Iemand zeide: „Young heeft menschelijkheid, maar is niet vaardig met
den mond.”
De Meester zeide: „Wat voor nut heeft vaardigheid met den mond? Zij,
die de menschen weerstaan met den mond, zullen voortdurend den haat van
de menschen opwekken. Ik weet niet of hij menschelijk is. (Maar) wat is
het nut van vaardigheid met den mond?”
De Meester zeide: „Mijn Leer wordt niet begaan. Ik zal op een vlot over
de zee gaan drijven. Die mij vergezellen zal, zal Tszʼ Loe zijn, durf
ik zeggen.” Toen Tszʼ Loe dit hoorde was hij verheugd. De Meester
zeide: „Yioe houdt van dapperheid en overtreft mij (daarin), hij heeft
(echter) geen talent (van doorzicht in zaken).”
Tszʼ Loe, of Yioe, was bekend om zijn dapperheid en zijn trouw. Hij
viel dan ook in den strijd, toen hij later zijn vorst, van Wei,
niet wilde verlaten. Confucius wist dan ook, dat hij op hem
vertrouwen kon, maar vond het noodig, hem toch de waarheid te
zeggen, toen hij zoo blij was met dien lof.
Woe vroeg over Tszʼ Loe, of hij menschelijk was. De Meester zeide: „Ik
weet het niet.”
Toen vroeg hij het nog eens. En de Meester zeide: „In een staat van
duizend wagens, zou Yioe kunnen gebruikt worden om het belastingstelsel
te beheeren. (Maar) ik weet niet of hij menschelijk is.”
„En hoe is het met Kʼioe?” (werd weer gevraagd). De Meester zeide: „In
een stad van duizend families, of een Huis van honderd wagens, zou
Kʼioe kunnen gebruikt worden als gouverneur. (Maar) ik weet niet of hij
menschelijk is.”
„En hoe is het met Chʼih?” (werd weer gevraagd.) De Meester zeide:
„Chʼih met zijn gordel om en staande aan het hof zou gebruikt kunnen
worden om het gesprek te voeren met bezoekers en gasten. (Maar) ik weet
niet of hij menschelijk is.”
Hieruit blijkt, welk een groote waarde Confucius toekende aan zijn
begrip „menschelijkheid” d. i. het bezitten van alle deugden, aan
den mensch uit den aard van zijn Sing eigen. Al was iemand om zijne
deugden reeds geschikt om hooge posten te bekleeden, dan nóg was
het niet zeker, dat hij de volmaakte menschelijkheid bezat. En
menschen als Yioe (Tszʼ Loe), Chʼih enz. waren nog wel de besten
uit het land, zijn eigen discipelen! Een staat van honderd wagens
was het tweederangsleengoed (Legge), behoorende tot de hoogste
edelen van den staat, en bevattende duizend families. Een staat van
duizend wagens was het eersterangsleengoed.
Chʼih, met den familienaam Koeng Si, en den titel Tszʼ Hwa, was een
van Confucius’ discipelen, die bizonder uitmuntte door zijn kennis
van de ceremoniën. Kʼioe was eveneens een leerling van Confucius.
De Meester vroeg aan Tszʼ Koeng: „Wie denkt gij dat meer is, gij of
Hwoey?”
(Tszʼ Koeng) antwoordde: „Hoe zou ik mij durven vergelijken met Hwoey?
Hwoey hoort één (punt) en weet er dan (reeds) tien. Ik hoor er één, en
weet er dan (slechts) twee.”
De Meester zeide: „Gij zijt niet als hij, ik geef het u toe, gij zijt
niet als hij.”
Uit deze, zoowel als uit nog meer episodes uit de „Loen Yü” blijkt,
dat Yen Hwoey de meest geliefde leerling van Confucius was.
De Meester zeide: „Eerst was mijn methode (in den omgang) met menschen
om hunne woorden aan te hooren en dan in hun gedrag te gelooven. Nu is
het mijn methode (in den omgang) met menschen om hun woorden aan te
hooren en naar hun gedrag te zien. Door Yu heb ik dat (leeren)
veranderen.”
Yü of Tsae Yu was een van Confucius’ leerlingen, wel oprecht en van
goeden wil, maar buitengewoon bot van verstand.
De Meester zeide: „Ik heb nog nooit een standvastig, onbuigbaar mensch
gezien.” Men antwoordde: „Shin Chʼang (dan)?”
De Meester zeide: „Chʼang!! Met zijn begeerten en lusten!! Hoe wou die
standvastigheid verkrijgen!”
Het ééne karakter „kang”, samengesteld uit twee deelen, waarvan het
een „heuvel”, het andere „mes” beteekent, is zoowel metaalsterk en
massief, als standvastig en onbuigbaar, solide en sterk, zooals die
deelen aanduiden.
Tszʼ Koeng zeide: „Wat ik niet wil dat de menschen míj doen, dat doe ik
ook niet aan de menschen.” De Meester zeide: „Tszʼ, daar zijt gíj nog
niet aan toe.”
Iets van dien aard vindt men ook in de „Choeng Yoeng” (Hfdst. XIII.
No. 3.) Confucius zag in, dat al wist men de waarheid van dezen
gulden regel, het daarom nog zéér moeilijk was, hem altijd toe te
passen, en er geheel aan toe te zijn.
Toen de Meester in Chʼin was, zeide hij: „Laat mij teruggaan! Laat mij
teruggaan! De kleine kinderen (discipelen) van mijn school zijn te wild
en onbezonnen. Zij zijn wel volmaakt volleerd in de schoone kunsten
[71] maar zij weten zich niet te verbeteren (en te vormen).”
Toen Yen Yoeën en Kie Loe aan zijne zijde stonden, zeide de Meester:
„Wel, laat elk van u eens zijne wenschen zeggen!” Tszʼ Loe zeide: „Ik
zou wenschen wagens en paarden en fijne bontkleederen om met mijne
vrienden samen te deelen, en ik zou niet boos zijn als zij die
bedierven.”
Yen Yoeën zeide: „Ik wensch niet te roemen over mijn goedheid, en geen
vertoon te maken van mijne daden.”
Tszʼ Loe zeide: „Ik wensch te hooren de wenschen van mijn’ Meester.”
(En) de Meester zeide: „(Die zijn:) Aan de ouden van dagen rust te
geven, aan vrienden oprechtheid te toonen, en de jeugdigen te
koesteren.”