VOORWOORD.

Dit Boek handelt geheel over de karakteristiek van Confucius. Yang

Shi zegt hierover o. a.: „Wat de Wijzen Tao noemen is niet iets

buiten wat elken dag noodig is. Daarom hebben de leerlingen van

Confucius’ school nauwkeurig onderzocht en gezien naar zijn bewegen

en rusten van elken dag, en het opgeteekend.” Iets verder zegt Yang

Shi: „Als het nageslacht nu hun boek leest zal het vanzelf zijn, of

zij den Wijze voor hunne oogen zien.” (Vert.)

Confucius zag er in zijn dorp oprecht en ernstig uit, en als iemand,

die niet kan spreken (zoo eenvoudig).

Als hij in den voorvaderlijken tempel was, of aan het hof, sprak hij

gemakkelijk, maar zorgzaam.

Als hij aan het hof was, sprak hij met de mandarijnen van minderen rang

eenvoudig, en sprak hij met de mandarijnen van hoogeren rang eerbiedig.

Ik heb in dezen de chineesche karakters „k’an” en „yin” met één

woord elk vertaald, maar dan ook niet de preciese bedoeling

gekregen. Onder het eerste „k’an” met „eenvoudig” vertaald, behoort

tegelijk „oprecht, ronduit” te worden verstaan. In het chineesch is

dit aan ’t karakter zélve te zien, dat samengesteld is uit twee

andere, waarvan het een „waarheid” beteekent, het andere „vloeien”

(eenvoudig als een stroom). Zóó is ook „yin” niet alleen eerbiedig,

maar ook „zacht, nederig”, hetgeen ’t karakter eveneens uitdrukt,

dat bestaat uit twee andere, waarvan het ééne, dat „spreken”

beteekent, is geplaatst in een ander, dat „deur” is, dus spreken

„als iemand die aan de deur iets vraagt.” Zulke uit zich zelf

sprekende karakters zijn natuurlijk niet precies weer te geven in

één hollandsch woord.

Als de Vorst aanwezig was drukte zijn gezicht de grootst mogelijke

reverente zorg uit, en was hij van eerbied geslagen.

Dit heb ik vrij moeten vertalen. De woorden „tik tsih” achter

elkaar beteekenen „het heel voorzichtig stappen, als bang op iets

te trappen, en met gelijkmatigen stap.” Dit, vergeleken met de

uitdrukking van een gezicht, bracht mij tot mijne vertaling. Choe

Hie geeft óók als synoniem „vereeren en vrees” dus „eerbied.” Voor

het andere „ü ü” geeft de geleerde Chang Tszʼ „niet vergeten dat de

Vorst voor u is” en Choe Hie „eerbiedige vrees”, waaruit ik mijne

vertaling putte. Een en ander kan den lezer een idee geven van de

moeilijkheid om héél enkele chineesche karakters weer te geven.

Legge geeft voor het eerste „respectful uneasiness” en voor het

tweede „grave, but self-possessed.”

Als de Vorst hem riep om een’ hoogen edele te ontvangen veranderde zijn

gelaatskleur en bogen zijne beenen (als om te knielen).

Confucius’ eerbied voor een bevel wordt hierin beschreven.

Hij boog (dan) tegen de (andere mandarijnen) onder welke hij stond,

daarbij zijn rechter- of linkerarm bewegende (al naar gelang zij

stonden), maar maakte dat de panden van zijn gewaad voor en achter

recht bleven.

Het wordt als onopgevoed beschouwd als bij het buigen het gewaad

scheef gaat zitten.

(Dan) ijlde hij vooruit als op wieken van een vogel vliegend.

Dit drukt de eerbied uit, om haastig aan het bevel te voldoen.

Statig ijlde hij vooruit, als een vogel die zijn vlucht neemt (den

gast tegemoet).

Als de gast (weder) weg was, gaf hij het bericht terug (aan den Vorst):

„De gast ziet niet meer om (en ik zie hém niet meer).”

Als hij de groote (paleis)deur binnenkwam, boog hij zijn lichaam, alsof

hij er eigenlijk niet door mocht.

Dit drukte zijn eerbied voor den Vorst uit. Zelfs voor de

paleisdeur moest hij buigen, alsof hij eigenlijk niet waard was, er

binnen te komen.

Ik moet hierbij aanteekenen, dat het chineesche „küh kung” door de

meeste vertalers door „het lichaam buigen” vertaald, en ook door

Choe Hie als zoodanig aangegeven, tegenwoordig veel wordt gebruikt

voor: „de armen bij elkaar brengen”, hetzij met de handen in de

mouwen (als wíj doen bij koud weer, voor de warmte), hetzij met de

handen over elkaar, ter hoogte van de borst, zoodat velen beweren,

dat van „buigen” in dezen zin bij Confucius geen sprake was.

Als hij stond, stond hij niet in het midden van de poort; als hij liep

trapte hij niet op den drempel.

Alleen de Vorst mocht in het midden staan en op den drempel treden.

Als hij voorbij de (ledige) plaats (van den Vorst) ging, verschoot hij

van kleur, en bogen zijne beenen onder hem; en de woorden (die hij

sprak) waren als die van een’ die nauwelijks genoeg kon spreken.

Zelfs voor de ledige plaats van den Vorst moest groote eerbied

worden betuigd.

Hij hield zijn gewaad op, bij het naderen tot den vorstelijken zetel,

zijn lichaam boog, en hij hield zijn adem in, alsof hij geen adem

(durfde) halen.

Als hij van de audiëntie terugkwam, ontspande zich zijn gezicht op den

eersten stap (achterwaarts) [72] en zag tevreden en verheugd. Als hij

op de benedenste plaats was gekomen, ijlde hij vooruit als op wieken

van een vogel vliegend en als hij op zijn plaats was gekomen, drukte

zijn gezicht de grootst mogelijke reverente zorg uit.

Bij het naderen tot den Vorst moest de grootst mogelijke eerbied

worden betuigd, en als in vrees, met buigende knieën, nauwelijks

ademhalende, ging Confucius tot hem. Maar bij het verlaten,—wat ook

de antwoorden of gezegden van den Vorst mochten geweest zijn—moest

een gezicht worden vertoond, blij in de vreugde van den Vorst te

hebben aanschouwd. Men moet hierbij altijd goed onthouden, hoe hoog

Confucius over het vorst-zijn dacht, anders zou dit alles

slaafschheid zijn.

Als hij den staf (van den Vorst gekregen) droeg, boog zijn lichaam,

alsof hij het gewicht niet meester was. Hooggehouden hield hij hem (ter

hoogte van de borst) als bij het buigen, laaggehouden hield hij hem

(niet lager dan) alsof hij iemand iets gaf. Zijn gelaat verschoot, als

van vrees, en hij liep schuifelend, en nog nauwkeurig onderzoekend naar

iederen stap dien hij deed.

In dien ouden tijd kregen de hooge edelen van den Vorst een’

korten, kleinen staf of scepter ten geschenke als teeken van hun

waardigheid, dien zij in de beide handen omhoog droegen, ter hoogte

van de borst. Hij was van kostbaren steen, b. v. jaspis.

Ook tegenwoordig dragen de hooge mandarijnen dien staf aan het hof,

maar schaffen zich dien zelf aan. Behalve van jaspis zijn ze ook

van andere stoffen, b. v. ivoor, stukken olifantsslagtand. Deze

staf wordt eveneens ter hoogte van de borst gehouden, en bij

groetenis met de handen mede op en neder bewogen.

De Kiün Tszʼ (Confucius) droeg geen violet of donkerpurper, en geen

roodbruin als versiering van zijn gewaad. Ook als hij ongekleed [73]

(alleen) was, droeg hij geen purperachtige kleur.

Deze kleuren waren n.l. alleen goed voor vrouwen of meisjes, die

zich op moeten schikken.

Over schaapsbont droeg hij een zwart zijden kleed; over hertenbont een

van wit; over vossenbont een van geel.

Het bonte gewaad van zijn huisdracht was lang, met de rechtermouw kort

(voor het gemak in het schrijven en zaken behandelen).

Zijn slaapgewaad moest stellig een halve lengte langer zijn dan zijn

lichaam.

Sommigen zeggen, dat dit alleen gold voor als hij vastte.

Hij droeg geen schapenbont, of een zwarte muts, als hij op rouwbezoek

ging.

Omdat bruin-geelachtig wit de kleur der rouwenden is, die hier dus

alleen paste.

Op den eersten dag van de maand trok hij zijne staatsiekleederen aan en

presenteerde zich aan het hof.

Toen hij geen officieel ambt meer bekleedde, bleef dit zijne

gewoonte. Men ontving hem altijd met groote eer, al liet men hem

niet in den staatsdienst toe.

Hij vond het niet onaangenaam als zijn rijst nauwkeurig schoongemaakt

was, en vond het niet onaangenaam als zijn gehakt vleesch (heel) fijn

was.

Rijst, die dampig was geworden en zuur, en visch of vleesch, die

bedorven waren, at hij niet. Wat verkleurd was, at hij niet. Wat een

slechten reuk had, at hij niet. Wat slecht gekookt was, at hij niet.

Dat wat niet tot het seizoen behoorde, at hij niet.

Wat niet goed afgesneden was, at hij niet, wat niet zijn (daarbij

behoorende) saus kreeg, at hij niet.

Ofschoon er veel vleesch mocht zijn, liet hij, wat hij er van nam, niet

meer zijn dan in de juiste verhouding met de rijst. Alleen voor wijn

had hij geen maat, maar nam nooit tot hij er verward van was.

Wijn of gedroogd vleesch van de markt at hij niet.

Hij at nooit zonder gember.

„Van gember wordt de ziel helder,” zegt Choe Hie hierbij. De

chineezen zeggen, dat zij alleen vóór 12 uur ’s middags mag gegeten

worden.

Hij at niet veel.

Als hij at converseerde hij niet, als hij te bed lag sprak hij niet.

Als zijn mat niet recht was ging hij niet zitten.

Als de dorpelingen aan het wijn drinken waren en zij, die lange staven

droegen uitgingen, ging hij er achter.

Vanaf den leeftijd van zestig jaren droegen de ouden van dagen

lange houten of bamboestaven om op te steunen, wat nú ook nog veel

wordt gedaan. Confucius ging nooit, uit respect voor den ouderdom,

vóór de ouden, altijd achter hen.

Als hij om informaties zond naar een’ anderen staat, boog hij tweemalen

als hij den (boodschapper) uitgeleide deed.

Dit buigen was niet tegen den boodschapper, maar tegen den staat.

Als hij ziek was en de Vorst kwam naar hem zien, lag hij met het hoofd

naar het Oosten, had hij zijne staatsiekleederen aan, en trok den

gordel er over heen.

Hoe ongemakkelijk dit ook voor een’ zieke mocht zijn, het Decorum

ging bij Confucius vóór alles.

Als een bevel van den Vorst hem ontbood, wachtte hij niet tot zijn

wagen klaar was, maar ging (dadelijk).

Als een vriend stierf, zonder betrekkingen te hebben (die voor de

begrafenis konden zorgen) zeide hij: „Het is aan mij, hem te begraven.”

Als een vriend hem een cadeau zond, al was het paard of wagen, als het

geen vleesch voor offering was, boog hij er niet voor.

Als hij sliep lag hij niet als een lijk.

Voor iemand in rouwkleederen boog hij tot het dwarshout van zijn wagen;

hij boog (eveneens) tot het dwarshout van zijn wagen tegen een’, die de

tafels der bevolking droeg.

Als het op eens donderde, of er een hevige wind was, verschoot hij van

gelaatskleur.

Dit drukte zijn vrees en zijn eerbied uit voor wat hij „de toorn

des hemels” dacht te zijn.

Als hij zijn wagen besteeg stond hij recht, het koord vasthoudende.

Als hij in zijn wagen stond, draaide hij zijn hoofd niet om, praatte

hij niet gejaagd, en wees niet met zijne handen.

Kortheidshalve heb ik wel een groot deel, maar niet het geheele

hoofdstuk dezer karakteristiek van Confucius vertaald. Het

bovenstaande zal, hoop ik, genoeg zijn.

De wagens in dien tijd waren meer karren op twee wielen, wel

eenigszins gelijkende op die der grieken, waarin men stond naast

een menner.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 96 / 107 题