BOEK XI.

De Meester zeide: „De menschen van vroeger waren in Decorum en Muziek

„landelijke menschen”; die van latere tijden zijn in Decorum en Muziek

Kiün Tszʼ.

Als ik deze dingen gebruik volg ik die van vroeger.”

Met „landelijk” wordt hier eenvoudig, primitief (in den goeden zin)

bedoeld. Met Kiün Tszʼ niet zoozeer de overal door Confucius

verheerlijkte ideaal-mensch, maar meer de „accomplished gentleman”,

waarmede o. a. Legge het hier heeft vertaald. De bedoeling is, dat

muziek en decorum vroeger meer simpel van groote, eenvoudige

waarheid waren, en de latere menschen, door deze ál te beschaafd en

gepolijst te willen maken, het ware wezen er van te veel opofferden

aan mooien schijn.

Om hun deugdzaam gedrag waren onderscheiden Yen Yuen, Min Tszʼ Kʼien,

Yen Pih Nioe, en Choeng Koeng; om hun talent van spreken Tsae Woe en

Tszʼ Koeng; om hunne vaardigheid in het beheeren van zaken Yen Yioe en

Kie Loe; om hunne studie van literatuur Tszʼ Yioe en Tszʼ Tszʼ Hia.

Deze vier soorten—deugdzaam gedrag, talent van spreken, vaardigheid

in beheeren, en studie van literatuur worden genoemd „de vier

klassen” van discipelen en die tien bovengenoemde volgelingen „de

tien wijzen.”

Toen Yen Yuen gestorven was, riep de Meester uit: „Helaas! De Hemel

vernietigt mij! De Hemel vernietigt mij!”

Toen Yen Yuen (Yen Hwoey) gestorven was, weende hij van smart. Zijne

volgelingen vroegen: „Is uw smart zoo bovenmatig?”

(En de Meester zeide:) „Is mijn smart bovenmatig? (Ik weet dat niet

eens!) Als ik om dezen mensch niet ontroerd ware van smart, om wien zou

ik het dán zijn?”

Kie Loe vroeg (den Meester) over het dienen van de kwei-shin (geesten

der dooden). De Meester zeide: „Als gij de menschen nog niet kunt

dienen, hoe kunt gij dan de geesten (van menschen) dienen?”

(Toen) vroeg (Kie Loe) over den dood. (En de Meester) zeide: „Gij kent

nog niet het leven; hoe zoudt gij dan den dood kennen?”

Dit gezegde is zeer karakteristiek voor de filosofie van Confucius,

die van den dood en een „hiernamaals” bijna nooit sprak, en enkel

over het leven en de levenden filosofeerde. Vergelijk ook Boek VI

„Pan Chi vroeg enz.” en vergelijk Bespreking van „Choeng Yoeng”,

XVI. Men ziet hieruit, dat de overmatige, belachelijke vereering

der dooden—zooals wij die in de kleinste bizonderheden in Prof. de

Groots standaardwerk „The religious system of China” hebben leeren

kennen—absoluut in strijd is met de Confucianistische leer, en deze

misbruiken dus allerminst aan háár moeten worden toegeschreven.

Min Tszʼ stond aan zijne zijde, zacht en hoffelijk; Tszʼ Loe stout en

energiek; Yen Yioe en Tszʼ Koeng oprecht en open. De Meester was

verheugd.

Dit is als een schilderijtje, voorstellende Confucius met zijne

vier discipelen, die allen in simpele trekken hun karakteristiek

vertoonen. In het chineesch is het nog simpeler, daar voor de door

mij gebruikte twee verschillende woorden in het origineel één

chineesch karakter voldoet. Zie de Bespreking bij het 1e fragment

in Boek X.

Tszʼ Koeng vroeg: „Szi of Shang, wie is de waardigste?” De Meester

zeide: „Szi gaat er naast, Shang komt er niet aan toe.” (Tszʼ Koeng)

zeide: „Dan is Szi de beste, denk ik.” De Meester zeide: „Er naast gaan

is (even verkeerd) als er niet aan toe komen.”

Hier wordt het afwijken of niet bereiken van „Choeng Yoeng”

bedoeld. Vergelijk ook „Choeng Yoeng”, Hfdst. IV.

De Meester zeide: „Hwoey! Hij was er bíjna! (En) hij was voortdurend in

armoede.”

Bedoeld is: Hwoey was bijna geheel toe aan Tao, het volgen van de

Sing. En dan kon hij in armoede ook best rust hebben.

Tszʼ Loe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?”

De Meester zeide: „Uw vader en uwe oudere broeders zijn er bijvoorbeeld

nog (wie gij kunt raadplegen). Waarom wat gij hoort dadelijk

uitvoeren?”

Yen Yioe vroeg: „Wat ik gehoord heb, moet ik dat dadelijk uitvoeren?”

De Meester zeide: „Voer het dadelijk uit.”

Koeng Si Hwa zeide: „Yioe vroeg, of hij dadelijk moest uitvoeren wat

hij gehoord had en gij zeidet: „Uw vader en uw oudere broeders zijn er

(wie gij kunt raadplegen)”.—„Kʼioe vroeg, of hij dadelijk moest

uitvoeren wat hij gehoord had, en gij zeidet: „Voer het dadelijk

uit!”—Chʼih is verward, en durft u vragen (hoe het hiermede is).” De

Meester zeide: „Kʼioe is dralerig, daarom laat ik hem vooruit gaan.

Yioe is meer dan anderen, daarom laat ik hem achteruit gaan.”

Men vergete niet dat Tszʼ Loe = Yioe, Yen Yioe = Kʼioe, en Koeng Si

Hwa = Chʼih is.

Tszʼ, die in energie en dapperheid méér was dan andere menschen,

had gebrek aan doorzicht en correctheid, Kʼioe was te verlegen om

te ageeren. Confucius lette dus bij zijn antwoord op hun beider

karakters, en gaf hierdoor blijk van zijn menschenkennis.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 97 / 107 题