yioe!”

„Tszʼ Loe draalde niet na een belofte.”

Hier wordt Yioe wederom geprezen om zijne vaardigheid in het

bemiddelen, en het beslechten van gedingen, en om de trouw aan zijn

woord. Letterlijk staat in den tweeden zin „Tszʼ Loe sliep niet

over een belofte” maar Choe Hie geeft „dralen.”

Kie Kʼang vroeg over regeering aan Confucius. Confucius antwoordde:

„Regeeren, is recht maken. Als de Leermeester (de Vorst) het volk

voorgaat in het rechte, wie zal dan niet recht durven zijn?”

Ik heb expresselijk het chineesche woord, dat „recht” beteekent,

ook met „recht” vertaald, het engelsche „right.” Recht, dat is

correct, zuiver als een rechte lijn in het goede. Onmiddellijk

hiermede in verband staat het volgende.

Kie Kʼang was bezorgd over de (vele) dieven en ondervroeg daarover

Confucius. Confucius antwoordde: „Als gij zelf, Heer, niet zoo begeerig

waart, al werden zij er voor beloond, zij zouden niet stelen.”

Alweer een voorbeeld van Confucius’ treffende, onbewimpelde wijze

van antwoorden. Kie Kang, het hoofd van den machtigen Kie clan in

Loe, was zelf een usurpator, die het wettige stamhoofd, een jongen

neef, had verjaagd, en vol begeerten was. Want Confucius’

grondbeginsel was nu eenmaal, dat de vorsten en hoofden zélf

moesten voorgaan in het goede, dat hun deugd het volk tot de deugd

bracht, even zeker als hun ondeugd het tot zonde leidde.

Kie Kʼang, over regeering aan Confucius vragende, zeide: „Zij, die geen

Tao hebben te dooden voor het goed van diegenen, die wèl Tao hebben,

hoe is het daarmede (denkt gij)?”

De Meester zeide: „Wat voor nut is er om te dooden, als gíj, Heer, de

regeering uitoefent? Begeert gij, Heer, naar het Goede, dan is het volk

(vanzelf ook) goed. De deugden van den Kiün Tszʼ (de superieuren) zijn

als de wind, de deugden van de kleine menschen (de inferieuren) als het

gras. Het gras moet stellig buigen als de wind er over heen gaat.”

Ik heb expresselijk weer het woord Tao behouden. „Geen Tao hebben”

is dus „niet de Sing volgen”, dus ook vanzelf niet „het principe

van den Hemel volgen.” Legge vertaalt het met „the unprincipled”

wat daar eveneens uit volgt. Ik houd gaarne het woord Tao in zijne

beteekenissen, die in het Boeddhisme en Taoïsme weer zoo geheel

anders zijn.

Fan Chʼi vroeg over menschlievendheid. De Meester zeide: „(dat is) de

menschen liefhebben.” (Fan Chʼi) vroeg over weten. De Meester zeide:

„(dat is) de menschen kennen.”

Hier is een voorbeeld dat „Jên” elders in dit werk

„menschelijkheid” (in den zin van de menschelijke deugden hebbend)

beteekenend, thans „de menschen liefhebben” beteekent, zooals in

boeddhistische werken.

Fan Chʼi begreep het nog niet.

(Toen) zeide de Meester: „Gebruik de rechten, en zet de krommen aan den

kant; dan kunnen de krommen recht worden.”

Fan Chʼi trok zich terug, zag Tszʼ Hia, en zeide: „Heer, (zooeven) had

ik een onderhoud met den Meester, en vroeg hem over weten, en de

Meester zeide: „Gebruik de rechten en zet de krommen aan den kant, dan

kunnen de krommen recht worden.” Wat kan hij daarmede bedoeld hebben?”

Tszʼ Hia zeide: „Hoe rijk zijn deze woorden! Toen Shoen het rijk bezat

koos hij uit allen, en gebruikte Kaou Yan, en zij, die geen

menschelijkheid hadden waren ver (te zoeken). Toen Tʼang het keizerrijk

bezat koos hij uit allen, en gebruikte Ie Yin en zij, die geen

menschelijkheid hadden, waren ver (te zoeken).”

De ware menschelijkheid van een’ vorst, zoowel als zijn ware

kennis, bestaat dus, volgens Confucius, uit het kiezen van de

geschikte ministers en ambtenaren. De rechten, d. i. de oprechten

moeten gebruikt worden (lett. staat er „opgeheven worden”) in den

staatsdienst, en de krommen, d. i. de heimelijken, valschen, aan

wal gezet. Want dan alleen bestaat er gelegenheid, dat de krommen

onder het volk door het voorbeeld der regeeringsambtenaren, en den

van hen uitgaanden transformeerenden invloed, ook recht worden.

Tszʼ Hia vroeg over vriendschap. De Meester zeide: „Vermaan (uw vriend)

trouwelijk en leid hem goed. Als (gij ziet) dat het niet kan, schei dán

uit. Breng uzelf niet tot schande.”

Als voorbeeld van de veelvuldig verschillende beteekenis van het

karakter Tao diene, dat het hier voorkomt in den zin van „leiden”.

Niet alleen kan het dus beteekenen „weg” maar zelfs „leiden” (op

een weg).

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 98 / 107 题