De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van
de studie. Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! Hij hield van leeren. Hij
was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen fout.
Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij
stierf; en nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van
een’, die (zóó als hij) van de studie hield.”
De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een
bonte koe rood is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet
van nut zouden vinden, zouden (de geesten van) de bergen en de stroomen
het weigeren (als offer)?”
Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering.
Confucius bedoelt hier blijkbaar, dat de fouten van den
vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het
kind mochten verweten worden.
De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang
niets in hem was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al
eens eenmaal per dag of per maand hebben, maar daarmede is het dan ook
uit.”
Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in
is, er geen enkel haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag
zijn.
De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst,
één kalebas water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de
misère niet zouden uithouden, liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch)
niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!”
De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een
vlucht, in de achterhoede zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de
poort was, zweepte hij zijn paard aan, en zeide: „Niet dat ik de
laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.”
Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als
hij is, in zijne vertaling overal à tort et à travers Confucius
tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te
verheffen. Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „But where
was his virtue in deviating from the truth? (maar waar was (hier)
zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier zou
natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt.
De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen
de hoog(ere) dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het
gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen niet verkondigd
worden.”
Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig
toeleggen op de plichten van de menschen (het volk) en, de kwei-shin
(geesten) eerbiedigende, zich op een afstand van hen houden, dat mag
wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid was.
(En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de
hoofdzaak te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het
later komende (de bijzaak), dat mag menschelijk genoemd worden.”
Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius
was, over geesten te spreken. Zie voor vergelijking ook de
Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.”
De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare)
hoekige kelk! Wat een (rare) hoekige kelk!”
Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus)
voorkomt, was de gebruikelijke wijnkelk van een hoekigen vorm, wat
in de grafische beteekening van het karakter ligt opgesloten.
Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar
behield toch het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig
was opgesloten. Confucius bedoelde er mede, dat de regeering en
hare wetten de namen van het vroegere goede behielden, maar de
hoofdeigenschap, het ware wezen er van misten.
De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De
Meester zwoer, en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge
de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!”
Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde
omstandigheden, n.l. het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de
vrouw van den hertog Ling van Wei.
De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng
eigen), hoe uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!”
Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. No. 3.