BOEK VI.

De Hertog Ngai vroeg (aan Confucius) welke zijner discipelen hield van

de studie. Confucius antwoordde: „Yen Hwoey! Hij hield van leeren. Hij

was geen tweemaal vertoornd over hetzelfde, hij herhaalde geen fout.

Ongelukkigerwijze was zijn (voorbestemde) levenstijd kort, en hij

stierf; en nú is er géén meer als hij. Ik heb nog niet gehoord van

een’, die (zóó als hij) van de studie hield.”

De Meester, sprekende over Choeng Koeng, zeide: „Als het jong van een

bonte koe rood is en met wijde hoorns,—ofschoon de menschen het niet

van nut zouden vinden, zouden (de geesten van) de bergen en de stroomen

het weigeren (als offer)?”

Een bonte koe werd beschouwd als ongeschikt voor de offering.

Confucius bedoelt hier blijkbaar, dat de fouten van den

vader—Choeng Koeng was n.l. een berucht slecht mensch—niet aan het

kind mochten verweten worden.

De Meester zeide: „Het hart van Hwoey was zoo, dat er drie maanden lang

niets in hem was dat tegen menschelijkheid inging. Anderen mogen dat al

eens eenmaal per dag of per maand hebben, maar daarmede is het dan ook

uit.”

Choe Hie teekent hierbij aan, dat als er niets tegen menschelijk in

is, er geen enkel haartje of greintje „heimelijke begeerte” mag

zijn.

De Meester zeide: „De eerwaardige Hwoey! Met één bamboe-korfje rijst,

één kalebas water, wonende in een ellendige buurt, waar anderen de

misère niet zouden uithouden, liet Hwoey zijn geluk (daardoor toch)

niet veranderen. De eerwaardige Hwoey!”

De Meester zeide: „Mĕng Chi Fan roemt niet (op zijn deugd). Op een

vlucht, in de achterhoede zijnde, toen men aan ’t binnengaan van de

poort was, zweepte hij zijn paard aan, en zeide: „Niet dat ik de

laatste durf zijn, (maar) mijn paard wilde niet vooruit.”

Het is hinderlijk te zien, hoe Prof. Legge, uitstekend geleerde als

hij is, in zijne vertaling overal à tort et à travers Confucius

tracht af te breken, om op deze vreemde wijze het Christendom te

verheffen. Zóó zegt hij, ook naar aanleiding hiervan: „But where

was his virtue in deviating from the truth? (maar waar was (hier)

zijn deugd in het afwijken van de waarheid?)” Op die manier zou

natuurlijk alle bescheidenheid onmogelijk kunnen worden gemaakt.

De Meester zeide: „Aan hen, die boven het gemiddelde peil zijn, mogen

de hoog(ere) dingen verkondigd worden. Aan hen, die beneden het

gemiddelde peil zijn, mogen de hoog(ere) dingen niet verkondigd

worden.”

Fan Chʼi vroeg wat wijsheid was. De Meester zeide: „Zich ernstig

toeleggen op de plichten van de menschen (het volk) en, de kwei-shin

(geesten) eerbiedigende, zich op een afstand van hen houden, dat mag

wijsheid genoemd worden.” (Toen) vroeg (hij) wat menschelijkheid was.

(En de Meester) zeide: „(Het overkomen van) de moeilijkheid als de

hoofdzaak te beschouwen, en het verkrijgen (van het succes) als het

later komende (de bijzaak), dat mag menschelijk genoemd worden.”

Hier hebben wij er weder een voorbeeld van, hoe bevreesd Confucius

was, over geesten te spreken. Zie voor vergelijking ook de

Choeng-Yoeng, Hfdst. XVI over „kwei-shin.”

De Meester zeide: „Een hoekige kelk zonder hoeken! Wat een (rare)

hoekige kelk! Wat een (rare) hoekige kelk!”

Volgens het karakter „ku” waarin een hoorn (hoekig, puntig dus)

voorkomt, was de gebruikelijke wijnkelk van een hoekigen vorm, wat

in de grafische beteekening van het karakter ligt opgesloten.

Later, in Confucius’ tijd, maakte men ze zonder hoeken, maar

behield toch het karakter „ku” er voor, waarin het begrip hoekig

was opgesloten. Confucius bedoelde er mede, dat de regeering en

hare wetten de namen van het vroegere goede behielden, maar de

hoofdeigenschap, het ware wezen er van misten.

De meester bezocht Nan Tszʼ. Tszʼ Loe was hierover niet verheugd. De

Meester zwoer, en zeide: „Als ik hierin iets slechts heb gedaan, moge

de Hemel mij vernietigen! moge de Hemel mij vernietigen!”

Zie hierover in het „Leven van Confucius” de door mij verhaalde

omstandigheden, n.l. het bezoek van Confucius aan Nan Tszʼ, de

vrouw van den hertog Ling van Wei.

De Meester zeide: „De deugd, die van Choeng Yoeng, is (aan Choeng Yoeng

eigen), hoe uitstekend is zij! Zelden betracht het volk haar lang!”

Vergelijk „Choeng Yoeng”, Hfdst. II. No. 3.

De Chineesche Filosofie, Toegelicht voor niet-Sinologen, 1. Kh'oeng Foe Tsz' (Confucius) · 第 91 / 107 题